IX.

En bestaan geen verhoudingen, waaraan de mensch zich niet kan

gewennen, vooral wanneer hij ziet, dat allen in zijn omgeving er

onder leven. Drie maanden vroeger zou Lewin niet geloofd hebben,

dat hij rustig had kunnen inslapen in den toestand, waarin hij zich

nu bevond; hij leidde een onzinnig, doelloos leven, buitendien boven

zijn middelen, hij had zich aan den drank overgegeven, want anders kon

hij datgene, wat gisteren in de club voorgevallen was, niet noemen;

hij had zich in een eigenaardige, vriendschappelijke betrekking tot

een man gesteld, op wien vroeger zijn vrouw verliefd was geweest, hij

had een avontuurlijk bezoek bij een vrouw gebracht, die men toch niet

anders als een verlorene kon noemen, en ondanks zijn dwepen met haar,

ondanks de smart van zijn vrouw, ondanks al deze omstandigheden kon

hij slapen, rustig slapen!

Tegen den morgen deden hem een zachte aanraking aan den schouder en

een fluisterende stem ontwaken. Kitty wijfelde, omdat zij het jammer

vond hem te wekken, en toch wilde zij gaarne met hem spreken.

"Kostja, schrik niet! Het is niets! Maar het schijnt.... Wij moeten

naar Lisaweta Petrowna zenden...."

Er brandde een licht. Zij zat op het bed en hield een haakwerk in de

hand, waarmede zij zich in den laatsten tijd had bezig gehouden.

"Ik bid u, schrik niet. Ik ben volstrekt niet bang!" zeide zij toen

zij zijn verschrikt gelaat zag en zij drukte zijn hand aan haar borst

en aan haar lippen.

Nauwelijks wetende, wat hij deed, sprong hij snel het bed uit en schoot

zijn chambercloak aan zonder de oogen van haar af te wenden. Hij

wilde gaan, maar kon zich niet van haar losrukken. Zij had er reeds

dikwijls met hem over gesproken, maar zoo bezorgd had hij haar nog

niet gezien. Hoe afschuwelijk, hoe laag scheen hij zich zelf toe,

nu hij aan de smart dacht, die hij haar gisteren veroorzaakt had, en

hoe nietig en onbeduidend scheen hem nu dat alles in vergelijking van

haar, en den toestand, waarin zij zich nu bevond. Haar verhit gelaat,

omgeven door lokken, die uit de muts te voorschijn kwamen, straalde van

blijmoedige vastberadenheid. Hoe weinig onnatuurlijkheid ook steeds

in Kitty's karakter gelegen had, nu elke sluier wegviel, was hij er

door getroffen, hoe klaar de kern van haar wezen uit haar oogen sprak.

Zij zag hem glimlachend aan, maar plotseling trok zij de wenkbrauwen

omhoog, hief het hoofd op en hem snel naderend, greep zij zijn hand

en drukte zich vast tegen hem aan, terwijl zij hem met gloeienden adem

overstroomde. Zij leed en scheen hem haar lijden te klagen. En in het

eerste oogenblik scheen het hem uit gewoonte toe, dat hij er schuld

aan had. Maar haar oogen vol teederheid zeiden hem niet alleen, dat zij

hem niet aanklaagde, maar ook, dat zij hem liefhad wegens dit lijden.

"Als ik geen schuld heb, wie dan?" dacht hij, onwillekeurig naar een

schuldige zoekend om hem te bestraffen; maar er was geen schuldige. Zij

leed, klaagde over deze smart, maar verhief zich er boven, verheugde

zich er over en was er trotsch op. Hij zag, dat er in haar ziel iets

verhevens omging, maar wat? Hij kon het niet begrepen, hij kon zich

niet tot haar hoogte verheffen.

"Ik heb naar mama gezonden--en ga jij naar Lisaweta

Petrowna.... Kostja!.... Het is niets! Het is al weer voorbij! Maar

ga nu dan ook."

En Lewin zag met verwondering, dat zij reeds weer haar haakwerk in

de hand nam en er aan werkte.

Hij kleedde zich in zijn kamer aan, maar vóór de paarden waren

aangespannen, liep hij nog eenmaal naar de slaapkamer.

"Ik rijd naar den dokter. Naar Lisaweta Petrowna is reeds gezonden. Is

er anders nog iets noodig?"

Zij zag hem aan, maar verstond klaarblijkelijk niet, wat hij zeide.

"Ja, ja, ga nu, ga!" zeide zij met de hand wenkende.

Hij was reeds weder in het salon, toen hij plotseling een klagend

zuchten uit de slaapkamer hoorde, dat echter terstond weder

ophield. Hij bleef staan en wist niet, wat hij er van denken moest.

"Ja ja, zij was het!" zeide hij, greep naar z'n hoofd en liep naar

beneden. "God erbarme zich onzer! Hij vergeve en helpe!" sprak

hij. Onwillekeurig waren hem deze woorden over de lippen gekomen. In

dit oogenblik werd hij zich er van bewust, dat noch zijn twijfel, noch

de onmogelijkheid om met het verstand tot het geloof te geraken, hem

in het minst konden beletten zich in het gebed tot God te wenden. Zijn

hart schudde allen twijfel plotseling als asch van zich af. Tot wien

anders zou hij zich dan nu wenden dan tot Hem, in wiens handen hij

zich zelf, zijn hart en zijn liefde voelde rusten.

Hij trad naar buiten, nam plaats in de slede en reed naar den dokter.

Anna Karenina(#13214) · 第 167 / 196 题