III.

Den volgenden morgen om acht uur steeg Anna uit een huurkoets en

schelde aan de groote poort van haar vroeger huis.

"Ga eens zien, wat zij wil. Het is een dame," zei Kapitonitsch, die

nog niet gekleed was en op pantoffels en een haastig aangeschoten

jas door het venster de dame, die voor de deur stond, gewaar werd.

Nauwelijks had zijn helper, een jonge man, die Anna onbekend was,

de deur geopend, of zij trad binnen, nam uit haar mof een banknoot

van drie roebels en drukte hem die snel in de hand.

"Serëscha, Sergej Alexeïtsch!" stotterde zij en trad vooruit. Na een

blik op den banknoot geworpen te hebben, hield haar de helper van

den portier bij de tweede glazen deur staande.

"Wie verlangt u te zien?"

Maar zij hoorde en antwoordde niet.

Nu ging Kapitonitsch, die de verlegenheid der vreemde bemerkte,

zelf naar haar toe en vroeg, wat zij begeerde.

"Van vorst Skorodumof aan Sergej Alexeïtsch!" antwoordde zij.

"Nog niet opgestaan," zei de portier en beschouwde haar

opmerkzaam. Anna had niet verwacht, dat de zoo geheel onveranderd

gebleven inrichting van de voorkamer in dit huis haar zóó zou

aangrijpen. Smartelijke en blijde herinneringen verdrongen zich in haar

geest en voor een oogenblik vergat zij geheel, waarom zij gekomen was.

"Wil u zoo goed zijn een oogenblik te wachten," zei Kapitonitsch en

nam haar den pelsmantel af. Toen zag hij haar in 't gezicht, herkende

haar en maakte zwijgend een diepe buiging.

"Wees zoo goed binnen te treden, excellentie!" zei hij hierop.

Zij wilde spreken, maar de stem begaf haar. Zij zag den oude met een

smeekenden blik aan en ijlde met snelle, lichte schreden de trap

op. Dewijl hij zich ver voorover boog en de pantoffels verloor,

liep Kapitonitsch haar na om haar in te halen.

"Misschien is de onderwijzer daar nog niet gekleed, ik wil hem

zeggen...." Maar Anna klom verder de haar wel bekende trap op, zonder

iets te verstaan van hetgeen de oude zeide.

"Hier, links, excellentie! Hij woont nu in de oude hoekkamer," zeide

de portier hoestend; "ik zal eens gaan zien!" ging hij voort en bleef

voor de hooge deur staan. "Uw excellentie zal het verontschuldigen,

dat er nog niet opgeredderd is." En hij verdween achter de deur,

om terstond weer te verschijnen: "Zij zijn juist wakker!"

Anna zag en hoorde niets om zich heen. Zij kon nauwelijks het geluk

bevatten, dat zij hem terstond zien zou. Maar op het oogenblik,

dat de deur weer door den portier geopend werd, hoorde zij een kind

geeuwen. Aan dit geluid herkende zij haar zoon en zij zag hem als

levend voor zich.

"Goed, goed! ga maar heen!" zeide zij en opende de deur.

De knaap zat in zijn bed met voorovergebogen lichaam en hield juist

met geeuwen op. Zijn lippen sloten zich tot een zalig, droomerig

lachje en toen legde hij zich weer langzaam en welbehagelijk neer.

"Serëscha!" fluisterde zij bijna onhoorbaar en naderde hem. Dat was

hij, maar toch niet zooals zij hem zich had voorgesteld. Gedurende

hun scheiding en in haar vurig verlangen naar hem, had zij zich hem

als kind van vier jaren voorgesteld, toen zij hem het meest bemind

had. Nu was hij zelfs niet meer zoo, als toen zij hem verlaten had,

hij had zich van het vierjarig kind nog verder verwijderd en was

nog grooter en magerder geworden! Wat is dat? Hoe mager is zijn

gezicht en hoe kort is zijn haar! Hoe lang zijn zijn armen! Wat is

hij veranderd, sedert zij hem verlaten heeft! Maar hij was het toch,

hij, hij, hij! Dat was de vorm van zijn hoofd, dat waren zijn lippen,

zijn poezel halsje, zijn breede schouders!

"Serëscha!" herhaalde zij.

Hij richtte zich weer in het bed op, wendde het hoofd naar beide

zijden, alsof hij iets zocht en opende de vastgesloten oogen. Stil en

vragend zag hij zijn moeder, die voor hem stond, aan, lachte gelukkig

en sloot de oogen weer, ging echter niet weer liggen, maar boog zich

knielend naar haar toe.

"Serëscha! Mijn lieve jongen!" sprak zij met bijna verstikte stem en

sloeg de armen om zijn teeder lichaam, dat zich welbehagelijk tegen

haar aanvleide.

Slaperig, met gesloten oogen en steeds glimlachend omhelsde hij haar

over de bedleuning heen, terwijl hij haar bedekte met dien zoeten,

warmen adem, die slechts aan kinderen eigen is, en begon met zijn

gezicht haar hals en schouders te streelen.

"Dat wist ik," zeide hij en opende de oogen. "Vandaag ben ik jarig,

ik wist dat u komen zou. Ik zal dadelijk opstaan."

Anna drukte hem hartstochtelijk tegen zich aan. Zij zag, hoe hij

gedurende haar afwezigheid gegroeid en veranderd was. Zij herkende

zijn lange beenen, die van onder de deken te voorschijn kwamen,

maar toch kwamen ze haar vreemd voor. Zij herkende de ingevallen

wangen en de kort afgeknipte haarlokjes in den nek, dien zij zoo

dikwijls gekust had. Zij betastte dit alles en kon niets zeggen;

tranen verstikten haar stem.

"Waarom schreit u, mama?" vroeg hij plotseling geheel wakker. "Mama,

waarom schreit u?" riep hij op klagenden toon

"Ik? Ik zal niet meer schreien.... Ik schrei van vreugde. Ik heb je

in zoo lang niet gezien. Ik zal het niet meer doen!" zei ze, terwijl

zij de tranen inslikte en zich afwendde. "Zoo! Nu moet ge u echter

aankleeden." hernam ze weer bedaard en zonder zijn hand los te laten

ging zij naast zijn bed op den stoel zitten, waarop zijn kleeren gereed

lagen. "Hoe kunt ge u zonder mij aankleeden? Hoe...." wilde zij vragen

en eenvoudig en hartelijk met hem spreken, maar zij vermocht het niet

en moest zich weder afwenden.

"Ik wasch mij niet meer met koud water, dat wil papa niet hebben. Heeft

u Wassili Lukitsch gezien? Hij zal dadelijk komen. En u, u zijt op

mijn kleeren gaan zitten."

En Serëscha lachte. Zij zag hem aan en lachte ook.

"Mama! lief moedertje!" riep hij uit en wierp zich in haar armen. Alsof

hij eerst aan de werkelijkheid geloofde, nu hij haar zag lachen. "Dat

is niet noodig," zeide hij en nam haar den hoed af, en toen, als zag

hij haar eerst op dit oogenblik, wierp hij zich weer in haar armen

en kuste haar.

"Nu? en wat hebt ge dan van mij gedacht? Je hebt toch niet gemeend,

dat ik gestorven was?"

"Dat heb ik nooit geloofd."

"Heb je het wezenlijk nooit geloofd, mijn jongen?"

"ik wist dat het niet waar was, ik wist het!" herhaalde hij en greep

haar hand, die zijn haar liefkoosde, en drukte ze aan zijn mond en

begon ze te kussen.

Anna Karenina(#13214) · 第 130 / 196 题