Bijna de geheele groote wereld van Moskou was by het huwelijk
tegenwoordig. Onder deze menigte fraai gekleede dames en heeren met
witte dassen werd veel gefluisterd, door de heeren vooral, want de
dames waren verdiept in de beschouwing der honderd details dezer
plechtigheid, waarin zij het hoogste belang stelden.
Een groep intiemen omringde de bruid, en daaronder bevonden zich
haar beide zusters, Dolly en madame Lwof, die uit het buitenland
was gekomen.
"Waarom is Maria bij een huwelijk in lila verschenen? Dit is bijna
rouwkleeding," zeide madame Korsunsky.
"Bij haar teint staat dat goed," antwoordde mevrouw Drubetzky. Maar
waarom kiest men den avond voor die plechtigheid. Daaruit spreekt de
man van zaken."
"Dat maakt meer effect. Ik ben ook 's avonds getrouwd," zeide mevrouw
Korsunsky met een zucht, en herinnerde zich, hoe schoon zij toen was
en hoe bespottelijk verliefd haar man zich aanstelde. Dat alles was
wel veranderd!
"Men beweert, dat zij, die meer dan tienmaal in hun leven bruidsjonkers
geweest zijn, nimmer trouwen; ik heb me op die wijze tegen het huwelijk
willen assureeren, maar de plaats was bezet," zeide graaf Senjawin
tot de jonge prinses Tscharsky, de vues op hem had.
Deze antwoordde slechts door een lach. Zij beschouwde Kitty en dacht
wat zij zou doen, als zij op haar beurt met Senjawin in denzelfden
toestand verkeerde; wat zou zij zich dan wreken over zijn gekscheren!
Tscherbatzky vertrouwde aan een oude hofdame der keizerin zijn
voornemen om den krans te plaatsen op Kitty's chignon ten einde haar
geluk aan te brengen.
"Waartoe die chignon?" antwoordde zij, vast besloten, indien de
weduwnaar, op wien zij het oog had, zich aan het huwelijk wilde
onderwerpen, eenvoudig te trouwen. "Ik houd niet van die soort van
opschik."
Sergej Iwanowitsch schertste met de dame naast hem en beweerde
dat in de toegenomen gewoonte om na het huwelijk op reis te gaan
lag opgesloten, dat de gehuwden zich in het algemeen over hun keus
schaamden.
"Uw broeder kan evenwel trotsch zijn. Zij is wegsleepend. Ge moogt
hem benijden!"
"Ik ben dien tijd voorbij, Darja Dimitriewna," antwoordde hij en zijn
gelaat drukte een plotselinge droefheid uit.
Stipan Arkadiewitsch deelde zijn schoonzuster een woordspeling op de
echtscheiding mede.
"Men moest haar krans terechtzetten," antwoordde zij zonder te
luisteren.
"Hoe jammer, dat zij er minder goed dan anders uitziet, zeide
mevrouw Lwof.
"Maar met dat al kan hij toch in haar schaduw niet staan, niet waar?"
"Ik ben het niet met u eens, hij bevalt mij zeer, en niet slechts als
schoonbroeder," antwoordde mevrouw Lwof. "Wat heeft hij een goede
houding! Het is in zulk een geval zoo moeielijk niet belachelijk
te zijn. Hij is niet belachelijk en niet stijf, men ziet, dat hij
bewogen is."
"Hadt je dat huwelijk verwacht?"
"Zoo wat. Hij heeft haar altijd bemind."
"Nu, wij zullen zien, wie van beiden het eerst den voet op het tapijt
zet. Ik heb Kitty aangeraden het 't eerst te doen."
"Dat zou nutteloos zijn," antwoordde mevrouw Lwof, "in onze familie
zijn wij onderworpen aan onze mannen."
"Ik heb er met voordacht den voet haastig opgezet en jij, Dolly?"
Dolly hoorde hem aan zonder te antwoorden; zij was bewogen, tranen
vulden haar oogen en zij zou niet hebben kunnen spreken zonder te
weenen. Zich verheugende in het geluk van Kitty en Lewin, keerde
zij in haar gedachten terug naar haar eigen trouwdag en, een blik
werpende op den schitterenden Stipan Arkadiewitsch, vergat zij de
werkelijkheid en herinnerde zich slechts haar eerste, onschuldige
liefde. Zij dacht ook aan andere vrouwen, haar vriendinnen, die zij
zich in dat eenig en plechtig uur van haar leven herinnerde, waarin
zij met blijdschap haar verleden leven vaarwel gezegd en met hoop en
vrees in het hart een geheimzinnige toekomst aanvaard hadden. Onder het
getal der gehuwden zag zij terug op haar geliefde Anna, wier plannen
tot echtscheiding zij zooeven had vernomen; zij had ook haar gezien,
bedekt met een witten sluier, rein en onschuldig, als Kitty onder haar
krans van oranjebloemen. En nu? "Het is verschrikkelijk!" mompelde zij.
De zusters en de vriendinnen waren niet de eenigen, die met
belangstelling de bizonderheden der plechtigheid volgden; er waren
vreemde toeschouwsters, die den adem inhielden om geen enkele beweging
van het huwelijkspaar te verliezen, en wrevelig antwoordden op de
aardigheden en laffe gezegden der mannen en deze somwijlen zelfs niet
eens hoorden.
"Waarom is zij zoo ontroerd? Trouwt zij tegen haar zin?"
"Tegen haar zin? Zulk een schoon man! Is hij vorst?"
"Die in wit satijn is de zuster. Hoor de diaken eens brullen: zij
zal haar man gehoorzamen."
"Zijn de zangers van Tschoudow?" [12]
"Neen van de synode.
"Ik heb den knecht ondervraagd. Hij zegt, dat haar man haar medeneemt
naar zijn landgoed. Hij is verschrikkelijk rijk, zegt men. Daarom
heeft men haar uitgehuwelijkt."
"Het is een mooi paar."
"En jij hebt beweerd, Maria Wassiliewna, dat men geen crinolines
draagt. En zie dan die dame in een donkerbruine japon eens--een
ambassadrice, zegt men--hoe zij gekleed is! Zie je wel?"
"Wat een lief, onschuldig wezentje is die bruid. Men gevoelt zich
onwillekeurig bewogen."
Op die wijze spraken de toeschouwsters, die slim genoeg geweest waren
om binnen de kerk te komen.