"Dat zijn ze. Kijk, daar. Welke? Is het de jongste? En zij, men zou
denken, dat ze half dood is!" mompelde men onder de menigte, toen
Lewin met zijn bruid binnentrad.
Stipan Arkadiewitsch verhaalde zijn vrouw de oorzaak der vertraging en
een lachend gefluister ging door de geheele groep der genoodigden. Wat
Lewin betreft, hij zag niets of niemand en wendde zijn oogen niet
af van zijn bruid. Kitty was onder haar bruidskrans minder schoon
dan gewoonlijk, en algemeen vond men haar minder bevallig; maar zoo
was niet de meening van Lewin. Hij beschouwde haar hoog kapsel,
haar bloemen, haar witten sluier, het garnituur van haar japon,
dat zedig haar langen teederen hals omsloot en dien van voren een
weinig onbedekt liet, haar buitengewoon fijne taille--en zij scheen
hem schooner dan ooit. Het was echter niet de Parijsche japon, noch
het geheel van haar tooi,--die niets aan haar schoonheid toevoegde;
het was de uitdrukking van dit bekoorlijk gelaat, haar blik, haar
lippen met haar uitdrukking van onschuld en oprechtheid, die onder
al dien toestel was bewaard gebleven.
"Ik dacht, dat je de vlucht hadt genomen," zeide zij lachend tot hem.
"Wat mij overkomen is, is zoo dwaas, dat ik mij schaam er over te
spreken!" antwoordde hij blozend en wendde zich tot Sergej Iwanowitsch.
"Ze is mooi, je geschiedenis van het overhemd!" zeide deze, het hoofd
met een glimlach opheffend.
"Ja, ja," antwoordde Lewin, zonder een woord te begrijpen van hetgeen
tot hem gezegd werd.
"Kostja, nu is het oogenblik gekomen om een zeer gewichtig besluit te
nemen," kwam Stipan Arkadiewitsch hem zeggen, zich houdend of hij in
groote verlegenheid verkeerde; "de vraag is ernstig en gij zult er al
het gewicht van gevoelen. Men komt mij vragen, of de kaarsen nieuw of
reeds gebruikt moeten zijn; het maakt een verschil van tien roebel,"
voegde hij er bij, op het punt van te lachen. "Ik heb het beslist,
maar ik weet niet of je het zult goedkeuren."
Lewin begreep, dat het een grapje gold, maar kwam er niet toe om
te lachen.
"Wat besluit je? nieuw of aangebrand? ziedaar de vraag."
"Ja, ja, nieuw."
"Best, de vraag is beslist," zeide Stipan. "Wat beteekent een mensch
toch weinig in zulk een positie," mompelde hij tegen Tschirikow,
terwijl Lewin na hem een verstrooiden blik te hebben toegeworpen,
zijn bruid naderde.
"Geef acht, Kitty! zet het eerst uw voet op het tapijt," zeide gravin
Nordstone, terwijl ze bij haar kwam....
"Gij maakt het mooi!" liet zij zich tot Lewin wendend er op volgen.
"Zijt ge niet bevreesd?" vroeg Maria Dimitriewna, een oude tante.
"Ben je niet een weinig koud? Je bent bleek. Ga een oogenblik
zitten!" zeide madame Lwof, haar schoone armen opheffend om een kleine
afwijking, die in het kapsel harer zuster ontstaan was, te herstellen.
Dolly naderde haar op haar beurt en wilde spreken, maar de ontroering
belette het haar, en zij begon zenuwachtig te lachen.
Kitty beschouwde hen, die haar omringden, met een even afgetrokken
voorkomen als Lewin.
Intusschen hadden de hulpgeestelijken zich in hun kerkelijk gewaad
gekleed, en de priester, vergezeld van den diaken, kwam zich voor den
lessenaar plaatsen, die bij den ingang van het Allerheiligste stond;
hij richtte eenige woorden tot Lewin, welke deze niet begreep.
"Neem uw bruid bij de hand en treed nader," fluisterde een bruidsjonker
hem in.
Niet in staat te bevatten, wat men van hem verlangde, deed Lewin het
tegenovergestelde. Eindelijk, op het oogenblik dat men, ontmoedigd,
hem aan zijn eigen ingeving wilde overlaten, begreep hij, dat hij,
zonder van houding te veranderen, met zijn rechterhand de hand zijner
bruid moest nemen. De priester deed daarop een paar stappen en bleef
voor den lessenaar staan. De aanverwanten en de genoodigden volgden
het jonge paar; er verspreidde zich een gemurmel van stemmen en het
geruisen van japonnen. Iemand boog zich om den sleep der bruid terecht
te brengen, vervolgens ontstond er zulk een diepe stilte in de kerk,
dat men de druppels was van de kaarsen kon hooren vallen.
De oude priester met een kapje op het witte haar, dat blonk als
zilver, trok zijn kleine gerimpelde handen van onder den met zilverstof
versierden breeden kasuifel, waarop een gouden kruis prijkte, naderde
den lessenaar en bladerde in het misboek.
Stipan Arkadiewitsch kwam hem iets toefluisteren, gaf Lewin een teeken
en trok zich terug.
De priester stak twee met bloemen versierde kaarsen aan, en ze in
de rechterhand houdend, zonder zich er om te bekommeren, dat het
was er afdroop, wendde hij zich tot het jonge paar. Het was dezelfde
grijsaard, die Lewin de biecht had afgenomen. Nadat hij een oogenblik
beide met zijn treurige en vermoeide oogen had aangezien, zegende hij
met de rechterhand de bruid, daarop liet hij ze met een bijzondere
teederheid een poos op Kitty's gebogen hoofd rusten, gaf de waskaars
over, verwijderde zich langzaam en nam het wierookvat.
"Is dat alles wel werkelijkheid?" dacht Lewin, wierp van ter zijde
een blik op zijn bruid en bemerkte aan de beweging harer lippen en
aan haar oogwimpers, dat zij zijn blik gevoelde. Zij hief het hoofd
niet op, maar hij hoorde een onderdrukten zucht en zag haar in een
langen handschoen gestoken hand beven, terwijl zij de kaars vasthield.
Alles verdween plotseling uit zijn herinnering: zijn te late komst,
de ontevredenheid zijner vrienden, de dwaze geschiedenis van het
overhemd; hij gevoelde niets dan een aandoening van schrik en vreugde.
De aartsdiaken in dalmatica van zilverlaken, een schoon man, met
het haar in tweeën gescheiden, naderde hen, nam met een vlugge,
gemakkelijke beweging de stool op en bleef voor den priester staan.
"Heer, schenk ons Uwen zegen!" sprak hij langzaam, en de woorden
klonken plechtig door de ruimte.
"Dat de Heer u zegene nu en in alle eeuwigheid," antwoordde de oude
priester met een zachte en musicale stem, terwijl hij voortging in
het boek te bladeren.
En het antwoord, door het onzichtbaar koor gezongen, vulde de kerk met
een omvangrijken en vollen toon, die sterker werd, toen een oogenblik
ophield en eindelijk zacht wegstierf.
Men bad, als gewoonlijk, voor de eeuwige rust en het heil der zielen,
voor de synode en den czaar, vervolgens ook voor Gods dienstknecht
en dienstmaagd, Constantijn en Catharina.
"Laat ons God bidden om hun Zijn liefde, Zijn vrede en Zijn hulp te
schenken," scheen de geheele menigte door de stem van den aartsdiaken
te zeggen.
Lewin hoorde deze woorden en was er door getroffen.
"Hoe hebben zij begrepen, dat datgene, waaraan ik juist behoefte heb,
hulp is, ja hulp? Wat weet ik wat kan ik zonder hulp?" dacht hij en
herinnerde zich zijn twijfelingen en de nog onlangs gevoelde onrust
en ontroering.
Toen de diaken had geëindigd, wendde de priester zich tot het
huwelijkspaar met een boek in de hand:
"Allerhoogste God, die door een onverbreekbaren band hen vereenigt,
die gescheiden waren, zegen Uw dienstknecht Constantijn en Uw
dienstmaagd Catharina en stort Uw weldaden over hen uit. In den naam
des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes, nu en altijd tot in
alle eeuwigheid...."
"Amen," zong het onzichtbare koor.
"Die door een onverbreekbaren band hen vereenigt, die gescheiden
waren!" Wat beantwoordden deze diepzinnige woorden aan hetgeen men op
dit oogenblik gevoelt!--"Zou zij ze begrijpen zooals ik?" dacht Lewin.
Uit de beteekenis van Kitty's blik besloot hij, dat zij het begreep
gelijk hij; maar hij bedroog zich: overstelpt door het gevoel, dat
meer en meer haar hart veroverde en vervulde, had zij den kerkdienst
nauwelijks gevolgd. Zij smaakte de groote vreugde eindelijk verkregen
te hebben, wat sedert zes weken beurtelings haar gelukkig gemaakt en
verontrust had. Sedert het oogenblik, waarin zij, gekleed in haar
bruine japon, Lewin was genaderd om zich geheel aan hem te geven,
was--zij gevoelde het--het verledene uit haar ziel gerukt en had
plaats gemaakt voor een nieuw bestaan, zonder dat haar uitwendig
leven was veranderd. Deze zes weken waren een tijdstip geweest,
even gelukzalig als zwellend. Al haar hoop en verlangen vereenigde
zich op een onbegrijpelijke wijze op dezen man, tot wien een gevoel
haar dreef, dat zij nog minder begreep en die, haar bij afwisseling
nu aantrekkende dan afstootende, haar een volkomen onverschilligheid
voor haar verleden inboezemde. Haar gewoonten van weleer, de dingen,
die zij had bemind, tot haar ouders toe, die haar ongevoeligheid
bedroefde,--niets van haar vorig loven bestond nu meer; en hoewel
verschrikt over deze verandering, verheugde zij zich over het gevoel,
dat er de oorzaak van was. Maar kon zij zich nu van dat nieuwe leven,
dat nog niet was aangevangen, een juist begrip vormen? Geenszins;
het was een zachte en verschrikkende verwachting van het nieuwe, het
onbekende, en deze verwachting, evenals het leedwezen van het verledene
niet te kunnen betreuren, ging nu een einde nemen! Zij was bevreesd,
dit was natuurlijk, maar het tegenwoordig oogenblik was toch slechts
de wijding van het uur, dat reeds voor zes weken haar lot beslist had.
De priester, zich naar den lessenaar keerende, had moeite Kitty's
kleinen ring aan het eerste lid van Lewins vinger te steken.
"Ik vereenig u, Constantijn, dienstknecht van God, met Catharina,
dienstmaagd van God," en hij herhaalde dezelfde formule, terwijl hij
een grooten ring aan Kitty's kleinen, fijnen vinger liet glijden.
De gehuwden trachtten te begrijpen, wat men van hen wilde, maar
vergisten zich telkens, en de priester wees hen met zachte stem
terecht. Men glimlachte en fluisterde rondom hen, maar zij bleven
ernstig en eerbiedig.
"O God, die in het begin der wereld den man hebt geschapen," ging de
priester voort, "en hem de vrouw hebt gegeven tot een onafscheidelijke
hulpe, zegen Uw dienstknecht Constantijn en Uw dienstmaagd Catharina,
vereenig de zielen dezer echtelieden en stort in hun hart het geloof,
den vrede, de liefde."
Lewin voelde zijn borst zwellen, onwillekeurige tranen kwamen in zijn
oogen, en al zijn voorstellingen van het huwelijk en van de toekomst
verdwenen. Hetgeen nu vervuld werd, had voor hem een strekking,
die hij tot hiertoe niet had begrepen en nu minder begreep dan ooit.