Toen Alexei Alexandrowitsch de kamer van zijn hotel binnentrad, reikte
een bediende hem twee telegrammen over. Het eene bevatte het bericht,
dat Stremow benoemd was voor de betrekking, waarop Karenin zelf had
gerekend. Hij wierp het telegram neder, zijn gelaat kleurde zich
rood en hij begon de kamer op en neer te gaan. "Quos vult perdere
Jupiter prius dementat...." zeide hij en bedoelde met "quos" juist
die personen, die Stremow voor die betrekking hadden benoemd. Het
veroorzaakte hem niet zoozeer verdriet, dat hij voorbijgegaan en
miskend was, maar het was hem onverklaarbaar, dat men niet had
ingezien, dat juist Stremow, die zwetser en phrasenheld, minder
dan ieder ander voor dat ambt geschikt was. "Hoe is het mogelijk,
dat zij niet begrijpen, hoe zij door deze benoeming hun prestige te
gronde richten?"
Nog iets bitters van dezen aard zeide hij bij zich zelf, terwijl hij
het andere telegram opende. Het kwam van zijn vrouw. De onderteekening
"Anna" viel hem het eerst in het oog.
"Ik sterf. Ik smeek en bezweer u te komen. Met uw vergiffenis sterf
ik geruster."
"Zou dat een listig bedrog zijn?" Dit scheen hem eerst
buiten twijfel. Maar haar bevalling was op handen. "Wellicht
kraamvrouwenkoorts. Maar wat is haar doel? Dat ik het kind zal
erkennen? Dat ik mij compromitteer en de scheiding verijdeld
wordt?" dacht hij. "Maar er staat: "Ik sterf...." Hij las de woorden
nog eenmaal over en plotseling maakte hun zin een diepen indruk op hem.
"En als het nu toch eens waarheid was, als zij onder den indruk harer
smarten en de nabijheid van den dood eens oprecht berouw had en ik was,
omdat ik een list vermoedde, niet gekomen.... Dat zou niet alleen
gevoelloos zijn en door ieder veroordeeld worden, maar het zou ook
dom van mij zijn. Peter! laat het rijtuig niet weggaan. Ik vertrek
dadelijk naar Petersburg!" zeide hij tot zijn bediende.
Zijn besluit was genomen, om naar Petersburg te gaan en er zijn
vrouw te zien. Was haar ziekte slechts een voorwendsel, dan zou hij
zwijgen en terstond weer afreizen. Was zij werkelijk den dood nabij
en verlangde zij daarom naar hem, dan zou hij haar vergeven, als hij
haar nog levend vond, haar de laatste eer bewijzen, als hij reeds te
laat kwam.
Met een gevoel van afmatting en onfrischheid, dat men altijd van
een in een wagen doorgebrachten nacht medebrengt, kwam Karenin in de
droschke, die hem van het station de stad inbracht, voor zijn woning
aan. De portier opende de deur, nog voor Karenin gescheld had. Petrow,
de portier, zag er wonderlijk uit; hij droeg een ouden jas, geen
halsdoek, en liep op pantoffels!
"Hoe gaat het met de barina?"
"Goddank! gisteren gelukkig bevallen."
Alexei Alexandrowitsch bleef staan en verbleekte. Het werd hem
plotseling duidelijk, hoezeer hij op haar dood had gehoopt.
"En hoe bevindt zich de barina?"
Karnej kwam met een morgensloofje voor de trap afloopen.
"Zeer erg! Gisteren is consult gehouden en op dit oogenblik is er
de dokter."
"Neem mijn goed!" zeide Karenin. Bij het bericht, dat er nog uitzicht
op haar dood bestond, gevoelde hij een soort van verlichting en ging
de voorkamer binnen.
Aan den standaard hing een officiersmantel. Karenin bemerkte hem
dadelijk en vroeg: "Wie is daar binnen?"
"De dokter, de baker en graaf Wronsky."
"Ik wil alles verdragen, als het maar een einde neemt," dacht Karenin
en ging door naar de binnenkamers. In het salon was niemand. Uit
Anna's kamer kwam op het geluid zijner schreden de baker met een
muts met lila linten op te voorschijn. Met de gemeenzaamheid, die
de nabijheid van den dood verleent, ging zij op den huisheer toe,
nam zijn hand en leidde hem het kabinet binnen.
"Goddank, dat u er is! Zij spreekt altijd van u."
"Breng toch dadelijk ijs," hoorde hij in de slaapkamer den dokter op
bevelenden toon zeggen.
Aan Anna's schrijftafel zat Wronsky op een lagen stoel; hij had
het gelaat met de handen bedekt en weende. Toen hij de stem van den
dokter hoorde, sprong hij op, nam de handen van voor het diep verslagen
gelaat en zag Alexei Alexandrowitsch voor zich. Hij werd zoo verlegen,
dat hij zich weer nederzette en het hoofd voorover boog, alsof hij
gaarne zou verdwijnen. Maar spoedig herstelde hij zich en zeide:
"Zij sterft. De dokters geven geen hoop. Ik ben in uw macht, maar
sta mij toe hier te blijven.... Overigens zooals u zult bevelen...."
Toen Alexandrowitsch Wronsky's tranen zag, overviel hem weer die
ontroering, die het lijden van anderen steeds bij hem verwekte;
hij wendde zijn gelaat af en ging haastig naar de deur der slaapkamer.
Uit deze werd nu Anna's stem gehoord. Deze klonk blijmoedig en zij
sprak duidelijk en met nadruk. Alexei Alexandrowitsch kwam aan haar
bed. Zij lag daar met het gelaat naar hem toegekeerd. Haar wangen
gloeiden, haar oogen schitterden, haar kleine witte handen kwamen
uit de kanten van haar nachtgewaad te voorschijn en speelden met de
deken. Zij scheen niet slechts gezond en opgewekt, maar ook in de
beste luim.
"Want Alexei.... Ik meen Alexei Alexandrowitsch.... Welk een
verschrikkelijk, zonderling toeval, dat zij beiden Alexei heeten,
niet waar?... Alexei zal niet weigeren; hij zal niet vergeten, dat
hij mij heeft vergeven. Waarom komt hij niet? Hij is goed, hij weet
zelf niet, hoe goed hij is. Ach, mijn God, welk lijden! Geef mij
wat water! Ach, dat zal haar, mijn klein meisje, geen goed doen! Nu,
geef haar een minne, het is zelfs beter zoo. Als hij komt, zal het
hem genoegen doen haar te zien. Neem ze weg...."
"Alexei Alexandrowitsch is al gekomen. Hier staat hij," zeide de baker
en beijverde zich Anna's aandacht op Karenin te vestigen. Maar deze
zag hem voorbij.
"Ach, onzin! Geef mij het meisje, geef het mij. Hij is nog niet
gekomen. Zij zeggen dat maar, omdat zij denken, dat hij niet zal
vergeven; maar zij kennen hem niet. Niemand kent hem. Ik alleen, en
mij is dat ook moeilijk gevallen. Men moet zijn oogen zien. Serëscha
heeft geheel dezelfde en daarom kan ik ze niet aanzien. Heeft Serëscha
te eten gekregen? Serëscha moet naar de hoekkamer verhuizen en men
moet Marietta verzoeken, dat zij bij hem slaapt ..."
Plotseling kromp zij ineen, werd stil en verschrikt en als tot
verdediging hief zij de handen beschermend naar haar gelaat op alsof
zij vreesde, dat iemand haar slaan zoude. Zij had haar echtgenoot in
het oog gekregen.
"Neen, neen," begon zij weer, "voor hem ben ik niet bang; ik ben bang
voor den dood. Kom hier, Alexei. Ik moet mij haasten, want ik heb
geen tijd. Er blijft mij niet veel tijd om te leven over; de koorts
zal dadelijk terugkomen, en dan begrijp ik niets. Nu begrijp en zie
ik alles."
Karenins gelaat had een diep smartelijke uitdrukking aangenomen. Hij
greep haar hand en wilde spreken, maar kon niet. Zijn kin beefde, maar
hij bestreed deze opwelling en vermeed haar aan te zien. Doch steeds,
zoodra zijn blik haar trof, zag hij haar oogen op hem gericht met zulk
een roerende, teedere innigheid, als hij nooit bij haar gezien had.
"Wacht, gij weet niet.... Wacht toch, wacht...."
Zij verzamelde haar gedachten: "Ja," begon zij toen weder: "Ja,
ja! Verwonder u niet over mij. Ik ben dezelfde ... Maar in mij zit
een andere, die ik vrees ... En die heeft gindschen liefgekregen en
wilde u haten, maar ik kon u niet vergeten, die vroeger waart. Die
andere ben ik niet. Nu ben ik de rechte. En nu sterf ik, ik weet, dat
ik sterven zal; vraag het hem. En nu voel ik ook het gewicht aan mijn
handen, voeten en vingers. De vingers zijn zoo groot--kolossaal! Maar
dat eindigt spoedig ... Slechts eene zaak behoef ik nog. Gij moet mij
vergeven, volkomen vergeven. Ik ben zeer slecht, maar de verpleegster
heeft mij verhaald van de heilige zondares, hoe heet zij ook? die
was nog slechter geweest. En dan ga ik naar Rome, daar is een groote
woestijn, daar zal ik niemand hinderen, en neem Serëscha en het
kleine meisje mede ... Neen, ik weet, gij kunt mij niet vergeven,
zoo iets kan men niet vergeven ... Neen, neen, ga heen! Gij zijt
te goed!"--Met een harer gloeiende handen hield zij zijn hand vast,
met de andere stiet zij hem van zich.
Karenins ontroering werd hoe langer hoe grooter, zoodat hij eindelijk
ophield daartegen te strijden. Een eigenaardige zielstoestand maakte
zich van hem meester; een blijde geestdrift voor liefde en christelijke
vergeving zijner vijanden. Hij viel op de knieën, legde zijn hoofd op
haar arm, die door haar kleeding heen als vuur gloeide, en snikte als
een kind. Zij omvatte zijn reeds kaal wordend hoofd, drong zich nader
naar hem toe en hief, als in uitdagenden trots, haar boven naar boven.
"Daar is hij! Ik wist het immers wel! Nu vaartwel, vaart allen wel! Gij
zijt weer hier? Waarom gaat gij niet?... Neem toch dezen pels weg!"
De dokter nam haar handen, legde ze voorzichtig op het kussen en
bedekte haar schouders. Zij legde zich gewillig achterover en zag
met schitterende oogen voor zich uit.
"Vergeet niet, dat ik niets behoef als uw vergiffenis; meer verlang
ik niet.... Maar waarom komt hij niet?" vroeg zij en richtte haar
blik naar Wronsky. "Kom hier, kom, geef hem de hand."
Wronsky ging naar het bed en bedekte zijn gelaat met de handen.
"Laat uw gezicht vrij--zie hem aan. Hij is een heilige!" zeide
zij. "Laat toch uw gezicht vrij!" herhaalde zij geërgerd. "Alexei
Alexandrowitsch, neem hem de handen van het gelaat. Ik wil hem zien."
Alexei Alexandrowitsch nam Wronsky's handen van diens gelaat. Smart
en schaamte hadden het verschrikkelijk verwrongen.
"Geef hem de hand. Vergeef hem."
Karenin reikte hem de hand en kon de tranen niet weerhouden, die zijn
oogen verduisterden.
"Goddank!" zeide zij: "Nu is alles in orde. Leg mij nog een weinig de
voeten terecht. Zoo, zoo is het goed. Hoe smakeloos zijn deze bloemen
geweven! Zij gelijken in 't geheel niet op vergeet-mij-nietjes!" sprak
zij en liet haar blik over het vloerkleed gaan. "Mijn God! mijn
God! wanneer neemt dit een einde? Geef mij morphine, dokter, geef
ze mij. O mijn God, mijn God!" En van pijn krimpend woelde zij door
het bed.