IX.

Toen Kitty was weggereden, gevoelde Lewin zich zoo verlaten, door zulk

een onrust aangegrepen en door zulk een ongeduldig verlangen om de

uren tot den eerstvolgenden dag zoo snel mogelijk te dooden, om haar

maar weder te zien en zich dan voor immer met haar te vereenigen,

dat hij voor deze veertien uren, die hij nog zonder haar moest

doorbrengen, als voor den dood vreesde. Het was hem een behoefte,

met iemand samen te komen en te praten om den tijd te verdrijven. Het

aangenaamst gezelschap was Stipan voor hem, maar deze reed, zooals hij

zeide, naar een soirée, maar in werkelijkheid naar het ballet. Lewin

vond nog slechts zooveel tijd om hem te zeggen, dat hij gelukkig

was en dat hij veel van hem hield en nimmer, nimmer vergeten zou,

wat hij voor hem gedaan had. Stipan had niets geantwoord, maar zijn

schitterende oogen en zijn lachend gelaat toonden, dat hij dit gevoel

wist te waardeeren, dat hij wist, dat dit gevoel verhevener was dan

alle woorden--en zoo drukte hij hem geroerd de hand.

Toen Lewin van Darja Alexandrowna afscheid nam, zeide zij, nadat

zij hem gefeliciteerd had: "Wat ben ik blijde, dat gij het met Kitty

gevonden hebt; men moet oude vriendschap in waarde houden."

Deze woorden deden Lewin onaangenaam aan. Dolly kon onmogelijk

begrijpen, hoe alles bij hen verheven en voor haar onbereikbaar was.

Zoo nam Lewin afscheid van hen, maar om niet alleen te blijven,

sloot hij zich bij zijn broeder aan.

"Waar gaat ge heen?"

"Naar de zitting."

"Nu, als ge er niets tegen hebt, rijd ik mede."

"Waarom niet? Kom, wij rijden heen. Wat is er van daag met je?"

"Wat er met mij is? Geluk is er met mij," antwoordde Lewin en liet

het rijtuigvenster vallen. "Het hindert je toch niet, 't is hier

binnen zoo benauwd. Ja, ik heb geluk. Waarom ben jij niet getrouwd?"

Sergej lachte.

"Ik verheug er mij zeer over. Zij schijnt een uitmuntend meisje...."

"Zeg niets, zeg niets!" riep Lewin uit, greep zijn pelskraag met beide

handen en trok hem over de ooren. "Zij schijnt een uitmuntend meisje,"

waren zulke gewone, eenvoudige woorden, dat zij zijn gevoel volstrekt

niet uitdrukten.

Sergej lachte vroolijk en luid.

"Maar ik mag toch zeggen, dat ik er mij zeer over verheug?"

"Morgen kunt ge dat, morgen, maar nu niets meer! Hoor je? Nu zwijgen!"

Zij reden naar de zitting, en alle menschen, die Lewin daar zag,

kwamen hem goed en beminnelijk voor. Maar de zitting was reeds

om negen uur geëindigd en derhalve zocht Lewin, om den tijd maar

door te komen, nog eenigen zijner vrienden op, zoodat het twee uur

in don nacht was geworden, toen hij in zijn hotel terugkwam. Hij

verschrok bij de gedachte, dat hij nu, met zijn ongeduld alleen,

nog tien uren moest wachten. De huisknecht, die den nachtdienst had,

stak voor hem het licht op en wilde weer gaan maar Lewin hield hem

terug. Deze huisknecht Gregoor op wien Lewin vroeger niet gelet had,

bewees nu een zeer verstandig en braaf en, wat de hoofdzaak was,

een gevoelig mensch te zijn, even als heden alle andere menschen waren.

"Valt het je niet zwaar, dat je niet moogt slapen, Gregoor?"

"Wat zal men doen? Dat brengt de dienst zoo mede. In een privaat huis

is het gemakkelijker, maar hier verdien ik meer."

Het bleek, dat Gregoor familie had, drie zoons en een dochter, die

naaister was en binnen kort met een zadelmakersknecht zou trouwen.

Dit gaf Lewin gelegenheid aan Gregorius zijn gevoelen mede te deelen,

dat in den echt de liefde de hoofdzaak is; want met deze zou men

altijd gelukkig zijn, daar men dan het geluk in zich zelf droeg.

Gregorius luisterde oplettend naar Lewins betoog en maakte om het te

bevestigen de voor Lewin verrassende opmerking, dat hij vroeger bij

goede heeren gediend had, en ook nu was hij met zijn meester tevreden,

hoewel deze een Franschman was.

"Een buitengewoon goed mensch," dacht Lewin.

"Nu, en jij, Gregoor, toen jij trouwde, heb je toen je vrouw lief

gehad?"

"Hoe zou ik ze niet lief gehad hebben?" antwoordde Gregoor.

Op dit oogenblik klonk de bel en Gregoor snelde heen.

Lewin had den geheelen dag bijna niets gebruikt, maar hij dacht aan

geen avondeten. Hij had den geheelen nacht niet geslapen en toch

dacht hij ook nu aan geen slaap. Het was koel in de kamer en evenwel

drukte hem de warmte. Hij opende de beide ventilators in het venster

en ging daartegenover aan de tafel zitten. Achter een besneeuwd dak

zag hij een bouwvallig kruis uitsteken en daarboven den driehoek van

den Wagen en de zacht glanzende Capella. Hij staarde nu op het kruis,

dan naar de ster, ademde de koude binnendringende winterlucht in

en ging voort zich, als in den droom, met de opdagende beelden en

herinneringen bezig te houden.

Ten zeven ure verschenen de knechts om te boenen, er werd voor de mis

geluid, en Lewin bemerkte, dat hij koud werd. Hij sloot de vensters,

trok zijn pels aan en ging de straat op.

Anna Karenina(#13214) · 第 95 / 196 题