Nadat Karenin met zijn ambtsbezigheden, waarvoor hij naar Moskou
was gekomen, den geheelen voormiddag was bezig geweest, ging hij een
brief zitten schrijven aan zijn advocaat. Zonder aarzelen gaf hij hem
volmacht om geheel naar zijn eigen inzicht te handelen. Hij legde in
dit schrijven drie brieven van Wronsky aan Anna, welke hij in haar
portefeuille had gevonden. Sedert Alexei Alexandrowitsch zijn huis had
verlaten met het voornemen niet meer tot zijn familie terug te keeren,
sedert hij kort daarna met zijn advocaat gesproken en deze levensvraag
tot een rechtsvraag gemaakt had, sedert had hij zich meer en meer in
zijn besluit versterkt en erkende de mogelijkheid het uit te voeren.
Hij verzegelde juist dezen brief, toen hij de luide stem van Stipan
hoorde, die met een bediende twistte en verlangde toegelaten te worden.
"Nu, 't zij zoo," dacht Karenin. "Des te beter! Ik zal dadelijk mijn
verhouding tot zijn zuster uiteenzetten en hem verklaren, waarom
ik van middag niet bij hem dineeren kan.--Binnen!" riep hij luid en
schoof het geschrevene in de portefeuille.
"Nu, zie je, dat je gelogen hebt en dat hij thuis is?" hoorde men
Stipans stem tot den bediende, en onmiddellijk daarop kwam hij,
zijn overjas onder het gaan uittrekkend, lachend de kamer in.
"Het verheugt mij zeer je te zien! Derhalve ik mag hopen...." begon
hij op vroolijken toon, maar, toen hij de sombere gelaatsuitdrukking
van zijn zwager bemerkte, hield hij op.
"Ik kan niet komen," antwoordde Alexei Alexandrowitsch op koelen
toon, terwijl hij staan bleef en zijn gast niet uitnoodigde om te
gaan zitten. Het was dadelijk zijn plan zich tegenover den broeder
zijner echtgenoot, tegen wie hij zoo even een aanklacht tot scheiding
voorbereid had, in een gepaste koele verhouding te plaatsen, maar
hij had niet gerekend op de zee van goedhartigheid, die aanstonds in
Stipans ziel buiten de oevers trad. Deze opende wijd zijn schitterende,
heldere oogen.
"Waarom komt ge dan niet? Wat wil je daarmede zeggen?" vroeg hij in
het Fransch en schoof zijn das om den blanken hals terecht. "Neen,
gij moogt niet meer weigeren: wij rekenen allen op je."
"Ik wil daarmede zeggen, dat ik niet bij u komen kan, omdat de
familiebetrekking tusschen ons zal ophouden."
"Wat? wat bedoelt ge? Waarom?" riep Stipan met een krampachtig
lachje uit.
"Omdat ik mij van uw zuster, mijn vrouw, wil laten scheiden. Ik ben
daartoe gedwongen...."
Maar Alexei Alexandrowitsch had nog niet uitgesproken, toen Stipan
Arkadiewitsch zuchtte en zich in een stoel liet vallen.
"Hoe, Alexei Alexandrowitsch, wat zegt ge daar?" riep hij uit en een
groote smart lag in zijn trekken.
"Het is zoo."
"Neen, excuseer me, dat kan--ik kan het niet gelooven...."
Karenin ging ook zitten en hij besefte, dat zijn woorden volstrekt
niet die werking hadden, die hij er zich van voorgesteld had, en dat,
hoe hij zich ook verklaren en van den toestand opening geven mocht,
zijn verhouding tot zijn zwager onveranderd dezelfde blijven zou.
"Ja, ik ben voor de treurige noodzakelijkheid geplaatst, een scheiding
te vragen."
"Ik zeg maar dit eene, Alexei Alexandrowitsch: Ik ken u als een
voortreffelijk en stipt rechtvaardig man, ik ken Anna--verontschuldig
mij, ik kan mijn gevoelens omtrent haar niet veranderen--als een goede,
prachtige vrouw, en daarom--houd het mij ten goede--kan ik daaraan
niet gelooven. Hier bestaat een dwaling," zeide hij en sloeg met de
hand op de tafel, "dat is zeker!"
"Ja, als het maar een dwaling was...."
"Met je verlof, ik begrijp je," viel Stipan hem in de rede; "voorzeker
... maar één ding: men mag zich niet overijlen ... in geen geval
overijlen!"
"Ik heb mij niet overijld," antwoordde Karenin op koelen toon. "En
in zulke zaken kan men ook niemand om raad vragen. Ik ben
vastbesloten...."
"Ach, dat is verschrikkelijk!" zeide Stipan en de tranen kwamen
hem in de oogen. "Ik zou één ding doen, Alexei Alexandrowitsch,
ik bezweer je, doe dat. Zooals ik begrijp, heeft de zaak nog geen
aanvang genomen. Vóór gij een klacht indient, spreek eerst met mijn
vrouw. Zij houdt veel van Anna als van een zuster en zij houdt veel
van u, met een woord, zij is een merkwaardige vrouw. Om Godswil,
spreek eerst met haar. Doe het ter liefde van mij, ik bezweer het u!"
Karenin dacht een oogenblik na en Stipan zag hem deelnemend aan,
zonder hem in zijn zwijgen te storen.
"Derhalve: gij gaat naar haar toe."
"Ik weet niet. Juist daarom ben ik niet bij u geweest. Mij dunkt,
dat ook onze verhouding moet veranderen...."
"Waarom toch. Dat zie ik niet in. Je zult mij toch veroorloven te
veronderstellen, dat gij buiten onze verwantschappelijke betrekking
ook nog andere, vriendschappelijke gevoelens voor mij koestert,
even als ik die u, met een oprechte achting gepaard, toedraag," zoo
zeide Stipan en drukte Alexei de hand. "Als ook uw ergste vermoedens
bevestigd werden, zou ik mij toch nimmer veroorloven over de een of
andere partij mijn oordeel te vellen, en derhalve zie ik geen reden,
waarom onze verhouding zou veranderen.... Doe mij alzoo het genoegen
bij mijn vrouw te komen."
"Ja, wij beschouwen de zaak verschillend," antwoordde Karenin koel;
"overigens zullen wij er maar niet meer over spreken."
"Neen, maar zult ge dan komen? Slechts vandaag op het diner. Mijn
vrouw verwacht je bepaald. Ik bid je, kom toch. En de hoofdzaak is:
Spreek met haar. Zij is een zeldzame vrouw. Gij moogt niet weigeren."
"Nu, als gij het zoozeer wenscht, dan kom ik," zeide Alexei
Alexandrowitsch met een zwaren zucht.