XIII.

In alle kamers van het landhuis heerschte een druk heen en wederloopen:

de huisknecht, de tuinman, de bedienden droegen het goed naar

buiten. Een karos en twee droschken stonden voor de deur. Anna, die

onder deze werkzaamheid haar onrust had vergeten, pakte op een tafel

haar reistaschje, toen Annuschka haar op een juist voorbij rijdende

kales opmerkzaam maakte. Anna zag naar buiten en ontwaardde op de

trap Karenins koerier.

"Ga eens vragen, wat hij wil," zeide zij, ging in een leunstoel zitten

en legde de handen in den schoot, rustig op alles voorbereid. Een

knecht reikte haar een paket over met het handschrift van haar

echtgenoot.

"De koerier heeft order, op antwoord te wachten."

"Goed," antwoordde zij, maar toen de knecht buiten de kamer was,

haalde zij diep adem en aarzelde om het paket te openen.

"Het mag zijn, wat het wil!" zeide zij toen en scheurde den

omslag haastig open. Een pakje papieren geld viel er uit. Haar

handen beefden.... "Ik heb voorbereidselen voor uw verhuizing

gemaakt.... Verzoeke in het oog te houden, dat ik aan de vervulling van

dit mijn verlangen veel gewicht hecht...." las zij de slotwoorden. Zij

liet snel het oog gaan over de voorafgaande regels en las ze toen

nog eens van het begin af. Toen zij er mede ten einde was, gevoelde

zij een koude door haar leden varen en besefte zij, dat zulk een

verschrikkelijk lot haar deel was geworden, als zij nimmer mogelijk

had geacht.

Heden in de vroegte had het haar berouwd haar man alles gezegd te

hebben, en nu, deze brief beschouwde die woorden als niet gesproken

en gaf haar datgene, wat zij dien morgen zoo vurig gewenscht had. En

toch scheen die brief haar nu het verschrikkelijkste, wat zij zich

kon voorstellen.... "Ons leven moest juist zoo voortgaan als tot

hiertoe...." En dat leven was toch reeds zoo kwellend, in den laatsten

tijd ondragelijk geweest.... Wat zou nu daarvan worden? "En hij weet

dat alles, hij weet, dat ik geen berouw kan hebben, dat ik adem, dat ik

bemin; hij weet, dat er niets van kan komen dan leugen en bedrog--maar

hij wil mij verder pijnigen. Dat weet ik, en ik weet, dat hij zich in

dien staat van huichelarij zoo op zijn gemak gevoelt, als een visch

in het water. Maar dat genoegen zal ik hem niet bereiden, ik zal dit

leugenweefsel, waarin hij mij wikkelen wil, verscheuren, er mag van

komen wat wil! Alles is beter, dan dit liegen en huichelen. Maar

hoe? Hoe? Mijn God, mijn God! Was wel ooit een vrouw ongelukkiger

dan ik?... Neen, ik verscheur het, ik verscheur het!" riep zij uit,

sprong op, drong haar tranen terug en ging naar de schrijftafel. Maar

in het diepst harer ziel gevoelde zij, dat zij niet in staat was iets

te verscheuren, dat zij niet in staat was zich uit haar toestand te

bevrijden, en dat zij zelf oneerlijk en bedriegelijk was.

Zij ging aan de schrijftafel zitten, maar, in plaats van te schrijven,

legde zij de handen op de tafel, leunde met het hoofd daarop en begon,

als een kind, bitterlijk te weenen. Zij weende, omdat haar waan van

een verandering in haar toestand voor immer was verstoord, omdat

zij wist, dat alles bij het oude blijven en zelfs nog erger dan tot

hiertoe worden zoude. Zij besefte, dat de sociale positie, die zij

in de wereld innam en die haar heden morgen zoo nietig had geschenen,

haar dierbaar was en dat zij niet in staat was die te verruilen voor

den verachten toestand eener vrouw, die man en kind verlaten en zich

met haar minnaar vereenigd heeft. De vrijheid der liefde zou zij niet

leeren kennen, maar immer een misdadige vrouw blijven onder gestadige

vrees elk oogenblik als een zoodanige ontmaskerd te worden. En hoe

zou dat eindigen? En haar tranen vloeiden onophoudelijk, als die van

een getuchtigd kind.

Naderende voetstappen riepen haar tot zich zelf terug. Zij verborg

haar gelaat en deed, alsof zij schreef.

"De koerier verzoekt antwoord," meldde de knecht.

"Antwoord? Ja," zeide Anna: "laat hem wachten; ik zal schellen."

"Ik moet Alexei (zoo noemde zij Wronsky in haar gedachten) spreken;

hij alleen kan mij zeggen, wat ik doen moet. Ik zal naar Betsy rijden,

wellicht tref ik hem daar aan," dacht zij en vergat geheel, dat hij

haar gezegd had, daar niet te zullen zijn. Zij ging naar de tafel en

schreef aan haar echtgenoot:

"Ik heb uw brief ontvangen.

Anna Karenina(#13214) · 第 73 / 196 题