Toen Anna den volgenden morgen ontwaakte, waren de woorden, die zij
tot haar man had gesproken, het eerste, waar zij aan dacht, en deze
woorden kwamen haar nu zoo onbedacht, zoo dom en zoo plomp voor. Zij
waren nu echter eenmaal gesproken. En wat was toen geschied? Alexei
Alexandrowitsch was weggereden zonder iets te zeggen.
"Waarom heb ik het Wronsky niet verteld, toen hij hier was? Nog op
het oogenblik toen hij heenging, wilde ik hem terughouden om hem
alles te zeggen!"
Maar zij had zich bedacht, want het moest hem vreemd voorkomen,
dat zij het hem niet dadelijk, op het eerste oogenblik had gezegd.
"Waarom heb ik het hem niet gezegd, zooals ik wilde doen?"
Als antwoord op deze vraag bedekte een gloeiend rood haar gelaat. Zij
moest erkennen, dat zij zich geschaamd had. Haar toestand, die haar
gisteren nog helder en duidelijk was voorgekomen, was haar nu niet
meer zoo helder, maar geheel zonder uitzicht. Zij gevoelde nu angst
voor de schande, waaraan zij vroeger volstrekt niet gedacht had. Bij
de gedachte aan hetgeen haar man doen zoude, maakte zij zich de
verschrikkelijkste voorstellingen. Dacht zij aan Wronsky, dan scheen
het haar, dat hij haar niet meer beminde, dat zij hem reeds lastig was
geworden, dat zij zich hem niet kon aanbieden, en zij gevoelde iets
als vijandschap tegen hem. Het scheen haar, alsof zij de woorden,
die zij tot haar man had gesproken en die zij in den geest gedurig
herhaalde, ten aanhoore van de geheele wereld had gesproken en alsof
de geheele wereld ze gehoord had, en zij had den moed niet hem,
met wien zij nu vereenigd leefde, in de oogen te zien.
De kamenier, die een oogenblik aan de deur had geluisterd, trad nu
binnen. Anna zag haar vragend aan en bloosde verschrikt. De kamenier
bracht het kleed en een briefje van vorstin Betsy. Betsy herinnerde
Anna er aan, dat dien voormiddag Lisa Merkalow en barones Stolz met
haar aanbidders bij haar zouden komen om een partij crocket te maken:
"Kom ook en wees toeschouwster, al is het maar tot studie der zeden. Ik
verwacht u."
"De koffie is gereed en de mademoiselle en Serëscha wachten op u,"
meldde Annuschka.
"Serëscha? Hoe gaat het Serëscha?" dacht Anna plotseling en herinnerde
zich dien morgen voor de eerste maal haar zoontje.
"Hij is ondeugend geweest," antwoordde Annuschka lachend.
"Wat heeft hij dan gedaan?"
"Ik geloof, dat hij in de eetkamer in 't geheim een perzik heeft
opgegeten."
De herinnering aan haar zoon bracht Anna eenigszins uit den
zielstoestand, waarin zij zich bevonden had. Nu had zij een
iets gevonden om zich aan te houden en dat was haar zoon. In
welke omstandigheden zij ook komen mocht, haar zoon kon zij niet
verlaten. Mocht haar man haar met schande beladen uit het huis stooten,
mocht Wronsky in zijn liefde verkoelen en tot zijn onafhankelijk leven
terugkeeren, haar zoon zou haar niet verlaten. Haar leven had nu een
doel, en zij moest handelen, opdat men hem haar niet ontroofde. Zij
moest hem nemen en met hem wegtrekken eer men hem haar ontnam. Dit
besluit gaf haar kalmte, het gaf haar een doel. Zij kleedde zich
haastig aan en ging met vaste schreden naar het salon, waar Serëscha
en de gouvernante haar met de koffie wachtten. Serëscha stond in zijn
witte kiel aan de spiegeltafel en was daar bezig met een handvol
bloemen, die hij gebracht had. Op zijn gelaat lag daarbij dezelfde
uitdrukking eener ingespannen opmerkzaamheid, zooals zij die bij zijn
vader kende. Toen hij zijn moeder zag, riep hij luid: "Ha! mama!" en
hield op, in twijfel, of hij naar haar toeloopen en de bloemen laten
liggen, of dat hij den krans eerst afmaken en dan haar brengen zoude.
Nadat zij gegroet had, verhaalde de gouvernante lang en breed
Serëscha's overtreding; maar Anna luisterde niet. Zij dacht er slechts
over na, of zij haar zou medenemen of niet: "Neen," besloot zij,
"ik neem haar niet mede, ik ga alleen met mijn zoon."
"Ja, dat is zeer slecht van hem," zeide Anna luid, terwijl zij hem
bij de schouders hield en hem met een schuchtere uitdrukking aanzag
en kuste: "Laat hem maar bij mij," liet zij er op volgen, terwijl de
gouvernante haar verwonderd aanzag. Toen nam zij, zonder de hand van
haar zoontje los te laten, plaats aan de koffietafel.
"Mama, ik ... ik...." stotterde hij en trachtte daarbij in haar gelaat
te lezen, wat hem wegens de perzik stond te wachten.
"Serëscha," zeide zij, toen zij alleen waren, "dat is slecht, maar
gij zult het niet weer doen.... Hebt ge mij lief?" Zij voelde tranen
in haar oogen komen.
"Kan ik zijn liefde dan niet behouden?" vroeg zij zich zelf en zag
uitvorschend in zijn half angstige, half blijmoedige oogen: "Is het
mogelijk, dat hij mij even zoo beoordeelen zal als zijn vader? Is het
mogelijk, dat ik hem geen leed zou doen?" De tranen rolden over haar
wangen, en om ze voor hem te verbergen, stond zij haastig op en liep
naar buiten naar het terras.
Na de regenbuien der laatste dagen was nu het weer koel en helder
geworden. In weerwil van de zon, die op het schoon gewasschen loover
viel, heerschte in de atmospheer een gevoelige koude. Zij huiverde
van lichamelijke kilheid en innerlijke ontroering, die haar nu weer
beving. "Ga, Serëscha, ga naar Marietta!" zeide zij. "Zouden zij mij
werkelijk niet vergeven? niet begrijpen, dat het toch niet anders
kon?" ging zij in haar gedachten voort.
Zij stond daar en zag op naar de populieren, die door den wind werden
bewogen en welker bladen in den zonneschijn helder glansden; zij
zeide zich zelf, dat zij haar niet zouden vergeven; alles en allen
zouden tegen haar zoo koud en meedoogenloos zijn, als deze hemel,
als deze bladeren.
Zij ijlde in haar huis, naar haar kamer terug; zij ging aan de tafel
zitten en schreef aan haar man: "Na hetgeen is voorgevallen, kan ik
niet meer in uw huis blijven. Ik vertrek naar Moskou en neem mijn
zoon mede. Ik ken de wetten niet en weet niet, bij wien der ouders
hij blijven moet; maar ik neem hem mede; want zonder hem kan ik niet
leven. Wees grootmoedig, laat hem mij...."
Tot hier toe had zij vlug en natuurlijk geschreven, maar het beroep
op zijn grootmoedigheid, die zij hem toch niet kon toekennen, en de
noodzakelijkheid, den brief met iets roerends te besluiten, deden
haar ophouden.
"Van schuld en berouw mijnerzijds te spreken, vermag ik niet...." Weder
hield zij op; zij wist de gedachte niet te voltooien. "Neen," zeide
zij bij zich zelf: "dat is niet noodig!" Zij verscheurde den brief en
schreef een anderen, waarin zij de passage van zijn grootmoedigheid
wegliet, en verzegelde hem toen.
Een anderen brief moest ze aan Wronsky schrijven.
"Ik heb mijn man alles opengelegd en bekend," schreef zij, toen zat
zij een poos en wist niet verder te schrijven. Dat luidde zoo plomp,
zoo onvrouwelijk....
"En dan, wat kan ik hem ook schrijven?"
Weder steeg het rood der schaamte haar naar de wangen; zij dacht aan
zijn kalme gelijkmoedigheid, aan haar gevoel van toorn daarover, en zij
verscheurde het vel papier, waarop die weinige woorden stonden. "Het
is niet noodig!" zeide zij bij zich zelf en ging naar boven. Daar
verklaarde zij aan de gouvernante en aan de dienstboden, dat zij nog
heden naar Moskou zou vertrekken en begon haar goed te pakken.