Anna stond voor den spiegel en was met Annuschka's hulp bezig den
laatsten strik aan haar costuum te bevestigen, toen zij op het kiezel
voor het huis het geluid van een aankomend rijtuig hoorde.
"Voor Betsy is het nog te vroeg," dacht zij en zag uit het
venster. Daar zag zij de coupé en daarin den zwarten hoed en de
bekende ooren van haar echtgenoot.
"Wat ongelegen tijd! Wat zal er van worden als hij hier wil
overnachten?" dacht zij en hoewel de gedachte aan al wat daaruit kon
ontstaan haar verschrikte en beangstigde, liep zij, den geest des
leugens in zich voelend en zich aan dezen overgevend, hem toch met
vroolijk stralend gelaat te gemoet en zonder te weten wat zij sprak,
zeide zij: "O, dat is mooi! Ik hoop, dat ge den nacht over blijft." Dit
was het eerste woord, dat de geest des leugens haar ingaf: "Nu rijden
wij samen naar den wedren--jammer, dat ik al met Betsy afspraak heb
gemaakt! Zij zal mij namelijk afhalen...."
Bij het hooren van dezen naam fronste Karenin het voorhoofd. "O,
ik wil de onafscheidelijken niet scheiden," antwoordde hij op zijn
gewonen ironischen toon: "Ik ga met Michaël Alexandrowitsch. De dokter
heeft mij het gaan bevolen. Ik zal dus te voet gaan en onderweg denken,
dat ik nog in de badplaats ben."
"Er is nog volstrekt geen haast," zeide Anna; "verlang je thee?" Zij
schelde. Een dienstmeisje verscheen.
"Breng thee en zeg aan Serëscha, dat Alexander Alexandrowitsch hier
is.' "Hoe is het met je gezondheid?" En zij zette zich naast haar
man neder. "Ge ziet er niet goed uit."
"Neen," antwoordde hij, "vandaag heeft de dokter mij ook bezocht en
dit heeft mij veel tijd gekost. Het scheen mij toe, alsof een mijner
goede vrienden hem bij me had gezonden. Mijn gezondheid is immers
ook zoo kostbaar...."
"Nu? Wat heeft hij gezegd?" En zij vroeg hem uit over zijn
gezondheidstoestand en over zijn bezigheden en vermaande hem zich te
ontzien en naar haar te verhuizen. Dat alles sprak zij zeer eenvoudig
en haastig en met een eigenaardigen glans in de oogen. Hij hechtte
evenwel geen waarde aan haar woorden; hij hoorde ze maar gaf er de
beteekenis aan, die ze werkelijk hadden. Hij antwoordde phlegmatisch
en schertsend. In dit geheele gesprek was niets van beteekenis, maar
in later tijd kon Anna zich nimmer deze korte scène herinneren zonder
een gevoel van kwelling en schaamte.
Serëscha kwam met zijn gouvernante binnen. Als Karenin er acht op had
gegeven, zou hem de schuchtere blik zijn opgevallen, waarmede zijn
zoon eerst hem en toen zijn moeder aanzag. Maar hij wilde niets zien
en daarom zag hij niets.
"Ha, jonge man! Hij is gegroeid! Inderdaad, hij wordt al groot. Goeden
dag, jonge man."
Serëscha, die reeds altijd tegenover zijn vader bloode was, werd het
nog meer, toen hij als _jonge man_ werd aangesproken en in zijn hoofd
het raadsel nog niet had kunnen oplossen, of Wronsky een vriend of
vijand van zijn vader was. Alsof hij bescherming zocht wendde hij
zich tot zijne moeder. Slechts bij haar gevoelde hij zich op zijn
gemak. Terwijl Alexei Alexandrowitsch met de gouvernante sprak,
lag zijn hand op zijn zoons schouder; dezen was dat zoo kwellend en
pijnlijk, dat Anna bemerkte, dat hij op het punt stond om te weenen.
Anna, die bij het binnenkomen van het kind had gebloosd, nam, toen
zij bemerkte, hoe onaangenaam hij zich gevoelde, Karenins hand van
zijn schouder, kuste hem, geleidde hem naar buiten op het balkon en
kwam toen dadelijk terug. "Het is toch al tijd," zeide zij, naar de
pendule ziende, "waarom zou Betsy niet komen."
"Ja," zeide Alexei Alexandrowitsch en knakte met de saamgevouwen
vingers; "ik ben ook gekomen om u geld te brengen. Men voedert geen
nachtegalen met vertellingen. Gij kunt het wel reeds noodig hebben."
"Neen, ik heb het nog niet noodig ... maar toch...." zeide zij en
bloosde tot de haarwortels toe. "Gij komt toch na den wedren weer
hierheen?"
"Ja zeker," antwoordde hij. "Daar is ook al het sieraad van Pargalewo,
vorstin Twerskaja," voegde hij er bij, terwijl hij door het venster
een eleganten, eenspannigen mandewagen zag voorkomen. "En hoe
elegant! Bekoorlijk! Nu, dan zullen wij ook opbreken."
De vorstin stapte niet uit. Slechts haar bediende in kraagmantel en
zwarten hoed klom af en bleef bij het portier staan.
"Ik ga nu, Adieu!" zeide Anna en kuste haar zoon; toen naderde zij
Alexei Alexandrowitsch en reikte hem de hand: "Het is vriendelijk
van u, dat ge gekomen zijt."
Hij kuste haar hand.
"Alzoo tot weerziens! Gij komt op de thee; dat is best," hernam zij
en ging vroolijk en vergenoegd naar buiten. Maar toen zij de deur
uit was, voelde zij de plek op haar hand, die zijn lippen hadden
aangeraakt en zij kromp schier van een gevoel van afkeer ineen.