Wronsky had op de pendule gezien, maar was zoo opgewonden en nog
zoozeer met zijn gedachten gevuld geweest, dat hij den wijzer wel had
gezien, maar zijn beteekenis niet had begrepen. Hij ging voorzichtig
naar zijn rijtuig, dat op de slijkerige landstraat stond. De koetsier
was op den bok ingeslapen. Hij wekte hem, sprong in de kales en
beval hem naar Briansky te rijden. Zij hadden wel reeds zeven werst
gereden, toen Wronsky eerst in zoover tot bezinning kwam, dat hij op
het horloge zag en dadelijk begreep, dat het al half zes was en hij
zich veel had verlaat.
Dien dag hadden er verscheiden wedrennen plaats: Een wedren in
afgesloten ruimte, een andere officierswedren en dan de zijne. Bij
dezen kon hij nog tijdig genoeg aankomen, al reed hij eerst naar
Briansky; het hof zou dan al wel bijeen zijn, en dit was onaangenaam;
maar hij had het Briansky vast beloofd en derhalve beval hij
den koetsier de paarden niet te sparen. Hij kwam bij Briansky,
bleef slechts vijf minuten en toen ging het in vollen galop weer
terug. Dit snelle rijden gaf hem zijn kalmte weder. Zijn gedachten
richtten zich nu in vroolijke spanning op den ophanden zijnden wedren
en slechts nu en dan vloog de voorstelling van het tegen den nacht
afgesproken rendez-vous als een heldere straal door zijn phantasie. Hij
achterhaalde meerdere equipages, die van de villa's of van Petersburg
naar de renplaats reden.
In zijn woning vond hij slechts zijn staljongen, die hem aan de deur
opwachtte en hem terwijl hij zich verkleedde, mededeelde, dat de
tweede wedren reeds was begonnen, dat vele heeren naar hem gevraagd
hadden en dat de stalknecht er ook al geweest was.
Nadat hij zich zonder overhaasting had verkleed, reed hij naar de
stallen van de wedrenplaats. Toen hij de barak binnen trad, hoorde
hij schellen. De tweede wedren nam juist een aanvang. Daarbuiten voor
den stal had hij Machatins Gladiator ontmoet, die in een oranjekleurig
met donkerblauw afgezet dek naar de hippodroom werd geleid.
"Waar is Kord?" vroeg hij den stalknecht.
"In den stal bij het zadelen."
In de geopende standplaats stond Froe-Froe reeds gezadeld. Men wilde
ze naar buiten leiden.
"Heb ik mij verlaat?"
"All right, all right! Alles in orde!" antwoordde de Engelschman. "Wind
u niet op." Wronsky's onderzoekende blik vloog nog eens over
de sierlijke vormen zijns lievelings en toen ging hij weer naar
buiten. Hij naderde de tribune in het gunstigst oogenblik om de
opmerkzaamheid niet tot zich te trekken. De tweede wedren was
juist geëindigd; alle oogen waren op een cavalerie-gardist en
achter hem op een lijfhuzaar gericht, die de laatste krachten hunner
paarden aanspoorden en den paal naderden. Van alle zijden drongen de
volksmenigte en de soldaten op den paal toe, en hierdoor kon Wronsky
zich onbemerkt onder de menigte mengen.
Wronsky vermeed opzettelijk de groepen der aanzienlijken, die zich
voor de tribune vrij bewogen en met elkander spraken. Hij bemerkte daar
mevrouw Karenin, vorstin Betsy en de vrouw van zijn broeder, maar, om
niet afgeleid te worden, naderde hij hen niet. Maar ieder oogenblik
ontmoette hij kennissen, die hem aanspraken, hem bizonderheden van
den afgeloopen wedren verhaalden en hem vroegen, waarom hij zoo laat
was gekomen.
Op het oogenblik, toen de overwinnaars van den laatsten wedren naar de
tribune geleid werden om hun prijzen te ontvangen, ontmoette Wronsky
zijn oudsten broeder Gregorius, een overste met vangsnoeren; klein
van gestalte, maar even breed geschouderd als Alexei, nog schooner
en blozender van kleur, maar met een gloeienden neus en het kennelijk
gezicht van een drinker.
"Heb je mijn briefje ontvangen?" vroeg hij. "U zelf vindt men nooit."
Gregor Wronsky was, in weerwil van zijn uitspattingen en onmatig
drinken, een volkomen hoveling. Terwijl hij met zijn broeder sprak
over een zaak, die voor dezen hoogst onaangenaam was, vergat hij niet,
dat vele oogen op hem konden gevestigd zijn en behield hij een vroolijk
onbevangen gelaat, alsof zij over iets zeer onbeduidends spraken.
"Ik heb het ontvangen en begrijp werkelijk niet waarover ge u bezorgd
maakt." antwoordde Alexei.
"Ik maakte mij bezorgd, omdat men mij zeide, dat je nog niet hier
waart en dat men u Maandag in Pargalowo gezien had."
"Er zijn dingen, waarover alleen hun een oordeel toekomt, die er bij
geïnteresseerd zijn, en daartoe behoort ook de zaak, waarmede gij
meent u te moeten bezig houden."
"Ja, maar dana moet men niet ..."
"Ik verzoek je, u daarin niet te mengen. Dat is alles."
Alexei Wronsky was bleek geworden en zijn onderlip beefde, wat hem
zelden gebeurde. Zijn broeder wist dat dit een kwaad teeken was en
lachte vroolijk als te voren.
"Ik wilde je moeders brief maar geven," antwoordde hij; "maar wind
je vóór den wedren niet op. Bonne chance!" voegde hij er lachend bij
en verwijderde zich.
Maar dadelijk na hem sprak weer iemand anders met vrienschappelijken
groet Wronsky aan.
"Wel, je kent je vrienden niet. Bonjour, mon cher!" zeide Stipan
Arkadiewitsch, die hier met zijn frisch gelaat en wel onderhouden
baard niet minder schitterend dan in Moskou. "Ik ben gisteren hier
gekomen en verheug mij buitengewoon u spoedig in je zegepraal te
zullen zien. Wanneer zien wij elkander weer?"
"Kom morgen aan de officierstafel," zeide Wronsky, en zich
verontschuldigend, ging hij naar het midden der renbaan, waar men de
paarden voor den grooten wedren met hindernissen heenleidde.
De met zweet en modder bedekte, afgereden en uitgeputte paarden
werden hier door de stalknechts geleid naar huis gevoerd, terwijl
voor en na de nieuwe, meest Engelsche paarden verschenen, die in
hun dekken en met hun sterk ingetrokken buiken er als zonderlinge,
groote vogels uitzagen. Rechts werd de schoone, gracieuse Froe-Froe
voorgeleid; zij schreed op haar elastische en lange enkels en hoeven
als op springveeren voort. Niet ver van haar af werd Gladiator het
dek afgenomen.
Wronsky wilde naar zijn paard gaan, maar andermaal werd hij door een
bekende opgehouden.
"Daar is Karenin," zeide deze. "Hij zoekt zijn vrouw. Zij zit in het
midden der tribune. Hebt ge haar al gezien?"
"Neen," antwoordde Wronsky en zonder naar de tribune te zien ging
hij naar zijn paard.
Nauwelijks had Wronsky kunnen onderzoeken, of zijn paard goed
gezadeld was, toen de ruiters reeds naar de tribune werden geroepen
om hun nummers te trekken. Met ernstige, strenge, ook wel met bleeke
gezichten traden zeventien officieren naar de bus en trokken er de
nummers. Wronsky bekwam nummer 7. Toen klonk het commando: "Opstijgen!"
In het gevoel, dat hij en de overige ruiters nu het middelpunt
van alle op hen gerichte oogen waren, naderde Wronsky zijn paard
in dien gespannen toestand, die hem altijd bezonnen en rustig in
zijn bewegingen maakte. Kord had zich ter eere van den dag in zijn
parade-costuum gestoken, een zwarten tot boven dichtgeknoopten jas,
sterk gesteven halsboord, waarop zijn kinnebakken rustten, zwarten hoed
en kaplaarzen. Hij was als altijd kalm en vol gevoel van eigenwaarde
en hield zelf het paard aan beide teugels. Froe-Froe sidderde als in de
koorts en haar vurig oog zag schuins naar den naderenden Wronsky. Deze
schoof den vinger onder het zadel. De Engelschman vertrok den mond,
hetwelk een lach beteekende, omdat men zijn zadel onderzocht.
"Ga maar opzitten, mylord; u moet zich minder opwinden."
Wronsky keerde zich nog eenmaal naar zijn rival toe. Hij wist,
dat hij hem bij het rijden niet meer zien zou. Twee strijders
reden al naar de plaats van waar afgereden zou worden. Galzin,
een vriend en een der gevaarlijke mededingers van Wronsky, draaide
met een bruinen hengst, die hem niet wilde laten opzitten, in het
rond. Een kleine lijfhuzaar in een nauwe rijbroek reed, in navolging
van den Engelschman, krom als een kater, in galop. Vorst Kusowlew
zat doodsbleek op een volbloed merrie, die een Engelschman aan den
teugel leidde. Wronsky en al zijn kameraden kenden Kusowlew en zijn
eigenaardigheden, namelijk zijn buitengewoon groote eerzucht en zijn
zwakke zenuwen. Hij vreesde overal en voor alles en was zelfs bang om
op een paradepaard te rijden; maar heden, juist omdat het gevaarlijk
was en men den hals kon breken en bij elke barrière een dokter met
een lazaretwagen en een pleegzuster gereed stonden, juist daarom
had hij besloten mede te rijden. Hun blikken ontmoetten elkander en
Wronsky knikte Kusowlew vriendelijk en bemoedigend toe. Slechts een,
zijn voornaamsten mededinger, Machatin op zijn Gladiator, zag hij niet.
"Haast u niet," zeide Kord tot Wronsky, "en denk aan één zaak, mylord:
bij hindernissen mag u niet ophouden of mennen, maar moet u het paard
zelf laten doen, wat het wil."
"Goed, goed," antwoordde Wronsky en greep de teugels.
"Als u kunt, neemt u de leiding weer op; overigens moet u tot op het
laatste oogenblik niet wanhopen, zelfs niet als u achter blijft."
Het paard had geen tijd een beweging te maken, toen Wronsky al vast
op het krakende leder van den zadel zat. Alsof zij niet wist, met
welken voet zij het eerst zou aantreden, rukte Froe-Froe met haar
langen hals aan de teugels en liet den ruiter op haar langen rug als
op springveeren wippend op- en neergaan. Kord ging, zijn schreden
verhaastend, achter haar.
Zij naderden reeds de plaats, vanwaar afgereden zou worden. Eenigen
der ruiters bevonden zich voor hen, anderen meer terug, toen Wronsky
plotseling achter zich op de slijerige baan den galop van een paard
hoorde, en onmiddellijk daarop sprong Machatin hem op zijn Gladiator
met zijn witte pooten voorbij. Machatin lachte hem toe, maar Wronsky
zag hem onvriendelijk aan. Hij was hem niet genegen en nu hield hij
hem voor zijn gevaarlijksten tegenstander en het ergerde hem, dat hij
hem voorbij galoppeerde en Froe-Froe daardoor opgewonden maakte. Deze
hief het linkerbeen op tot den galop en na twee zetten ging zij,
zich over den straf aangetrokken teugel ergerend, in een stootenden
draf over. Kord fronste het voorhoofd en liep achter Wronsky heen.