XVII.

De stallingen bestonden uit afgeschoten ruimten in een planken schuur

nabij den renbaan. Hij had zelf het paard nog niet gezien. In de

laatste dagen had hij het zelf niet meer bereden, maar het overgelaten

aan den pikeur. Nauwelijks verliet hij de kales, toen reeds de groom,

die zijn rijtuig van verre herkend had, den pikeur naar buiten

riep. Deze, een lange Engelschman in hooge laarzen en een kort buis

met een bosje haar onder de kin, naderde hem met den stijven gang,

die allen jockeys eigen is, en met de ellebogen buitenwaarts gebogen.

"En? Hoe gaat het met Froe-Froe?" vroeg Wronsky in het Engelsch.

"All right, sir," klonk de diepe stem van den Engelschman. "Ga liever

niet bij haar," voegde hij er bij en nam zijn hoed af. "Ik heb haar

een muilkorf aangedaan, die haar zeer opwindt: beter er niet heen te

gaan! dat zou het paard nog meer opwinden."

"Neen, ik moet toch naar binnen; ik wil het zien."

"Gaan we dan!" antwoordde de Engelschman kortaf en ging met zijn

zwenkende ellebogen vooruit. Zij gingen het kleine erf voor de barak

op. De dienstdoende stalknecht, een flinke borst in een wit buis

en met een bezem in de hand, ontving hen hier en volgde hen in den

stal. Daar stonden vijf paarden tusschen de palen, en Wronsky wist,

dat ook zijn gevaarlijkste rival, Machatins Gladiator, daar was

aangekomen. Hij zou dien Gladiator nog liever dan zijn eigen paard

gezien hebben, maar het gold hier als een gepaste maatregel, dat hij

het niet zien en naar zijn eigenschappen niet vragen mocht. Terwijl hij

den middelgang doorging, opende de knecht de tweede standplaats links,

en Wronsky zag een groot bruin paard met witte voeten staan. Hij wist,

dat dit Gladiator was, maar met het gevoel van iemand, die zijn oogen

van een geopenden vreemden brief afwendt, keerde hij zich om en ging

naar Froe-Froe's standplaats.

"Dat was het paard van Mach.... Mack ... Ik zal nooit deze namen

leeren spreken," zeide de Engelschman en wees met zijn vuilen duim

terug naar de standplaats van Gladiator.

"Van Machatin; ja dat is een gevaarlijk mededinger," antwoordde

Wronsky.

"Als u hem bereedt, zou ik op hem wedden," zeide de Engelschman.

"Hij is sterker, maar Froe-Froe gespierder," zeide Wronsky tevreden

lachend over den lof zijner rijkunst.

"Bij een wedren met hindernissen ligt alles aan den rijder en aan den

"_pluck_," meende de Engelschman. Niet slechts gevoelde Wronsky zich

door _pluck_, dat is moed, beradenheid, voldoende bezield, maar hij

was overtuigd, dat niemand ter wereld dezen _pluck_ meer kon bezitten

dan hij.

"Weet gij wel zeker, dat het niet meer noodig is ze te laten

zweeten?" vroeg hij den Engelschman.

"Het is niet noodig," antwoordde deze. "Maar wees zoo goed niet zoo

luid te spreken; het paard windt zich anders op."

Men hoorde het paard in de gesloten standplaats met de pooten op het

stroo stampen. Hij opende de deur en Wronsky ging nu den stal binnen,

waar het maar half licht was. Met een enkelen blik nam hij de geheele

gestalte van zijn lieveling op. Froe-Froe was van middelbare grootte en

niet zonder gebreken, zij was fijn van beenderen, haar vooruitkomende

borst was smal. Het achtergedeelte viel te veel af, in de voorpooten

en nog meer in de achterste kon men eenige kromming opmerken. Ook

de spieren aan de voeten waren niet bizonder sterk gevormd; de

beenderen onder de knieën schenen, van voren gezien, niet dikker

dan een vinger, maar van ter zijde deden zij zich ongemeen sterk

voor. Overal, behalve in de ribben, scheen zij als te zamen gedrukt

en uitgerekt. Maar haar hoofddeugd, waarvoor alle gebreken verdwenen,

was dat zij bloed, temperament, ras had. Haar geheele lichaam, vooral

de kop, kenmerkte zich door fijnheid, maar daarbij door vastheid en

energie. Men kon veronderstellen, dat zij behoorde tot die dieren,

die slechts niet spreken, omdat de mechanische samenstelling van den

mond het niet veroorlooft. Toen Wronsky bij haar binnen kwam, snoof

zij de lucht diep in, zag nu van de eene dan van de andere zijde naar

hem, terwijl zij den muilkorf schudde en hinnekend nu met den eenen

dan met den anderen poot stampte.

"Ziet u, hoe opgewonden zij is," zeide de Engelschman.

Eerst toen Wronsky dicht bij den kop ging staan, werd het dier rustig

en zijn spieren sidderden onder de fijne, gladde huid. Wronsky streek

over den geaderden hals en naderde met zijn gezicht de opgesperde

neusvleugels, die week en zacht waren als de vlerken van een vleermuis.

"Stil, rustig, mijn beste," zeide Wronsky en streek het paard over

den rug. Toen ging hij, in het blijde bewustzijn dat het zich in den

besten toestand bevond, weer den stal uit.

Do opgewondenheid van het paard had zich aan hem medegedeeld; hij

voelde het bloed naar het hart stroomen en had wel als het paard

willen trappelen en luide zijn geestdrift te kennen geven.

"Nu, ik vestig op haar al mijn hoop," zeide hij tot den

Engelschman. "Alzoo om half zeven op het terrein."

"Alles zal in orde zijn," antwoordde deze. "Maar waar rijdt u nu

heen, mylord?"

Wronsky hief verrast het hoofd op en zag, zooals hij dat zeer goed

verstond, den Engelschman in plaats van in de oogen op het voorhoofd,

blijkbaar verwonderd over zijn driestheid. Maar terwijl hij bedacht,

dat de Brit bij zijn vraag in hem niet den heer, maar slechts den

jockey zag, antwoordde hij: "Ik moet naar Briansky; binnen een uur

ben ik weer terug.--Hoe dikwijls doet men mij heden die vraag,"

dacht hij en bloosde toen, wat hem anders zelden gebeurde.

De Engelschman zag hem onderzoekend aan en toen, alsof hij wist, waar

Wronsky eigenlijk wilde heenrijden, voegde hij er bij: "De hoofdzaak

bij het rijden is, kalm te zijn, U moet alle verdrietelijkheden

vermijden en zich door niets laten ontstemmen."

"All right!" antwoordde Wronsky lachend, sprong in de kales en riep:

"Naar Pargalewo!"

Nauwelijks hadden ze eenige schreden ver gereden, toen het begon

te regenen.

"Dat is erg," dacht Wronsky. "Het was al morsig genoeg, maar nu wordt

de geheele renbaan een moeras!"

"Wat gaat hun dat aan?" dacht hij. "Waarom houden zij allen het voor

hun plicht, zich om mij te bekommeren? Als het een gewone liaison was,

dan zouden zij mij met rust laten. Maar zij merken wel, dat het geen

spel is. Dat begrijpen zij niet, dat ergert hen. Zij hebben er geen

begrip van wat liefde is, en zij zullen het niet begrijpen, dat er

zonder deze liefde voor ons geen geluk, geen ongeluk, geen leven is."

Hij was boos op hem om hun bemoeizucht, en juist daarom het meest, dat

zij gelijk hadden. Hij gevoelde de onhoudbaarheid van zijn en Anna's

positie en de bezwaren daaraan verbonden, daar hun liefde voor het

oog der wereld was blootgesteld en zij toch beiden godwongen waren

te liegen en te veinzen. Hij gevoelde dat deze toestand zoo niet lang

mocht duren.

"Ja, vroeger was zij ongelukkig, maar kalm en fier; maar thans kan die

kalmte en dat hoog gevoel van eigenwaarde haar niet meer eigen zijn,

al laat zij het ook niet merken... Dat moet een einde nemen!" Voor

de eerste maal kwam hij helder tot het bewustzijn, dat die valsche

toestand hoe eerder hoe beter moest ophouden. "Al het andere laten

varen en hier of daar heen vluchten, zij en ik alleen met onze liefde!"

Anna Karenina(#13214) · 第 49 / 196 题