"Ja, waar is het? Dat is de vraag," antwoordde Petritzky nadenkend
en legde den vinger tegen den neus.
"Zeg het dan toch! Wees toch niet zoo zot!" zeide Wronsky.
"In de kachel heb ik het niet gestoken. Hier ergens moet het zijn."
"Nu, klets toch geen onzin. Waar is het briefje?"
"Waarachtig, ik ben het vergeten. Of zou ik het maar gedroomd
hebben? Wacht een oogenblik. Erger je toch zoo niet. Als je gisteren,
zooals ik, vier flesschen den kop had afgeknepen, zou je vergeten
zijn, waar je zelf had gelegen. Maar wacht even, 't zal mij dadelijk
wel te binnen schieten."
En hij liep achter het beschot terug en ging weer in 't bed liggen.
"Zoo lei ik en daar stond hij. Ja, ja, ja.... Hm! zie je? Daar is
het!" en hij haalde van onder de matras het briefje te voorschijn,
dat hij daar bewaard had.
Wronsky nam het briefje; het was, zooals hij verwacht had, van zijn
moeder, en daarbij lag een briefje van zijn broeder, die hem schreef,
dat hij hem noodzakelijk moest spreken. Wronsky wist, dat het steeds
dezelfde zaak betrof. "Wat gaat het hun aan?" dacht hij en stak den
brief weg om hem onderweg opmerkzamer te lezen.
"Wronsky!" riep iemand, toen hij reeds in het voorhuis was gekomen,
achter hem.
"Wat?"
"Je moet eerst het haar laten knippen; dat weegt anders te zwaar,
vooral op den schedel."
Wronsky begon inderdaad op den schedel al wat kaal te worden. Hij
lachte vroolijk, liet zijn witte tanden zien en de muts over de kale
plek schuivend, ging hij het huis uit en sprong in zijn kales.
"Naar de stallen!" luidde zijn bevel en hij nam de brieven om ze
te lezen, maar bedacht zich weer en las ze niet, om zich niet op te
winden, voor hij zijn paard had gemonsterd.