X.

Den eersten tijd na zijn terugkomst uit Moskou kromp Lewin telkens

ineen en bloosde als hij aan de ondervonden afwijzing dacht. "Evenzoo

kromp ik ineen en bloosde ik," dacht hij, "toen ik nummer één voor de

physica [7] kreeg en in de tweede klasse bleef zitten; toen achtte

ik mij ook verloren, en nu? Jaren zijn sedert dien tijd voorbij

gegaan en ik verwonder mij thans, dat ik mij dat vroeger zoo zeer

kon aantrekken. Zoo zal het ook met dit verdriet gaan. Er zal ook

een tijd komen, dat ik er even onverschillig aan denk."

Doch drie maanden waren verloopen en nog was hij er niet onverschillig

onder geworden; de herinnering deed hem nog even pijnlijk aan als in

de eerste dagen, ofschoon tijd en arbeid het hunne gedaan hadden. Op

die groote herinnering hoopte zich al meer en meer kleine en toch

zoo belangrijke gebeurtenissen uit het landleven en bedekten haar

langzamerhand. Met elke nieuwe week dacht hij minder aan Kitty en

verwachtte ongeduldig de bekendmaking van haar huwelijk, die hem,

hoopte hij, even volkomen zou genezen, alsof hij zich een tand liet

trekken.

Intusschen was de lente gekomen, een zeldzaam schoone, zachte lente,

waarin plant en dier en mensch zich verheugden. In de laatste

vastenweek was het nog helder vriezend weer geweest. Des daags

dooide het in de zon, des nachts daalde de thermometer tot zeven

graad. Op den eersten Paaschdag lag er nog sneeuw. Plotseling, op

den tweeden Paaschdag, kwam er een warme wind, wolken stapelden zich

opeen, en drie dagen en nachten stroomde onverpoosd een zachte regen

neder. Donderdags ging de wind liggen en er verbreide zich een dichte,

grauwe nevel. De wateren werden ontboeid, het ijs brak en barstte,

schuimende, troebele waterstroomen zochten overal uitwegen; toen week

de nevel, de wolken verstoven in kleine vlokken, het werd helder

en de lente hield haar intocht. De heldere morgenzon deed spoedig

het dunne ijs dat zich 's nachts op de poelen en plassen gevormd

had, smelten, en de lucht trilde van de opstijgende uitwaseming der

verjongde aarde. De dorre weiden werden groen, het jonge gras schoot

als naalden omhoog, de knoppen der vlierboomen, der St. Jansbessen

en der geurige berken zwollen, en op de met gele bloemen bestrooide

weide gonsden de bijenzwermen. Nabij het fluweelachtig groen der

graanvelden hoorde men den onzichtbaren leeuwerik, het schreeuwen van

den kievit boven de met troebel water gevulde greppels en moerassen,

en hoog in de lucht jubelden de kraanvogels de lente te gemoet. Weldra

loeide ook het vee in de weide, krompootige lammeren speelden om hunne

blatende moeders en de bloote voeten der dorpskinderen gingen over

de natte paadjes door de velden, van de overzijde der beek klonken

vroolijke stemmen der huismoeders, die haar linnengoed bleekten, en

van de hoeven de slagen der aksten van de boeren, die hun ploegen en

eggen in gereedheid brachten. Het was een echte, ware lente.

Anna Karenina(#13214) · 第 40 / 196 题