Sinds dien avond begon er een nieuw leven voor Alexei Alexandrowitsch
en zijn vrouw. Er was niets bizonders voorgevallen. Anna reed als
vroeger uit, bezocht vorstin Betsy dikwijls en trof Wronsky overal
aan. Haar echtgenoot wist het, maar kon er niets aan doen. Al zijn
pogingen om haar tot een verklaring te bewegen stuitten af op een
ondoordringbaren muur van kluchtig misverstand. Uiterlijk was alles
hetzelfde, maar hun intieme verhouding tot elkander was geheel
veranderd. Zoo sterk Alexandrowitsch zich in zijn officieel leven
gevoelde, zoo zwak gevoelde hij zich hier. Als een ter slachtbank
geleide stier, wachtte hij met gebogen hoofd de bijl af, die hij
boven zijn hoofd zag opgeheven. Telkens, als hij er aan dacht, meende
hij nog een poging te moeten wagen, of zij nog niet door goedheid en
liefde te overtuigen, te redden zou zijn, of hij haar niet dwingen kon
tot bezinning te komen, en elken dag nam hij zich voor nog eenmaal met
haar te spreken. Doch zoo dikwijls hij begon, besefte hij, dat de demon
van boosheid en leugen, die haar beheerschte, ook hem overweldigde,
en hij zeide altijd wat anders en op een geheel anderen toon, als hij
zich had voorgenomen. Hij viel onwillekeurig in zijn ouden toon; hij
sprak als iemand, die dengene, die zoo sprak, uit zou lachen. En op
dien toon kon hij natuurlijk niet zeggen, wat hij haar te zeggen had.
Wat bijna een jaar lang voor Wronsky de hoogste wensch zijns levens
en voor Anna een onmogelijke en daarom te bekoorlijker droom geweest
was, dat was nu werkelijkheid geworden. Bleek, met trillende lippen
stond hij over haar gebogen en bezwoer haar, zich gerust te stellen,
zonder zelf te weten waarover of waarom.
"Anna! Anna!" zeide hij met bevende stem, "Anna om Godswil...."
Maar hoe dringender hij smeekte, des te dieper boog zij het eens zoo
fier opgeheven, nu zoo diep vernederd hoofd; zij boog zich zoover
voorover, dat zij van de sofa aan zijn voeten neergleed en snikkend
fluisterde zij: "Vergeef mij!"
Zij gevoelde zich zoo schuldig en misdadig, dat haar niets overbleef,
dan zich te vernederen en om vergeving te bidden. Nu bezat zij in
de geheele wereld niets meer dan hem alleen. Verder sprak zij niets;
meer kon zij niet zeggen. Zijn aanblik deed haar physische vernedering
gevoelen.
Hij echter gevoelde, wat een moordenaar bij het aanschouwen van zijn
levenloos offer gevoelen moet; dit zijn offer was haar liefde. Er lag
iets stuitends, afschuwelijks in de herinnering aan datgene, waarvoor
men zulk een schandprijs betaald had.--Maar ondanks allen afschrik
van den moordenaar voor het lijk van den vermoorde, moet hij dit lijk
toch misvormen en verbergen, moet hij van het voordeel partij trekken,
dat hij door dien moord gewonnen heeft. En evenals de moordenaar zich
woest over het lijk heen werpt, het verscheurt, verminkt en onkenbaar
maakt, zoo bedekte hij haar gelaat en schouders met hartstochtelijke
kussen. Zij hield zijn hand vast en bewoog zich niet.
"Ja, deze kussen zijn datgene, wat door die schande is gekocht. Ja,
en dit is de hand, die nu de mijne is en blijven zal, de hand van mijn
medeplichtige." Zij bracht de hand aan haar mond en kuste ze. Hij zonk
op de knieën en wilde haar in het gelaat zien. Maar zij verborg het
en sprak geen woord. Eindelijk beheerschte zij zich met inspanning
om op te staan en duwde hem van zich.
"Alles is voorbij," sprak zij. "Ik heb niets meer dan u. Vergeet
dit niet."
"Hoe zou ik vergeten, wat voor mij _het leven_ is? Voor een oogenblik
van zulk een geluk...."
"Wel een geluk?" vroeg zij met schrik en afschuw; en deze afschuw
deelde zich onwillekeurig aan hem mede.
"Om Godswil! geen woord, geen enkel woord meer!" herhaalde zij en
met een vreemde, hem onverklaarbare uitdrukking in het gelaat ging
zij van hem af.