Alexei Alexandrowitsch had er niets bizonders of aanstootelijks in
gezien, dat zijn vrouw met Wronsky alleen aan een tafel zat en met hem
in levendig gesprek was; maar hij had bemerkt, dat het de overigen
in het salon als iets bizonders en aanstootelijks was opgevallen,
en daarom kwam haar gedrag hem ook ongepast voor. Hij besloot er
met zijn vrouw over te spreken.--Te huis gekomen, ging hij naar de
studeerkamer, zette zich in den leunstoel, sloeg een boek open en las,
zooals hij gewoon was, tot één uur. Van tijd tot tijd streek hij met
de hand over het hooge voorhoofd en schudde het hoofd, alsof hij iets
van zich wilde afwerpen. Op het gewone tijdstip stond hij op om zijn
nachttoilet te maken. Anna was nog niet te huis gekomen. Met het boek
onder den arm ging hij naar boven; maar in plaats van, zooals anders,
zijn gedachten bij zijn ambtsbezigheden te bepalen, dacht hij nu aan
zijn vrouw, en wel met zulk een onrust, alsof hem iets onaangenaams
had kunnen overkomen.... Tegen zijn gewoonte ging hij nog niet naar
bed, maar begon, de handen op den rug houdend, met groote schreden
het vertrek op en neer te gaan.
Toen hij besloten had met zijn vrouw te spreken, scheen dit hem zeer
natuurlijk en gemakkelijk, maar nu hij meer over de zaak nadacht,
kwam het hem bezwaarlijk voor, daar het den schijn van wantrouwen
zou geven. Hij was niet jaloersch. Jaloerschheid was naar zijn
inzien een beleediging der vrouw en men moest zijn vrouw volkomen
vertrouwen. Waarom men dit vertrouwen moest hebben, dat is, de
volle overtuiging, dat zijn jonge vrouw hem altijd zou beminnen,
daarvan gaf hij zich verder geen rekenschap, maar zeide zich zelf
eenvoudig, dat men dit vertrouwen hebben moest. Nu besefte hij
echter, dat hij tegenover iets onlogisch en onbegrijpelijks stond,
waarmede hij niets wist aan te vangen. Hij besefte, dat het leven
hem tegenover de mogelijkheid plaatste, dat zijn vrouw een ander
zou kunnen beminnen, en dat kwam hem ongehoord, onbegrijpelijk voor,
omdat hij het werkelijk leven niet kende. Hij had zijn geheele leven
in officiëele sfeer en werkzaamheid doorgebracht, waarin hij slechts
met een matten weerschijn van het leven had te doen gehad. Telkens
als hij met het werkelijk leven in aanraking was gekomen, was hij
uitwijkend ter zijde getreden. Nu had hij het gevoel van iemand,
die juist een afgrond is overgegaan over een brug, die achter hem
instort; vroeger had hij slechts de brug gezien, nu zag hij slechts
den afgrond. Deze afgrond was het werkelijk leven, de brug was het
kunstmatig bestaan, dat hij tot hiertoe voor leven gehouden had. Voor
de eerste maal was de gedachte bij hem opgekomen, dat zijn vrouw een
ander zou kunnen liefhebben, en die gedachte deed hem ontstellen.
Na veel wikken en wegen en heen en weer loopen door het vertrek,
zette hij zich voor de schrijftafel zijner vrouw neder. Hier bij het
zien van haar schrijfmappe van malachiet en van een begonnen brief,
namen zijn gedachten plotseling een andere richting. Hij begon zich
eenigszins haar gedachten en gevoelens voor te stellen. Voor de eerste
maal besefte hij, dat zij haar eigen leven, eigen beschouwingen en
eigen neigingen had, en de gedachte, dat zij een eigen zelfstandig
leven leidde, scheen hem zoo verschrikkelijk toe, dat hij die van
zich zocht te stooten; het was een afgrond, waarin hij huiverde neer
te zien.
"En het fataalste is, dat ik juist nu met een zaak bezig ben" (hij
dacht aan een ontwerp, waarvan de uitwerking hem was opgedragen),
"waarvoor ik alle kalmte en geestkracht noodig heb; en nu juist moet
deze dwaze onrust mij bevangen! Wat te doen? Ik moet overleggen,
beslissen, tot een besluit komen!" zeide hij luid; "de vraag wat
_zij_ gevoelt, wat in haar ziel omgaat, is mijn zaak niet; dat
gaat haar godsdienst, haar geweten aan," dacht hij en gevoelde een
zekere verlichting in het bewustzijn, een legaal gezichtspunt voor
de beoordeeling van deze aangelegenheid te hebben gevonden.
Alexei Alexandrowitsch was een kerkelijk geloovig man, eensdeels omdat
hij zich nooit met godsdienstige vraagstukken bizonder had afgegeven
en de twijfel hem dus niet kon bevangen, ten andere vooral omdat de
leer der kerk een bepaalde verklaring gaf voor alle twijfelachtige en
onbestemde dingen, die Alexei Alexandrowitsch het lastig en onaangenaam
vond door eigen nadenken te verklaren. De kerkleer ruimde al die vragen
uit den weg en liet hem alzoo ruimte en tijd voor zijn werkzaamheid
op practisch gebied.
"Derhalve," dacht hij, "de vraag naar haar gevoelens en aandoeningen
gaat mij niet aan, maar haar eigen geweten. Wat mijn plicht is, is
duidelijk. Als hoofd des huizes ben ik verplicht en er eenigermate
verantwoordelijk voor, haar den rechten weg te wijzen, haar opmerkzaam
te maken op de gevaren, in zoover ik die als zoodanig erken, haar te
waarschuwen en zelfs de macht, die ik over haar heb, te doen gelden. Ik
moet haar dit uiteen zetten." Hij legde de handen in elkander en drukte
ze zoo sterk, dat de gewrichten der vingers knapten. Deze beweging,
een slechte gewoonte, was een bewijs, dat hij met zich zelf in het
reine was gekomen.
Voor het huis deed zich het geluid hooren van een aankomend
rijtuig. Alexei Alexandrowitsch bleef midden in de zaal staan. Lichte
schreden ijlden de trap op. Hoewel hij met zijn besluit klaar was,
gevoelde hij toch, hoe meer die schreden naderden, bij toeneming,
dat hij de ophanden zijnde verklaring vreesde....