"Integendeel, het interesseert mij zeer. Wat schrijft men u daar
verder over, als het niet te onbescheiden is?"
Anna stond op en naderde Betsy. "Mag ik een kop thee verzoeken?" zeide
zij achter haar stoel staande.
Terwijl de vorstin haar inschonk, naderde Wronsky haar: "Wat schrijft
men u dan?" zoo herhaalde hij zijn vraag.
"Ik denk dikwijls, hoeveel toch de mannen van edelmoedigheid spreken,
terwijl zij ze zoo weinig beoefenen," antwoordde zij ontwijkend. "Dat
had ik u al lang willen zeggen," voegde zij er nog bij en ging aan
een ettelijke schreden verwijderde tafel zitten, die vol albums en
atlassen lag.
Hij bracht haar een kop thee en zeide: "Ik heb den zin uwer woorden
niet geheel begrepen."
Zij zag naar de sofa naast zich en hij nam dadelijk daarop
plaats. Zonder hem aan te zien sprak zij toen: "Ja, ik wilde u daarmede
zeggen, dat ge slecht, zeer slecht hebt gehandeld."
"Weet ik dat dan niet? Maar wiens schuld is het, dat ik zoo gehandeld
heb?"
"Waarom zegt ge mij dat?" vroeg zij blozend en zag hem aan.
"U weet waarom!" antwoordde hij, koen en blijmoedig haar blik
beantwoordend.
Niet hij, maar zij werd verlegen.
"Dat bewijst slechts, dat gij geen hart hebt," zeide zij, maar haar
blik sprak: "gij hebt een hart en daarom ben ik voor u bevreesd."
"Dat, waarop u eerst doeldet, was slechts een zinsverwarring,
geen liefde."
"Denk er aan," zeide Anna, "dat ik u verboden heb dit woord uit te
spreken, dit afschuwelijke woord!" Maar zij besefte tegelijk, dat
zij met dit verbod een zeker recht op hem had genomen en hem een des
te grooter recht gegeven had haar van zijn liefde te spreken. Doch
vastberaden zag zij hem in de oogen en terwijl zij begon te gloeien,
zoodat zij haar wangen voelde branden, ging zij voort: "Ik wilde
het u al lang zeggen en ik ben nu juist hier gekomen, omdat ik wist,
dat gij er ook zoudt zijn, ik ben gekomen om u te zeggen, dat 't ten
einde moet zijn. Ik heb tot hiertoe nimmer en voor niemand behoeven
te blozen, en gij dwingt me, mij schuldig te gevoelen."
Hij zag haar aan en was verrast door eene nieuwe, zielvolle uitdrukking
harer schoonheid.
"Wat verlangt ge van mij?" vroeg hij ernstig en eenvoudig.
"Ik verlang, dat gij naar Moskou terugkeert en Kitty vergeving vraagt."
"Dat verlangt ge niet," zeide hij kalm. Hij zag, dat zij zich geweld
deed om het tegendeel te zeggen van hetgeen zij wenschte.
"Indien ge mij werkelijk lief hebt, zooals ge zegt, geef mij dan mijn
rust weder!"
Zijn gelaat straalde.
"Weet ge dan niet, dat ge voor mij het geheele leven zijt, maar rust
... ik kan u niet geven, wat ik zelf niet heb. Mij zelf--geheel,
mijn liefde ... ja! Aan u kan ik niet denken zonder mij--gij en ik,
in mijn gedachten zijn wij een. De mogelijkheid der rust zie ik ook
in de toekomst noch voor mij, noch voor u; wel zie ik de mogelijkheid
der vertwijfeling en der ellende--maar ik zie ook de mogelijkheid van
een geluk, en welk een geluk.... Is het niet mogelijk?" fluisterden
zijn lippen slechts--maar zij verstond het toch.
Zij spande al de kracht van haar verstand in om te spreken en te doen,
wat de plicht haar gebood, en toch zag zij hem met een blik vol liefde
aan en antwoordde niets.
"Daar is het!" dacht hij in verrukking, "daar is het einde, waar ik
reeds wanhoopte, waar ik geen einde zag, daar is het! Zij bemint mij
en heeft het bekend."
Zij wilde iets zeggen, maar hij kwam haar voor: "Ik smeek u slechts
om één gunst, om het recht te mogen hopen, mij zelf altijd te mogen
kwellen zooals nu. Maar als ik dit recht moet missen, zoo beveel mij
te verdwijnen, en ik verdwijn. Is mijn tegenwoordigheid u onaangenaam,
dan zult ge mij niet meer zien."
"Ik wil u niet wegjagen...."
"Verander dan slechts niets! Laat alles blijven zooals het nu is,"
smeekte hij met bevende stem.... "Daar is uw man!"
Inderdaad trad op dat oogenblik Alexei Alexandrowitsch op zijn
bedaarde, eenigszins linksche manier het salon binnen. Op zijn vrouw
en Wronsky een blik werpend, naderde hij de gastvrouw, groette haar
en nam aan de theetafel plaats. Weldra hoorde men hem met zijn schrale
stem levendig spreken en zich op zijn gewonen, schertsenden toon over
den een of ander vroolijk maken.
"Uw Rambouillet is volkomen bijeen," zeide hij, zijn blik over het
gezelschap latende gaan.... "alle gratiën en muzen...."
Maar vorstin Betsy kon dezen toon ("sneering," zooals zij hem noemde)
niet dulden en als schrander gastvrouw, die zij was, bracht zij het
gesprek dadelijk op den algemeenen dienstplicht. Alexei Alexandrowitsch
liet zich ook terstond door dit thema gevangen nemen en begon de door
de vorstin bestreden nieuwe ukazen ijverig te verdedigen.
"Maar dit wordt intusschen aanstootelijk!" fluisterde eene dame,
met de oogen Anna, haar man en Wronsky aanduidend.
"Wat heb ik u gezegd?" antwoordde Anna's vriendin fluisterend.
Doch niet alleen deze beide dames, maar bijna allen, zelfs vorstin
Miagkaja en Betsy, wierpen nu en dan afkeurende blikken op die beide,
van de overigen verwijderd zittenden. Slechts Alexei zag geen enkele
maal naar hen en toonde zich geen oogenblik van het onderwerp van
zijn gesprek afgeleid.
Zoodra vorstin Betsy de algemeene ergernis bemerkte, schoof zij een
ander in haar plaats om het onderhoud met Alexei Alexandrowitsch
voort te zetten en naderde Anna. "Ik moet altijd de helderheid en
nauwkeurigheid bewonderen," zeide zij, "waarmede uw man zich weet uit
te drukken. De ingewikkeldste vraagstukken worden iemand duidelijk,
als hij er over spreekt."
"O ja!" antwoordde Anna, met een glans van geluk op haar gelaat,
zonder evenwel een woord te verstaan van hetgeen Betsy tot haar
sprak. Maar zij ging met haar naar de groote tafel en nam deel aan
het algemeen gesprek.
Na verloop van een half uur kwam Karenin bij zijn vrouw en bood haar
aan met hem naar huis te rijden. Zij wees dit, zonder hem aan te zien,
af en zeide, dat zij op het souper wilde blijven. Toen nam Alexei
Alexandrowitsch afscheid en reed alleen weg.
Eenige uren later was ook Anna gereed om te vertrekken; de portier
hield de deur wijd open. Wronsky geleidde haar naar het rijtuig, en
terwijl zij met haar kleine vlugge hand den haak van haar pelsmantel
uit de kant van haar kleed losmaakte, luisterde zij met gebogen hoofd
met verrukking naar de woorden, die hij fluisterde: "Gij hebt niets
gezegd; laat ons aannemen, dat ik ook nergens aanspraak op maak;
maar _dit_ moet ge weten: het is geen vriendschap die ik zoek;
voor mij is er maar een geluk in het leven, besloten in het woord,
dat gij niet lijden moogt, ja, in de _liefde_...."
"Liefde!" herhaalde zij langzaam, als sprak zij tot zich zelf,
maar zij voegde er plotseling bij: "Daarom juist bemin ik dat woord
niet; het heeft voor mij een te groote beteekenis, een grootere
dan gij kunt begrijpen;" zij zag hem daarbij recht in het gelaat:
"Tot weerziens!" Toen reikte zij hem de hand, ging met snellen,
vasten tred den portier voorbij en verdween in haar rijtuig.