III.

Toen Dolly in Kitty's vriendelijke met snijwerk versierde kamer

trad, die er even frisch en zonnig als de bewoonster zelf voor twee

maanden uitzag, herinnerde zij zich met hoeveel lust en liefde zij

dat vertrek het vorige jaar ingericht hadden. Kitty zat op een laag

stoeltje dicht bij de deur en had haar oogen strak op een hoek van

het tapijt gevestigd, maar sloeg die nu met koelen somberen blik tot

haar zuster op.

"Ik wilde nog eens even met je praten," zeide Dolly.

"Waarover?" vroeg Kitty snel, terwijl zij het hoofd verschrikt ophief.

"Waar anders over, als over je kommer?"

"Ik heb geen kommer."

"Spreek zoo niet, Kitty! Denk je werkelijk, dat ik niets weet? Ik

weet alles, en geloof mij, het heeft weinig te beduiden. Wij hebben

allen iets dergelijks ondervonden."

Kitty zweeg en keek strak voor zich uit.

"Hij is niet waard, je om zijnentwil te kwellen," ging Dolly voort,

recht op de zaak afgaande.

"Ja, omdat hij mij versmaad heeft!" zeide Kitty met sidderende

stem. "Och, zeg toch niets meer alsjeblieft."

"Wie heeft je dat gezegd? Dat kan niemand zeggen. Ik ben er van

overtuigd, dat hij op je verliefd was en het zou gebleven zijn,

als...."

"Ach, dat medelijden, en al die betuigingen van deelneming zijn het

verschrikkelijkst!" riep Kitty plotseling uit. Zij keerde zich op

haar stoel om, werd rood, speelde met de vingers en drukte nu met de

eene dan met de andere hand tegen den gesp van haar ceintuur. Dolly

kende haar zuster; zij wist, dat zij in drift in staat was zich zelf

te vergeten en dingen te zeggen, die haar kort daarna berouwden.

"Wat? Wat wilt ge me doen gevoelen? Wat?" vroeg Kitty gejaagd: "Dat

ik verliefd was op iemand, die niets van mij weten wil, en dat ik

uit liefde voor hem zal sterven? En dat zegt nu mijn eigen zuster;

zij meent dat ... dat ... zij ... in mijn leed deelt! Ik wil zulk

een medelijden, zulk een veinzerij niet!"

"Kitty, je zijt onrechtvaardig. Gij meent, dat ge beleedigd zijt,

en valt mij nu aan...."

"Ik heb je niet beleedigd, maar gij...!"

"Integendeel, ik...." haastte Dolly zich te zeggen.

Maar Kitty luisterde niet in haar drift.

"Er is volstrekt geen grond om te denken dat ik ongelukkig ben en

mij te troosten. Ik ben veel te trotsch om ooit iemand te beminnen,

die mij niet bemint."

"Dat zegt immers ook niemand.... Maar toe, zeg mij nu eens

oprecht," smeekte Dolly, Kitty's hand grijpend, "heeft Lewin met

je gesproken?..."

Het noemen van Lewins naam scheen Kitty alle zelfbeheersching te doen

verliezen; zij sprong op, wierp den gesp op den grond en riep met een

heftige handbeweging uit: "Wat heeft dat alles met Lewin te maken? Ik

begrijp niet, waarom je mij zoo plaagt! Ik heb je al gezegd en herhaal

het, dat ik mijn trots heb en dat ik nooit doen zou, wat gij gedaan

hebt: tot iemand terugkeeren, die je ontrouw geworden is en een andere

bemint. Dat is mij onbegrijpelijk. Gij kunt dat, ik echter niet!"

Na die woorden zag zij haar zuster aan; toen zij bemerkte, dat Dolly

zwijgend en treurig het hoofd liet hangen, viel zij lusteloos op den

stoel bij de deur neer en bedekte haar gelaat met den zakdoek. Dit

zwijgen duurde eenige minuten. Dolly dacht aan haar eigen leed. Haar

vernedering, die zij onophoudelijk gevoelde, deed haar nog meer pijn,

toen zij door haar zuster daaraan herinnerd werd. "En zij weet het,

zij gevoelt het bij instinct!" dacht zij. Plotseling hoort zij een

kleed ruischen en zij werd door een paar armen omvat. Kitty lag voor

haar geknield. Zij smeekte niet om vergiffenis, zij fluisterde haar

slechts toe: "Dolinka, ik ben zoo ongelukkig!" En zij verborg het

lieve betraande gelaat in de plooien van Dolly's kleed. De tranen

waren als het ware de noodige olie, zonder welke de machine van

de wederzijdsche uitstorting des harten niet werkte. Na die tranen

spraken de zusters niet meer over wat zij eigenlijk weten wilden. Nu

verstonden zij elkander zonder dat volkomen.

"Ik heb geen verdriet," sprak Kitty nu bedaard, "maar ik weet niet,

of gij het begrijpen kunt: alles staat mij tegen, ik heb een hekel

aan alles, het meest nog aan mij zelf. Gij kunt u niet voorstellen,

welke slechte gedachten ik somtijds heb."

"Welke slechte gedachten zoudt gij kunnen hebben?" vroeg Dolly,

ongeloovig lachend.

"De slechtste, de laagste, zeg ik je. Dat is geen verlangen, geen

verveling, neen, dat is iets veel ergers. 't Is of al het goede,

dat in mij was, zich verborgen heeft en het slechte alleen gebleven

is. Hoe is dat te verklaren?" voegde zij er bij, toen zij verwondering

in de oogen harer zuster las. "Papa sprak zooeven tot mij.... Hij

schijnt te denken, dat ik trouwen moet. Mama brengt mij op een bal,

en ik denk, dat zij het alleen doet om mij zoo spoedig mogelijk uit

te huwelijken en van mij bevrijd te worden. Ik weet, dat het niet waar

is, en toch kan ik die gedachten niet van mij zetten. Die zoogenaamde

huwelijkscandidaten kan ik niet meer aanzien; het komt mij altijd voor,

of zij mij de maat willen nemen. Vroeger trok ik gaarne balkleederen

aan, ik was verrukt over mij zelf, nu vind ik het onaangenaam en

beschamend. En nu al dat andere.... De dokter.... Nu...." Kitty bleef

steken; zij wilde nog meer zeggen; zij wilde zeggen, dat sedert er

voor haar zooveel veranderd was, zij Stipan Arkadiewitsch geheel

onuitstaanbaar vond en zij hem niet kon aanzien zonder zich de meest

stuitende en ongehoorde voorstellingen van hem te maken, "In één

woord, alles komt mij grof en laag voor," ging zij voort. "Dat is

mijn ziekte.... Misschien zal het wel voorbijgaan...."

"Ge moet er niet zooveel over denken!"

"Hoe kan ik anders! Alleen bij u en de kinderen is het mij wèl."

"Hoe jammer, dat ge nu niet bij me kunt komen, omdat Lili nu juist

het roodvonk krijgt."

"Ja, ik kom toch. Ik heb het roodvonk al gehad, en ik zal mama geen

rust laten."

En Kitty liet haar ook geen rust; zij ging bij haar zuster logeeren

en verpleegde de kinderen in hun ziekte, die werkelijk bleek roodvonk

te zijn. De beide zusters brachten er al de zes kleinen gelukkig boven

op; maar Kitty's gezondheid was niet beter geworden en in den tijd der

groote vasten reisde de familie Tscherbatzky af naar het buitenland.

Anna Karenina(#13214) · 第 32 / 196 题