't Was een heele drukte.
Paarden werden gedrenkt; ossen verschaard; tenten gespannen, en het
kamp, een reusachtig vierkant, welks muren waren gevormd door honderden
ossenwagens, werd opgeslagen in de nabijheid der Buffelrivier, op
Natalschen bodem.
Een paar dagen geleden, den 11den October, was de oorlog feitelijk
uitgebroken, doordat de Transvaalsche regeering een Ultimatum had
gezonden. Dat mòest zij doen; zij was er toe gedwongen, daar een
lijdelijk aanzien van Engelands reusachtige toerustingen, om de
Republiek te vernietigen, zou gelijk hebben gestaan met God verzoeken
en zelfmoord.
Het ging nu tegen den avond, en bij een der honderden lustig
opvlammende lagervuren zaten een groep burgers, waaronder Louis met
zijn twee broeders Kees en Karel, Blijvenstein en zijn vroegere knecht
Barend. 't Leek wel een wonderlijke samenloop van omstandigheden, dat
deze twee menschen: Blijvenstein en Barend elkander hier, bij een lager
vuur, ontmoetten, doch er was eigenlijk niets verwonderlijks in, daar
deze oorlog de geheele weerbare bevolking der twee Boerenrepublieken
onder de wapens had geroepen.
Kees en Karel lagen lang uit bij het vuur; zij hadden een rookende
pijp tusschen den mond, en stutten de kin met hun stevige handen,
terwijl op hun leuke gelaatstrekken hun jeugdige moedwil duidelijk te
lezen was. Hun jonge harten hadden de droefheid bij het afscheid van
"Wonderfontein" reeds lang afgeschud, en de begonnen veldtocht met
zijn avonturen en wisselvalligheden had voor hun onbezorgden blik
een niet geringe aantrekkingskracht.
Louis onderzocht bij het schijnsel van het vuur met groote
zorgvuldigheid zijn fonkelnieuw Mausergeweer, en hij hoopte zijn
naam, dat hij de beste scherpschutter was van het geheele kommando,
in dezen veldtocht gestand te doen.
Blijvenstein had zich op een omgeworpen klipsteen dicht bij het vuur
neergezet, en was druk bezig, het versleten zadel van zijn langbeenig
paard te repareeren, terwijl Barend met opmerkelijke vrijpostigheid
vlak bij zijn vroegeren meester was neergehurkt.
"Toe Barend," zeide Karel, "sprokkel nog eens wat hout, jongen,
en por het vuur op."
Barend voldeed aan het verzoek, en kwam in het volle schijnsel der
uitslaande vlam te staan.
"Je ziet er uit, alsof je in geen vier weken gewasschen bent, kerel,"
meende Karel, naar het bruin gelaat van den jongen knecht wijzend.
"Ge moogt je eerst wel eens afborstelen," zeide Kees vriendelijk
vermanend, "voordat je tegen de Roodbaatjes gaat vechten."
"De dapperste helden zijn altijd de grootste smeerpoetsen geweest,"
lachte Barend; "de oude watergeuzen meenden, dat zij al bijzonder
proper waren, als ze zich om de twee jaren ééns verschoonden."
"Goeien morgen!" zeide Kees, terwijl hij een blikken tabaksdoos uit
den zak haalde, om opnieuw te stoppen.
"Waar ben je het laatst in dienst geweest?" vraagde Karel, terwijl
hij met een langen staak het vuur opporde.
"Bij een juffrouw," antwoordde Barend, "met twee schele oogen, die
mij altijd nagluurden, en drie groote slachttanden, waarmede zij
haar eten vermaalde. Ik was net van plan, om er van door te gaan,
toen ik werd opgekommandeerd."
"Gij kunt het nergens houden," zeide Blijvenstein; "zal ik je eens
zeggen, wat je groote gebrek is?"
"Dat ìk de gebraden haantjes opeet, en voor jòu de katers overlaat,"
antwoordde Barend op spottenden toon, waarop de jonge Boeren in een
schaterlach uitbarstten.
Doch Blijvenstein werd kwaad, en zeide met een gramstorigen blik: "Jij
bent te parmantig, ventje; dat is jouw gebrek. Je tong is te lang."
Hij maakte met de els een opening in de breuk van het zâal, en trachtte
er de pikdraad doorheen te schuiven.
"Ik heb bij jou honger geleden, meneer de dikzak, dat is zeker waar,"
zeide Barend.
Blijvenstein schoof de pikdraad nu door de opening heen.
"'t Is, zooals ik zeg, vrienden," zeide hij, "de jongen is te brutaal."
"Pas maar op, dat de Rooies je niet te pakken krijgen," sarde Barend.
"'t Ware te wenschen, dat allen zoo'n hart voor onze rechtvaardige
zaak hadden als ik," zeide Blijvenstein met nadruk.
"Er is veel kaf onder het koren," liet hij er met een vriendelijke
toespeling op den jongen knecht op volgen, terwijl hij met den hamer
op het oude versleten zadel klopte.
"Lafaards zijn er bij de vleet," zeide de jonge jager, terwijl hij
even opkeek van zijn geweer--"ook bij ons misschien."
"Veel kaf onder het koren," spotte Barend, Blijvenstein's woorden
herhalend, "en baas Blijvenstein behoort bij het koren, maar ... nu
lieg ik."
"Je bent een ondeugende vlegel," gromde baas Blijvenstein.
"Wat blieft u, baas?"
"Dat je een ondeugende vlegel bent!"
"Ik versta je niet, baas!"
Maar baas Blijvenstein was zoo verstandig, te zwijgen. Hij wierp den
hamer weg, en nam opnieuw de els.
"Je hebt zeker eenige weken geleden goeie zaken gemaakt met dien
Engelschen paardekooper, baas?"
"Ik weet van geen Engelschen paardekooper af, kwajongen."
"Aan wien gij zes gezouten [1] merries voor een schandalig hoogen
prijs hebt verkocht, baas."
"Was dat een Engelschman?" vraagde Blijvenstein, de schouders ophalend;
"gunst, ik weet er niets van."
"Natuurlijk weet gij er niets van. Ge dacht zeker, dat ze voor onze
staatsartillerie waren bestemd, en niet voor de Engelsche cavalerie."
"Ik heb met jouw praatjes niets te maken, brutale slungel," zeide
Blijvenstein, terwijl hij overeind rees, en het gerepareerde zadel
bij het schijnsel van het lagervuur nauwkeurig opnam.
"Is dat waar?" vraagde Kees Wessels met een stem, waarin onmiskenbare
verachting lag; "verkoopt hij zijn paarden werkelijk voor de Engelsche
remonte?"
"Hij zegt immers, dat hij er niets van weet," spotte Barend, doch
baas Blijvenstein scheen geen schik te hebben in dit gezelschap,
en zocht een ander kampvuur op.
De jonge Boeren waren er blijde om, schikten wat dichter bij het
aangenaam koesterende vuur, terwijl Barend onuitputtelijk was in het
opdisschen van steeds nieuwe verhalen.
Maar het was nu reeds lang avond.
De kampvuren der Boeren strekten zich uit als een mijlenlange,
vlammende lichtketen; het zevengesternte schitterde, en de almachtige
Schepper schreef Zijn glorie en eere in de tienduizenden blinkende
en fonkelende diamanten van den Melkweg, die zich in stille majesteit
uitbreidde boven het lager der Boeren.
En daar--van den anderen kant--wijd uit de verte--kwamen de statige
tonen van een psalmlied. En de tonen zetten zich uit, en zwollen aan
als een stroom, die buiten zijn oevers treedt. En de jonge Boeren
stonden op van hun lagervuur, en ontblootten eerbiedig hun hoofden,
en hun jonge, frissche stemmen vereenigden zich met de stemmen van
duizenden in den oorlogspsalm der Boeren:
"De Heer zal opstaan tot den strijd,
Hij zal zijn haters, wijd en zijd,
Verjaagd, verstrooid doen zuchten.
Hoe trotsch zijn vijand wezen moog,
Hij zal, voor zijn ontzaglijk oog,
Al sidderende vluchten.
Gij zult hen, daar G'in glans verschijnt,
Als rook en damp, die ras verdwijnt,
Verdrijven en doen dolen.
't Godlooze volk wordt haast tot asch;
't Zal voor uw oog vergaan als was,
Dat smelt voor gloênde kolen!
En toen de laatste psalmtonen waren weggestorven langs de heuvels
van Natal en de oevers der Buffelrivier, werd alles weer stil.
De Boeren wikkelden zich in hun kombaarzen, en legden zich neder
onder de ossenwagens, in de tenten of onder den blooten tintelenden
sterrenhemel.
En alles ging ter ruste.
Het gehinnik der paarden verstomde; de loeiende ossen legden
zich slaperig neder aan de lange lijnen, waaraan zij waren
vastgebonden. Slechts de vlugge stap werd gehoord van het wild,
dat naar water zocht voor zijn dorst, en de vleugelslag van den
nachtvogel, hoog in de lucht. En nu en dan werden geheimzinnige
teekens gezien op de omringende heuvelen; het waren de lichtseinen
van Boerenschildwachten, die op een half uur afstands van het kamp
geplaatst, elkander door lantaarnen teekens gaven.