Nu knielen ze neder, en Gijs Wessels heft de handen priesterlijk
omhoog, om over zich, zijn gezin en zijn volk den zegen des
Allerhoogsten in te roepen.
In den hoek der kamer staan de geweren; moeder Wessels hangt den baas
van Wonderfontein zelf den met scherpe patronen gevulden bandelier
over de breede borst.
Zoo gaan ze naar buiten; zij staan bij de oude, breedgetakte linde.
"Weet gij 't wel, Sannie?" vraagt Gijs Wessels vol weemoed, "hoe wij
bij dezen lindeboom ons verbond sloten voor het leven?"
Het lentewindje luwt en strijkt fluisterend door het uitspruitend
gebladerte der oude linde.
Met beide handen houdt hij haar rechterhand omvat; haar linkerhand
rust op zijn schouder.
"Weet gij 't wel, Sannie?"
Ach, zij weet het wel!
Danie heeft zich tegen zijn moeder aangevleid, doch Janske heeft zijn
hoed genomen, en steekt er een groote, zwarte hanenveer op.
Kees en Karel, die vroolijke jongens, voelen tranen opkomen in hun
blauwe oogen, doch Louis is reeds in 't zadel gesprongen, en zooals
hij daar zit op zijn hoogen voshengst, de valkenoogen speurend naar de
verte gericht, is hij werkelijk de jager, de jonge jager, de groote
jager; hij zal echter dezen keer niet den vluggen klipbok jagen op
de bergen, maar den Rooinek, die zijn volk wil belagen.
Uit de valleien stijgen de witte dampen omhoog, doch de zon gaat
nu op, en werpt een gloed van goud en schittering over het jonge,
rijke lenteleven.
De Boeren springen nu snel in 't zaâl. Nog een laatste stomme
handdruk--de moedige paarden voelen de sporen--en in snellen galop
rijden zij de laan uit.
Moeder Wessels en Janske staren hen na met schreiende harten--ach,
scheiden doet zeer!
Daar heeft de ruiterstoet een heuvel bereikt, en Danie kijkt nog
eenmaal om. Hij zwaait met zijn Mausergeweer een laatsten, laatsten
groet. En nu verdwijnt hij voor het oog van zijn moeder achter den
heuvel--zij ziet niets meer dan den loop van het geweer--het fonkelt
in de morgenzon--voorbij, ach, 't is voorbij!