Toen eerst was ’t mogelijk de verwoestingen eenigszins te overzien. In
treurigen staat verkeerden vele der koffietuinen, voor jaren tot
onvruchtbaarheid gedoemd; geheele dessah’s waren als kaartenhuizen in
elkaar gezakt; honderden menschen door steenblokken verpletterd, door
lava verstikt.
Kaboelen was een puinhoop, mevrouw van Akkeveen, die, terwijl haar man
feestvierde, daar alleen vertoefde, werd vermist; men vond haar
levenloos lichaam in een der tuinen, waar zij gevlucht was met haar
jongste kind, dat zij met beide armen vast omklemd hield, in lava en
asch verstikt; de dood had de teedere moeder niet van haar lieveling
gescheiden.
Wilhelmshöhe en August’s woning hadden betrekkelijk weinig geleden, dat
gedeelte was zoo goed als gespaard gebleven.
Ngaroengan was alleen door de aardbeving geteisterd; toen men het
pavilloen ontruimde, vond men er het afschuwelijk misvormde lijk van
Iteko naast Corona, die half onder puin bedolven met haar lichaam den
kleinen, rustig slapenden Guillaume beschutte.
Ook haar achtte men gestorven, haar rechterzijde was bedolven onder
neergevallen planken; haar gelaat lijkkleurig en bebloed.
In der haast werd de galerij van het groote huis tot hospitaal
ingericht; tusschen de ebbenhouten meubelen en de verbrijzelde vazen en
beelden legde men matrassen neer om den zieken een rustplaats te geven
want de oude heer de Géran was nog steeds bewusteloos; de ontzettende
schrik had zijn hartkwaal verergerd.
De dokter werd gehaald, en bij vader en dochter gebracht; het eerst
bracht hij den ouden heer bij.
»Is zij dood,” was zijn eerste vraag, en verwilderd zag hij rond naar
de plek, waar Corona nog steeds onbeweeglijk lag.
»Wij hopen van niet,” antwoordde de dokter.
»Zie naar haar om, eerst naar haar!” smeekte hij.
Nu wijdde de geneesheer aan Corona zijn zorgen; zij leefde, maar haar
rechter arm was gebroken, haar zijde verlamd, wellicht voor altijd; met
zeer veel moeite werd de schier uitgedoofde levensvonk aangewakkerd.
Het was een vreeselijke toestand in Ngaroengan. ’s Middags kwam de
treurmare van het ontzettende einde van Dolly en haar kind. De eenige
vrouwen, die helpen konden, waren weg, Guillaume en Toetie waren naar
huis gesneld, Poppie woonde uren van daar; Akkeveen had zijn woning
opgezocht om haar uitgestorven te vinden. Kitty en Margot lagen te
weenen en te jammeren, ongeschikt tot alles. Iteko op wier schouders
eens het geheele huishouden rustte was niet meer, de javaansche meiden
hadden er geen slag van, in het verwoeste huis nog eenige orde te
bewaren en tevens de zieken te verzorgen.
Zoo heerschte er dan een onuitsprekelijke verwarring toen, ’s avonds
laat, Conrad te paard kwam aanrijden; hij had geen rust meer op
Samarang gehad en toen ook Hermelijn er op aandrong dat hij in persoon
zou gaan zien hoe de zaken stonden, was hij onmiddellijk vertrokken en
reed in gestrekten draf naar het ouderlijk huis.
Onderweg had hij ’t ergste of liever meer dan het ergste vernomen; hij
meende niet anders of ook zijn vader en Corona waren omgekomen. De
goede Portias was de eenige, die nog zijn verstand had behouden. Met
een groote hoeveelheid goeden wil, die alleen geëvenaard werd door zijn
verbazende onhandigheid, bediende hij de zieken, bestelde of bereidde
zelf het eten, regelde het noodige voor de begrafenissen en zag er dien
avond zoo uitgeput, zoo verstrooid uit, dat Kitty, wanneer zij in een
andere stemming ware geweest, hem hartelijk uitgelachen zou hebben.
»Alle snaren zijn gesprongen, alle instrumenten ontstemd,” zoo sprekend
drukte hij diep ontroerd Conrad’s hand. »’t Is goed dat je komt. Was je
vrouw maar bij je!”
»Als ze geroepen wordt, zal zo dadelijk komen. En papa?”
»Sinds hij weet dat Corona leeft, is hij veel kalmer. Ach mijn arm
viooltje is ook geheel verwelkt en vertrapt.”
»Breng me spoedig bij papa.”
De oude heer de Géran lag in zijn eigen kamer, op het smalle veldbed,
waar hij sinds jaren den nacht doorbracht; hij lag kalm en schijnbaar
stil, hoewel door hevige hartkloppingen gefolterd.
»Hij weet nog niets van Dolly,” fluisterde Portias tot Conrad en hardop
zeide hij: »Papa, daar is Conrad, om u te bezoeken.”
Conrad kon van aandoening haast geen woord uitbrengen.
»Vergeef mij, papa!” stotterde hij, »wat ik misdaan heb tegen u.”
De zieke sloeg de oogen op.
»Ben je daar, Conrad? ’t Is goed, jongen, praat over niets meer. Het is
geen tijd, om aan die kleinigheden meer te denken, alles is vergeten,
uitgewischt! We hebben veel verloren; ’t beteekent niets als mijn
kinderen maar gered zijn. Hoe is ’t met Corona?”
»Ik heb haar straks bouillon gebracht, die zij wel lustte maar.... de
helft is over haar bed gestort. Ik heb zelf de kip moeten slachten en
de soep koken; alle meiden zijn van streek.”
»En Kitty dan?”
»Kitty heeft het op de zenuwen, zij is tot niets in staat. Ik speel ook
liever de moeilijkste sonate op mijn violoncel dan nog een week voor
kok-huishouder spelen.”
»Is er niemand meer? Margot?”
»Nog ongeschikter dan ik! Papa, u moest Hermine laten komen.”
De oude heer zag Conrad aan.
»Zou ze willen?” vroeg hij.
»Op een woord van u, twijfel ik niet of zij zal onmiddellijk
vertrekken.”
»Nu, stuur haar van avond dan nog een bode; is zij wel en de kleine
ook?”
»Zeer geschrikt maar overigens scheelt hen niets.”
»Laat zij dan met de kleine meid overkomen. En gaat nu heen, ik heb er
behoefte aan alleen te zijn.”
Conrad schreef een briefje aan zijn vrouw om haar den stand van zaken
mee te deelen en terstond werd er iemand te paard naar Samarang
afgezonden.
Nu bezocht Conrad Corona; zijn hart was nog vol wrok, toen hij bij de
matras kwam, waar zij met in gips gezetten arm en verbonden hoofd
neerlag; maar toen hij haar zoo bleek en machteloos zag, smolt zijn
toorn weg.
»Zij is gewond terwijl zij Guillaume van Dolly wilde redden,” zeide
Portias, »terwijl wij mannen weifelden, waagde zij zich in het
neerstortende huis. Waarlijk, zij is een merkwaardig schepsel, even
geschikt om groote liefde als bitteren haat op te wekken. ’t Ligt er
aan, welke hand het klavier van haar gemoed bespeelt; zoete tonen en
dissonanten zijn er even gemakkelijk aan te ontlokken.”
Conrad luisterde niet naar de redeneeringen van zijn zwager, die
ondertusschen de druppels medicijn, welke hij voor de zieke moest
inschenken, met een straaltje het glas liet inloopen.
»Geef maar hier, Jo, misschien kan ik ’t beter. Hoeveel druppels moeten
het zijn?”
»Vijf en twintig.”
Hij maakte het kelkje gereed en bracht het toen aan Corona’s lippen.
Zij sloeg met een matte beweging de oogen op.
»Is dat Coen?” vroeg zij.
»Ja, Cor, ik ben ’t.”
»Dat is goed en Hermelijn?”
»Zij komt morgen.”
»Zoo en... en is ’t waar dat Dolly dood is?”
Verrast zagen de zwagers elkander aan.
»Zij zal gehoord hebben, hoe we over haar spraken, denkende dat zij
bewusteloos was,” fluisterde Portias.
»Ik beklaag haar niet; ’t is het beste,” ging Corona zachtkens voort,
»Conrad, zeg aan Hermine dat ik het nu beter weet, zij is onschuldig.”
Toen sloot zij de moede oogen en zeide niets meer.
Den volgenden avond kwam Hermelijn met haar kindje en de baboe; geheel
anders was nu haar intrede op Ngaroengan, dan het vorige jaar; ellende
en jammer in plaats van feesten en muziek. Conrad was haar bij den
eersten post tegemoet gereden en verhaalde haar omstandig alles, wat er
gebeurd was.
»’t Wordt tijd dat je komt, alles is in wanorde! Niets bezit zijn
verstand meer. Die arme Portias slooft zich uit maar brengt alles nog
erger in de war,” zeide hij.
Hermelijn betrad de woning en nam dadelijk de teugels van het bewind in
handen; onder haar opwekkende woorden herkregen Kitty en Margot
levensmoed en overwonnen haar smart. Portias trad blijde weer naar den
achtergrond, de kinderen werden aan zekeren regel gebonden; Conrad liet
de puinhoopen van de pendoppoh en het bijgebouw wegruimen, de zieken
kregen geregelde oppassing, de dooden werden begraven.
Het gestoorde uurwerk, hoe ook gehavend, kon weer zijn loop
voortzetten; de jonge graaf de Géran was naar den Oosthoek vertrokken,
een brief achterlatende vol klaagliederen en woorden van deelneming in
de groote ramp, die het gastvrije huis zijner bloedverwanten getroffen
had. Eenige dagen later verscheen Akkeveen, nadat hij aan zijn vrouw en
kind de laatste eer bewezen had; hij zag er somber en terneergeslagen
uit.
»Als Akkeveen er is, moet ik hem spreken,” had Corona dikwijls gezegd;
’t waren bijna de eenige woorden, die zij tijdens haar ziekte sprak.
Zoodra hij er dus was, verzocht Portias hem naar Corona’s ziekbed te
gaan; hij deed het werktuiglijk.
Juist zat Hermelijn daar, Corona had haar nog niet toegesproken, nog
geen bewijs gegeven, dat zij haar herkende.
»Moest je mij spreken, Corona?” vroeg Akkeveen.
Zij zag hem een oogenblik aan en knikte met het hoofd; Hermelijn wilde
heengaan.
»Neen blijf, Hermine!” verzocht zij, »je moet het ook hooren.”
Haar stem klonk zacht, schier onhoorbaar, maar toch gebiedend.
»Akkeveen,” en met haar groote oogen, die in de holle oogkassen
onheilspellend brandden als een paar kaarsen in een sombere spelonk,
zag zij hem doordringend aan, »je weet, dat ik met Iteko een oogenblik
alleen stond vóór dat alles om ons heen instortte; zij heeft mij iets
bekend, ik weet niet of het werkelijkheid is, òf ik ’t droomde; wil je
het mij nu verklaren? Je zult in geen stemming zijn om onwaarheid te
spreken, nu je van zulk een begrafenis komt. Is ’t waar, dat Hermine
onschuldig is aan alles...?”
Akkeveen boog het hoofd en mompelde:
»Zij had gelijk! Hermine heeft den brief niet geschreven. Iteko deed
het zelf en werd door mij daartoe omgekocht. Ik kon ’t denkbeeld niet
verdragen dat we allen benadeeld werden ten wille van je man!”
Corona hief haar linkerhand op en wenkte Akkeveen zich te verwijderen.
»’t Is goed, Akkeveen, ga nu naar buiten,” lispelde zij.
Als om uit te rusten van de inspanning bleef zij eenige oogenblikken
onbeweeglijk liggen, toen bewogen haar lippen zich weder.
»Hermelijn!”
Haar zuster knielde voor haar bed neer en streek haar langs de
fluweelachtige haren, die het ingevallen gelaat nog bleeker en
doodscher deden schijnen.
»Verlang je iets, Corona?”
»Hoe diep sta ik bij je in schuld! O je weet niet hoe ik bedrogen en
gestraft werd. En ik kan ’t nooit goedmaken.”
»Corona! Blijf bedaard en martel je toch niet meer met die pijnlijke
gedachten. Ga slapen!”
»Als je bij mij blijft, als je de hand op mijn voorhoofd legt. Kiezen
tusschen hem en haar! Hoe kon ik weifelen! O God, die striem, die
striem, ik zie hem altijd zoo.”
En groote tranen rolden langs haar wangen.
»Hij kan me niet vergeten, daarvoor liet ik hem een te pijnlijke
herinnering maar nu haat hij mij met recht. O Hermelijn, wat moet ook
jij mij verachten!”
»Neen Corona! denk dat niet. Als je in den grond niet zoo goed en edel
waart, zou je die ellendige bedriegerijen spoediger hebben doorzien,
maar we zullen er over spreken als je beter bent. Nu niet, rust
zachtjes, ik blijf bij je.”
’s Avonds openbaarden zich zware koortsen bij Corona; een vreeselijke
tijd brak voor Ngaroengan aan, want ook de toestand van den ouden heer
verergerde, maar onder Hermelijn’s kalme en verstandige leiding, werden
alle krachten gebruikt.
Het was een zware taak; de vulkaan was nog niet geheel tot rust
gekomen, nu en dan deden zich nog lichte schokken voelen, die zoowel
bedienden als huisgenooten grooten schrik aanjoegen; men had de
kinderen zooveel mogelijk weggestuurd en het gezin zooveel ’t kon
ingekrompen.
’t Hardste viel het Hermelijn, dat haar kleine Leni aan moederlijke
zorgen te kort kwam en zij haar aan de overigens goede en trouwe baboe
moest overlaten. Kitty trok zich echter de kleine meid aan; bij de
verdeeling van den arbeid had zij dit de aantrekkelijkste en
gemakkelijkste taak gevonden.
Conrad vereenigde zich met zijn broeders om de schade na te gaan, die
de koffietuinen hadden geleden en die zooveel mogelijk te verhelpen;
het bleek weldra dat de Gérans door de uitbarsting een groote
vermindering van hun inkomsten zouden ondergaan. Zij bezaten nog veel,
maar met hun macht als koffiekoningen was het voorloopig gedaan.
Toen men op zekeren morgen bij het bed van den ouden heer kwam,
ontwaakte hij niet meer; zijn hartkwaal had hem gedood; thans vooral
was zijn dood een zware slag; het beheerschend element ontbrak geheel
in deze hachelijke tijden, want er was niemand, die overwicht en
verstand genoeg bezat om zijn taak over te nemen.
August was een goed werktuig, zooals zijn vader hem steeds waardeerend
noemde; Guillaume had niet den minsten lust tot gezetten arbeid. Te
midden van de ernstigste besprekingen kon hij opspringen om met een
kind te stoeien, een vrouw te plagen, of een vlinder te vangen. Conrad,
het bleek nu duidelijk, had verreweg het beste inzicht in de zaken, hij
wist zich te door dringen van den geest zijns vaders, maar hij was
jong, driftig en niet opgewassen tegen de inhaligheid van Akkeveen, die
als voogd over zijn eenig overgebleven kind en erfgenaam van zijn
vrouw, weldra al zijn verdriet scheen te hebben vergeten om, reeds bij
de doodkist van zijn schoonvader, er voor te zorgen dat hem niets werd
te kort gedaan.
De goede Portias trok zich met zijn vrouw en kleine Leni in zijn
pavilloen terug, zich alleen bezig houdend met Kitty’s smart, die voor
haar doen bijzonder lang duurde.
Hermelijn wijdde zich nog steeds aan Corona; niemand kon de arme zieke
zoo liefderijk en tegelijk zoo krachtig bijstaan; niemand vermocht haar
te bedaren, niemand haar te troosten toen zij door een onvoorzichtig
uitgesproken woord den dood haars vaders vernam. Zij sliep bij haar
schoonzuster op de kamer en was steeds dag en nacht, bij den minsten
zucht gereed aan haar bed te komen staan en haar hulp te verleenen.
»Hermelijn, ik kan ’t niet aanzien. Je moet rust nemen en je laten
vervangen,” zeide Conrad ontevreden. »Van nacht zál ik waken.”
Hermelijn gehoorzaamde, maar nauwelijks was zij voor enkele
oogenblikken in slaap gevallen of Corona ontwaakte; met de
eigenzinnigheid van een klein kind riep zij om Hermelijn, maakte zich
zenuwachtig en opgewonden, wilde van geen vreemde hulp weten en dreigde
haren arm uit het verband los te maken als men Hermelijn niet haalde.
Zoo werd zij dan uit haar rust opgeroepen en Corona wilde niet kalmer
worden, vóór zij haar zachte hand weer in de hare voelde.
’t Was een ziekelijke gemoedstoestand, waartegen echter voorloopig niet
te strijden viel; noch Margot, noch Kitty duldde zij bij zich.
»Als je hier bent, dan weet ik, dat je mij vergeven hebt,” sprak Corona
met al ’t egoïsme van een ziekelijk, zwak schepsel.
»Maar ’t kan niet zoo blijven,” pruttelde Conrad, »zij heeft ’t
waarlijk niet aan ons verdiend dat gij je aftobt en je man en kind
verwaarloost om harentwille.”
»Schande, dat je daar nog aan denkt!” antwoordde Hermelijn streng. »Ik
dacht dat alles dood en begraven was maar men stookt je op tegen
Corona, ik merk het wel.”
Inderdaad bestond er een samenspanning tegen haar; nu eerst, nu zij van
haar vader, haar beschermer en steun beroofd was, durfde ieder zijn
wrok tegen haar uitspreken; haar zwakke toestand boezemde zelfs geen
medelijden in.
Akkeveen was de ziel van het verbond; hij kon ’t zich niet vergeven dat
hij in een oogenblik van zwakheid en weeke gemoedsstemming, die zelfs
den ongevoeligste een enkelen keer overkomt, schuld aan haar had
bekend; nu was zij weerloos, men kon haar thans het beste straffen voor
het misbruik, dat zij vroeger van hare macht had gemaakt.
Hij vond handlangers eerst in Toetie, die zoowel Corona als Hermelijn
haatte zooals bekrompen zielen hen haten kunnen, die hun meerderen
zijn, verder in Margot, die een meisjesgril voor Thoren van Hagen en
later voor den Franschen graaf had gevoeld en Corona maar niet vergeven
kon dat zij zich van beiden had meester gemaakt.
Later voegde bijna onverwacht August zich bij hen. Deze meende dat aan
hem als oudste zoon het recht toekwam, zich met zijn gezin in het
groote huis te vestigen.
Op zekeren morgen kwam de geheele familie, in draagstoelen gezeten, op
Ngaroengan aan en met zijn gewoon phlegma verklaarde August, dat hij
daar zijn intrek nam en zich niet liet verjagen; als het anderen niet
goed voorkwam, dan moesten deze het huis maar ruimen.
In andere gevallen zou Akkeveen heftig tegen dit plan hebben
geprotesteerd; nu echter juichte hij het van ganscher harte toe. Het
gejoel der kinderen maakte het immers onverdragelijk voor de arme
Corona, die geen oogenblik rust kon vinden en ’s avonds weer hevige
koortsen kreeg.
»’t Kan zoo niet blijven!” zeide Hermelijn verontwaardigd tot haar man,
»hadden ze dan niet kunnen wachten?”
»Zoo lang er geen verdeeling heeft plaats gehad, bezit ieder hier
dezelfde rechten en ik zie ook niet in, waarom wij allen ons om Corona
moeten behelpen.”
»Ik ken je niet meer, foei!” riep zij, »als er een is, die haar iets te
verwijten heeft, dan ben ik het en ik kan ’t niet verdragen, dat men
haar vroeger naar de oogen zag en nu zij ziek en vaderloos is, op
kleingeestige wijze tergt.”
»En ik kan ’t niet aanzien dat mijn vrouw zich voor haar afbeult en dat
er nog gezegd wordt....”
»Wat wordt er gezegd?”
»Dat je het doet om groot vertoon van vergevingsgezindheid te maken en
je er niets van meent.”
»En geloof je dat?”
»Ik ken je, Hermelijn, dat is mij genoeg.”
»Maar wie heeft dat gezegd, Akkeveen toch niet?”
Conrad zweeg en een blos van ergernis kleurde Hermelijn’s wangen; zij
had haar man geen woord gezegd van Akkeveen’s bekentenis om geen nieuwe
haat en wrok rond te strooien in harten, die er maar al te ontvankelijk
voor waren, en nu ook sprak zij er niet over, maar haar verachting voor
Dolly’s weduwnaar werd er nog grooter door en steeg tot het hoogste
punt toen zij merkte, dat hij nog geen maand later druk bezig was een
rijk nichtje van Toetie op zijn manier het hof te maken.
»We moeten naar Djantong terugkeeren. Ik hou ’t hier niet langer uit,”
ging Hermelijn voort. »We zijn niet meer in ons eigen huis nu alle
Poppie’s, groot en klein, hier regeeren. Ik hoor dat ook Toetie de
volgende week komt, en vóór dien tijd wil ik weg zijn.”
»Je raadt mijn gedachten; ik durfde het je niet voorstellen, daar ik
meende dat je niet van Cor af kon.”
»Dat kan ik ook niet en zij moet mee.”
»Hermelijn, is je dat ernst?”
»Meende je dat ik haar zou verlaten in dezen toestand tusschen al die
vijandige menschen? Zoo lang als ik bij haar ben, zal Kitty zich wel
wachten zich bij de anderen te voegen, maar wanneer ik op Djantong was,
zou zij spoedig hun partij kiezen terwijl haar man rustig violencel
speelt en zich boven alle aardsche zaken verheven acht. Wie zou op haar
passen? En zij heeft elk uur van den dag hulp noodig.”
»Maar waarom moet jij die nu juist verleenen?”
»Coen, Coen, wat wordt het ook voor jou hoog tijd, dat je wegkomt uit
deze atmosfeer van egoïsme, wrok en inhaligheid. Toen we op Samarang
waren zou je blij geweest zijn eens een bewijs te kunnen geven van je
goed, edel hart. Denk je niet dat papa met welgevallen er op neerziet,
dat wij ons zijn lievelingsdochter aantrekken en dat het later een
zoete voldoening voor ons zal wezen, als wij kwaad met goed hebben
vergolden en de hulpelooze zieke niet verlieten, toen ze allen tegen
haar samenspanden?”
Conrad verborg zijn gelaat op haar schouder.
»Je hebt gelijk, Hermelijn! Wat je wilt is alleen goed en nobel, maar
ik kan ’t niet helpen dat ik er soms anders over denk. Ze zeuren den
heelen dag bij mij, dat jij er zoo slecht uitziet, dat jij je aftobt en
dat kleine Leni stellig verwaarloosd wordt en het mijn plicht als man
en vader....”
Dit kon Coen altijd met een grappigen trots zeggen. Dit was zijn zwakke
punt, wie maar zijn ijdelheid als man en vader streelde, was zeker iets
van hem gedaan te krijgen. Dan voelde hij zich eerst recht een persoon
van gewicht.
»Mijn plicht als man en vader was, daaraan een einde te maken.”
»En wat moest er van Corona worden?”
»Dat vroeg ik ook en dan antwoordden ze...”
»Akkeveen en Toetie zeker, aangetrouwden, die je plichten willen
voorschrijven tegenover je eigen zuster; nu, wat antwoordden ze?”
»Wat het zwaarste is, moet het zwaarste wegen. Corona moest maar naar
Soekarenga overgebracht en ergens in den kost besteed worden, waar zij
geregeld onder dokter’s behandeling kwam.”
»Onder vreemden dus! Een mooi plan! Neen, ik heb den dokter
geraadpleegd; hij ziet er geen kwaad in, als Corona over een paar dagen
in een geschikte draagstoel naar Djantong wordt overgebracht. Ik sprak
er haar van en voor ’t eerst begon zij te glimlachen. Denk je dat het
geen belooning voor me is, als ik haar kalm en tevreden zie, onder mijn
behandeling? Ze krijgt de logeerkamer en dan kan ik Leni weer geheel
onder mijn handen nemen, ’t is daar alles zoo beknopt, zoo geriefelijk
ingericht. Och Coentje-lief, wat ben ik blij dat we weer naar ons lief
huisje gaan en dat het niets geleden heeft door die ramp.”
»Ik ben ook blij, Hermelijn, meer dan ik zeggen kan, jammer alleen....
dat wij niet onder ons zijn, maar je hebt gelijk, men moet niet alleen
om zich zelf denken. Maar wie weet daarvan, wie, behalve mijn lief,
goed, ferm wijfje?”