LII.

Toen eerst was ’t mogelijk de verwoestingen eenigszins te overzien. In

treurigen staat verkeerden vele der koffietuinen, voor jaren tot

onvruchtbaarheid gedoemd; geheele dessah’s waren als kaartenhuizen in

elkaar gezakt; honderden menschen door steenblokken verpletterd, door

lava verstikt.

Kaboelen was een puinhoop, mevrouw van Akkeveen, die, terwijl haar man

feestvierde, daar alleen vertoefde, werd vermist; men vond haar

levenloos lichaam in een der tuinen, waar zij gevlucht was met haar

jongste kind, dat zij met beide armen vast omklemd hield, in lava en

asch verstikt; de dood had de teedere moeder niet van haar lieveling

gescheiden.

Wilhelmshöhe en August’s woning hadden betrekkelijk weinig geleden, dat

gedeelte was zoo goed als gespaard gebleven.

Ngaroengan was alleen door de aardbeving geteisterd; toen men het

pavilloen ontruimde, vond men er het afschuwelijk misvormde lijk van

Iteko naast Corona, die half onder puin bedolven met haar lichaam den

kleinen, rustig slapenden Guillaume beschutte.

Ook haar achtte men gestorven, haar rechterzijde was bedolven onder

neergevallen planken; haar gelaat lijkkleurig en bebloed.

In der haast werd de galerij van het groote huis tot hospitaal

ingericht; tusschen de ebbenhouten meubelen en de verbrijzelde vazen en

beelden legde men matrassen neer om den zieken een rustplaats te geven

want de oude heer de Géran was nog steeds bewusteloos; de ontzettende

schrik had zijn hartkwaal verergerd.

De dokter werd gehaald, en bij vader en dochter gebracht; het eerst

bracht hij den ouden heer bij.

»Is zij dood,” was zijn eerste vraag, en verwilderd zag hij rond naar

de plek, waar Corona nog steeds onbeweeglijk lag.

»Wij hopen van niet,” antwoordde de dokter.

»Zie naar haar om, eerst naar haar!” smeekte hij.

Nu wijdde de geneesheer aan Corona zijn zorgen; zij leefde, maar haar

rechter arm was gebroken, haar zijde verlamd, wellicht voor altijd; met

zeer veel moeite werd de schier uitgedoofde levensvonk aangewakkerd.

Het was een vreeselijke toestand in Ngaroengan. ’s Middags kwam de

treurmare van het ontzettende einde van Dolly en haar kind. De eenige

vrouwen, die helpen konden, waren weg, Guillaume en Toetie waren naar

huis gesneld, Poppie woonde uren van daar; Akkeveen had zijn woning

opgezocht om haar uitgestorven te vinden. Kitty en Margot lagen te

weenen en te jammeren, ongeschikt tot alles. Iteko op wier schouders

eens het geheele huishouden rustte was niet meer, de javaansche meiden

hadden er geen slag van, in het verwoeste huis nog eenige orde te

bewaren en tevens de zieken te verzorgen.

Zoo heerschte er dan een onuitsprekelijke verwarring toen, ’s avonds

laat, Conrad te paard kwam aanrijden; hij had geen rust meer op

Samarang gehad en toen ook Hermelijn er op aandrong dat hij in persoon

zou gaan zien hoe de zaken stonden, was hij onmiddellijk vertrokken en

reed in gestrekten draf naar het ouderlijk huis.

Onderweg had hij ’t ergste of liever meer dan het ergste vernomen; hij

meende niet anders of ook zijn vader en Corona waren omgekomen. De

goede Portias was de eenige, die nog zijn verstand had behouden. Met

een groote hoeveelheid goeden wil, die alleen geëvenaard werd door zijn

verbazende onhandigheid, bediende hij de zieken, bestelde of bereidde

zelf het eten, regelde het noodige voor de begrafenissen en zag er dien

avond zoo uitgeput, zoo verstrooid uit, dat Kitty, wanneer zij in een

andere stemming ware geweest, hem hartelijk uitgelachen zou hebben.

»Alle snaren zijn gesprongen, alle instrumenten ontstemd,” zoo sprekend

drukte hij diep ontroerd Conrad’s hand. »’t Is goed dat je komt. Was je

vrouw maar bij je!”

»Als ze geroepen wordt, zal zo dadelijk komen. En papa?”

»Sinds hij weet dat Corona leeft, is hij veel kalmer. Ach mijn arm

viooltje is ook geheel verwelkt en vertrapt.”

»Breng me spoedig bij papa.”

De oude heer de Géran lag in zijn eigen kamer, op het smalle veldbed,

waar hij sinds jaren den nacht doorbracht; hij lag kalm en schijnbaar

stil, hoewel door hevige hartkloppingen gefolterd.

»Hij weet nog niets van Dolly,” fluisterde Portias tot Conrad en hardop

zeide hij: »Papa, daar is Conrad, om u te bezoeken.”

Conrad kon van aandoening haast geen woord uitbrengen.

»Vergeef mij, papa!” stotterde hij, »wat ik misdaan heb tegen u.”

De zieke sloeg de oogen op.

»Ben je daar, Conrad? ’t Is goed, jongen, praat over niets meer. Het is

geen tijd, om aan die kleinigheden meer te denken, alles is vergeten,

uitgewischt! We hebben veel verloren; ’t beteekent niets als mijn

kinderen maar gered zijn. Hoe is ’t met Corona?”

»Ik heb haar straks bouillon gebracht, die zij wel lustte maar.... de

helft is over haar bed gestort. Ik heb zelf de kip moeten slachten en

de soep koken; alle meiden zijn van streek.”

»En Kitty dan?”

»Kitty heeft het op de zenuwen, zij is tot niets in staat. Ik speel ook

liever de moeilijkste sonate op mijn violoncel dan nog een week voor

kok-huishouder spelen.”

»Is er niemand meer? Margot?”

»Nog ongeschikter dan ik! Papa, u moest Hermine laten komen.”

De oude heer zag Conrad aan.

»Zou ze willen?” vroeg hij.

»Op een woord van u, twijfel ik niet of zij zal onmiddellijk

vertrekken.”

»Nu, stuur haar van avond dan nog een bode; is zij wel en de kleine

ook?”

»Zeer geschrikt maar overigens scheelt hen niets.”

»Laat zij dan met de kleine meid overkomen. En gaat nu heen, ik heb er

behoefte aan alleen te zijn.”

Conrad schreef een briefje aan zijn vrouw om haar den stand van zaken

mee te deelen en terstond werd er iemand te paard naar Samarang

afgezonden.

Nu bezocht Conrad Corona; zijn hart was nog vol wrok, toen hij bij de

matras kwam, waar zij met in gips gezetten arm en verbonden hoofd

neerlag; maar toen hij haar zoo bleek en machteloos zag, smolt zijn

toorn weg.

»Zij is gewond terwijl zij Guillaume van Dolly wilde redden,” zeide

Portias, »terwijl wij mannen weifelden, waagde zij zich in het

neerstortende huis. Waarlijk, zij is een merkwaardig schepsel, even

geschikt om groote liefde als bitteren haat op te wekken. ’t Ligt er

aan, welke hand het klavier van haar gemoed bespeelt; zoete tonen en

dissonanten zijn er even gemakkelijk aan te ontlokken.”

Conrad luisterde niet naar de redeneeringen van zijn zwager, die

ondertusschen de druppels medicijn, welke hij voor de zieke moest

inschenken, met een straaltje het glas liet inloopen.

»Geef maar hier, Jo, misschien kan ik ’t beter. Hoeveel druppels moeten

het zijn?”

»Vijf en twintig.”

Hij maakte het kelkje gereed en bracht het toen aan Corona’s lippen.

Zij sloeg met een matte beweging de oogen op.

»Is dat Coen?” vroeg zij.

»Ja, Cor, ik ben ’t.”

»Dat is goed en Hermelijn?”

»Zij komt morgen.”

»Zoo en... en is ’t waar dat Dolly dood is?”

Verrast zagen de zwagers elkander aan.

»Zij zal gehoord hebben, hoe we over haar spraken, denkende dat zij

bewusteloos was,” fluisterde Portias.

»Ik beklaag haar niet; ’t is het beste,” ging Corona zachtkens voort,

»Conrad, zeg aan Hermine dat ik het nu beter weet, zij is onschuldig.”

Toen sloot zij de moede oogen en zeide niets meer.

Den volgenden avond kwam Hermelijn met haar kindje en de baboe; geheel

anders was nu haar intrede op Ngaroengan, dan het vorige jaar; ellende

en jammer in plaats van feesten en muziek. Conrad was haar bij den

eersten post tegemoet gereden en verhaalde haar omstandig alles, wat er

gebeurd was.

»’t Wordt tijd dat je komt, alles is in wanorde! Niets bezit zijn

verstand meer. Die arme Portias slooft zich uit maar brengt alles nog

erger in de war,” zeide hij.

Hermelijn betrad de woning en nam dadelijk de teugels van het bewind in

handen; onder haar opwekkende woorden herkregen Kitty en Margot

levensmoed en overwonnen haar smart. Portias trad blijde weer naar den

achtergrond, de kinderen werden aan zekeren regel gebonden; Conrad liet

de puinhoopen van de pendoppoh en het bijgebouw wegruimen, de zieken

kregen geregelde oppassing, de dooden werden begraven.

Het gestoorde uurwerk, hoe ook gehavend, kon weer zijn loop

voortzetten; de jonge graaf de Géran was naar den Oosthoek vertrokken,

een brief achterlatende vol klaagliederen en woorden van deelneming in

de groote ramp, die het gastvrije huis zijner bloedverwanten getroffen

had. Eenige dagen later verscheen Akkeveen, nadat hij aan zijn vrouw en

kind de laatste eer bewezen had; hij zag er somber en terneergeslagen

uit.

»Als Akkeveen er is, moet ik hem spreken,” had Corona dikwijls gezegd;

’t waren bijna de eenige woorden, die zij tijdens haar ziekte sprak.

Zoodra hij er dus was, verzocht Portias hem naar Corona’s ziekbed te

gaan; hij deed het werktuiglijk.

Juist zat Hermelijn daar, Corona had haar nog niet toegesproken, nog

geen bewijs gegeven, dat zij haar herkende.

»Moest je mij spreken, Corona?” vroeg Akkeveen.

Zij zag hem een oogenblik aan en knikte met het hoofd; Hermelijn wilde

heengaan.

»Neen blijf, Hermine!” verzocht zij, »je moet het ook hooren.”

Haar stem klonk zacht, schier onhoorbaar, maar toch gebiedend.

»Akkeveen,” en met haar groote oogen, die in de holle oogkassen

onheilspellend brandden als een paar kaarsen in een sombere spelonk,

zag zij hem doordringend aan, »je weet, dat ik met Iteko een oogenblik

alleen stond vóór dat alles om ons heen instortte; zij heeft mij iets

bekend, ik weet niet of het werkelijkheid is, òf ik ’t droomde; wil je

het mij nu verklaren? Je zult in geen stemming zijn om onwaarheid te

spreken, nu je van zulk een begrafenis komt. Is ’t waar, dat Hermine

onschuldig is aan alles...?”

Akkeveen boog het hoofd en mompelde:

»Zij had gelijk! Hermine heeft den brief niet geschreven. Iteko deed

het zelf en werd door mij daartoe omgekocht. Ik kon ’t denkbeeld niet

verdragen dat we allen benadeeld werden ten wille van je man!”

Corona hief haar linkerhand op en wenkte Akkeveen zich te verwijderen.

»’t Is goed, Akkeveen, ga nu naar buiten,” lispelde zij.

Als om uit te rusten van de inspanning bleef zij eenige oogenblikken

onbeweeglijk liggen, toen bewogen haar lippen zich weder.

»Hermelijn!”

Haar zuster knielde voor haar bed neer en streek haar langs de

fluweelachtige haren, die het ingevallen gelaat nog bleeker en

doodscher deden schijnen.

»Verlang je iets, Corona?”

»Hoe diep sta ik bij je in schuld! O je weet niet hoe ik bedrogen en

gestraft werd. En ik kan ’t nooit goedmaken.”

»Corona! Blijf bedaard en martel je toch niet meer met die pijnlijke

gedachten. Ga slapen!”

»Als je bij mij blijft, als je de hand op mijn voorhoofd legt. Kiezen

tusschen hem en haar! Hoe kon ik weifelen! O God, die striem, die

striem, ik zie hem altijd zoo.”

En groote tranen rolden langs haar wangen.

»Hij kan me niet vergeten, daarvoor liet ik hem een te pijnlijke

herinnering maar nu haat hij mij met recht. O Hermelijn, wat moet ook

jij mij verachten!”

»Neen Corona! denk dat niet. Als je in den grond niet zoo goed en edel

waart, zou je die ellendige bedriegerijen spoediger hebben doorzien,

maar we zullen er over spreken als je beter bent. Nu niet, rust

zachtjes, ik blijf bij je.”

’s Avonds openbaarden zich zware koortsen bij Corona; een vreeselijke

tijd brak voor Ngaroengan aan, want ook de toestand van den ouden heer

verergerde, maar onder Hermelijn’s kalme en verstandige leiding, werden

alle krachten gebruikt.

Het was een zware taak; de vulkaan was nog niet geheel tot rust

gekomen, nu en dan deden zich nog lichte schokken voelen, die zoowel

bedienden als huisgenooten grooten schrik aanjoegen; men had de

kinderen zooveel mogelijk weggestuurd en het gezin zooveel ’t kon

ingekrompen.

’t Hardste viel het Hermelijn, dat haar kleine Leni aan moederlijke

zorgen te kort kwam en zij haar aan de overigens goede en trouwe baboe

moest overlaten. Kitty trok zich echter de kleine meid aan; bij de

verdeeling van den arbeid had zij dit de aantrekkelijkste en

gemakkelijkste taak gevonden.

Conrad vereenigde zich met zijn broeders om de schade na te gaan, die

de koffietuinen hadden geleden en die zooveel mogelijk te verhelpen;

het bleek weldra dat de Gérans door de uitbarsting een groote

vermindering van hun inkomsten zouden ondergaan. Zij bezaten nog veel,

maar met hun macht als koffiekoningen was het voorloopig gedaan.

Toen men op zekeren morgen bij het bed van den ouden heer kwam,

ontwaakte hij niet meer; zijn hartkwaal had hem gedood; thans vooral

was zijn dood een zware slag; het beheerschend element ontbrak geheel

in deze hachelijke tijden, want er was niemand, die overwicht en

verstand genoeg bezat om zijn taak over te nemen.

August was een goed werktuig, zooals zijn vader hem steeds waardeerend

noemde; Guillaume had niet den minsten lust tot gezetten arbeid. Te

midden van de ernstigste besprekingen kon hij opspringen om met een

kind te stoeien, een vrouw te plagen, of een vlinder te vangen. Conrad,

het bleek nu duidelijk, had verreweg het beste inzicht in de zaken, hij

wist zich te door dringen van den geest zijns vaders, maar hij was

jong, driftig en niet opgewassen tegen de inhaligheid van Akkeveen, die

als voogd over zijn eenig overgebleven kind en erfgenaam van zijn

vrouw, weldra al zijn verdriet scheen te hebben vergeten om, reeds bij

de doodkist van zijn schoonvader, er voor te zorgen dat hem niets werd

te kort gedaan.

De goede Portias trok zich met zijn vrouw en kleine Leni in zijn

pavilloen terug, zich alleen bezig houdend met Kitty’s smart, die voor

haar doen bijzonder lang duurde.

Hermelijn wijdde zich nog steeds aan Corona; niemand kon de arme zieke

zoo liefderijk en tegelijk zoo krachtig bijstaan; niemand vermocht haar

te bedaren, niemand haar te troosten toen zij door een onvoorzichtig

uitgesproken woord den dood haars vaders vernam. Zij sliep bij haar

schoonzuster op de kamer en was steeds dag en nacht, bij den minsten

zucht gereed aan haar bed te komen staan en haar hulp te verleenen.

»Hermelijn, ik kan ’t niet aanzien. Je moet rust nemen en je laten

vervangen,” zeide Conrad ontevreden. »Van nacht zál ik waken.”

Hermelijn gehoorzaamde, maar nauwelijks was zij voor enkele

oogenblikken in slaap gevallen of Corona ontwaakte; met de

eigenzinnigheid van een klein kind riep zij om Hermelijn, maakte zich

zenuwachtig en opgewonden, wilde van geen vreemde hulp weten en dreigde

haren arm uit het verband los te maken als men Hermelijn niet haalde.

Zoo werd zij dan uit haar rust opgeroepen en Corona wilde niet kalmer

worden, vóór zij haar zachte hand weer in de hare voelde.

’t Was een ziekelijke gemoedstoestand, waartegen echter voorloopig niet

te strijden viel; noch Margot, noch Kitty duldde zij bij zich.

»Als je hier bent, dan weet ik, dat je mij vergeven hebt,” sprak Corona

met al ’t egoïsme van een ziekelijk, zwak schepsel.

»Maar ’t kan niet zoo blijven,” pruttelde Conrad, »zij heeft ’t

waarlijk niet aan ons verdiend dat gij je aftobt en je man en kind

verwaarloost om harentwille.”

»Schande, dat je daar nog aan denkt!” antwoordde Hermelijn streng. »Ik

dacht dat alles dood en begraven was maar men stookt je op tegen

Corona, ik merk het wel.”

Inderdaad bestond er een samenspanning tegen haar; nu eerst, nu zij van

haar vader, haar beschermer en steun beroofd was, durfde ieder zijn

wrok tegen haar uitspreken; haar zwakke toestand boezemde zelfs geen

medelijden in.

Akkeveen was de ziel van het verbond; hij kon ’t zich niet vergeven dat

hij in een oogenblik van zwakheid en weeke gemoedsstemming, die zelfs

den ongevoeligste een enkelen keer overkomt, schuld aan haar had

bekend; nu was zij weerloos, men kon haar thans het beste straffen voor

het misbruik, dat zij vroeger van hare macht had gemaakt.

Hij vond handlangers eerst in Toetie, die zoowel Corona als Hermelijn

haatte zooals bekrompen zielen hen haten kunnen, die hun meerderen

zijn, verder in Margot, die een meisjesgril voor Thoren van Hagen en

later voor den Franschen graaf had gevoeld en Corona maar niet vergeven

kon dat zij zich van beiden had meester gemaakt.

Later voegde bijna onverwacht August zich bij hen. Deze meende dat aan

hem als oudste zoon het recht toekwam, zich met zijn gezin in het

groote huis te vestigen.

Op zekeren morgen kwam de geheele familie, in draagstoelen gezeten, op

Ngaroengan aan en met zijn gewoon phlegma verklaarde August, dat hij

daar zijn intrek nam en zich niet liet verjagen; als het anderen niet

goed voorkwam, dan moesten deze het huis maar ruimen.

In andere gevallen zou Akkeveen heftig tegen dit plan hebben

geprotesteerd; nu echter juichte hij het van ganscher harte toe. Het

gejoel der kinderen maakte het immers onverdragelijk voor de arme

Corona, die geen oogenblik rust kon vinden en ’s avonds weer hevige

koortsen kreeg.

»’t Kan zoo niet blijven!” zeide Hermelijn verontwaardigd tot haar man,

»hadden ze dan niet kunnen wachten?”

»Zoo lang er geen verdeeling heeft plaats gehad, bezit ieder hier

dezelfde rechten en ik zie ook niet in, waarom wij allen ons om Corona

moeten behelpen.”

»Ik ken je niet meer, foei!” riep zij, »als er een is, die haar iets te

verwijten heeft, dan ben ik het en ik kan ’t niet verdragen, dat men

haar vroeger naar de oogen zag en nu zij ziek en vaderloos is, op

kleingeestige wijze tergt.”

»En ik kan ’t niet aanzien dat mijn vrouw zich voor haar afbeult en dat

er nog gezegd wordt....”

»Wat wordt er gezegd?”

»Dat je het doet om groot vertoon van vergevingsgezindheid te maken en

je er niets van meent.”

»En geloof je dat?”

»Ik ken je, Hermelijn, dat is mij genoeg.”

»Maar wie heeft dat gezegd, Akkeveen toch niet?”

Conrad zweeg en een blos van ergernis kleurde Hermelijn’s wangen; zij

had haar man geen woord gezegd van Akkeveen’s bekentenis om geen nieuwe

haat en wrok rond te strooien in harten, die er maar al te ontvankelijk

voor waren, en nu ook sprak zij er niet over, maar haar verachting voor

Dolly’s weduwnaar werd er nog grooter door en steeg tot het hoogste

punt toen zij merkte, dat hij nog geen maand later druk bezig was een

rijk nichtje van Toetie op zijn manier het hof te maken.

»We moeten naar Djantong terugkeeren. Ik hou ’t hier niet langer uit,”

ging Hermelijn voort. »We zijn niet meer in ons eigen huis nu alle

Poppie’s, groot en klein, hier regeeren. Ik hoor dat ook Toetie de

volgende week komt, en vóór dien tijd wil ik weg zijn.”

»Je raadt mijn gedachten; ik durfde het je niet voorstellen, daar ik

meende dat je niet van Cor af kon.”

»Dat kan ik ook niet en zij moet mee.”

»Hermelijn, is je dat ernst?”

»Meende je dat ik haar zou verlaten in dezen toestand tusschen al die

vijandige menschen? Zoo lang als ik bij haar ben, zal Kitty zich wel

wachten zich bij de anderen te voegen, maar wanneer ik op Djantong was,

zou zij spoedig hun partij kiezen terwijl haar man rustig violencel

speelt en zich boven alle aardsche zaken verheven acht. Wie zou op haar

passen? En zij heeft elk uur van den dag hulp noodig.”

»Maar waarom moet jij die nu juist verleenen?”

»Coen, Coen, wat wordt het ook voor jou hoog tijd, dat je wegkomt uit

deze atmosfeer van egoïsme, wrok en inhaligheid. Toen we op Samarang

waren zou je blij geweest zijn eens een bewijs te kunnen geven van je

goed, edel hart. Denk je niet dat papa met welgevallen er op neerziet,

dat wij ons zijn lievelingsdochter aantrekken en dat het later een

zoete voldoening voor ons zal wezen, als wij kwaad met goed hebben

vergolden en de hulpelooze zieke niet verlieten, toen ze allen tegen

haar samenspanden?”

Conrad verborg zijn gelaat op haar schouder.

»Je hebt gelijk, Hermelijn! Wat je wilt is alleen goed en nobel, maar

ik kan ’t niet helpen dat ik er soms anders over denk. Ze zeuren den

heelen dag bij mij, dat jij er zoo slecht uitziet, dat jij je aftobt en

dat kleine Leni stellig verwaarloosd wordt en het mijn plicht als man

en vader....”

Dit kon Coen altijd met een grappigen trots zeggen. Dit was zijn zwakke

punt, wie maar zijn ijdelheid als man en vader streelde, was zeker iets

van hem gedaan te krijgen. Dan voelde hij zich eerst recht een persoon

van gewicht.

»Mijn plicht als man en vader was, daaraan een einde te maken.”

»En wat moest er van Corona worden?”

»Dat vroeg ik ook en dan antwoordden ze...”

»Akkeveen en Toetie zeker, aangetrouwden, die je plichten willen

voorschrijven tegenover je eigen zuster; nu, wat antwoordden ze?”

»Wat het zwaarste is, moet het zwaarste wegen. Corona moest maar naar

Soekarenga overgebracht en ergens in den kost besteed worden, waar zij

geregeld onder dokter’s behandeling kwam.”

»Onder vreemden dus! Een mooi plan! Neen, ik heb den dokter

geraadpleegd; hij ziet er geen kwaad in, als Corona over een paar dagen

in een geschikte draagstoel naar Djantong wordt overgebracht. Ik sprak

er haar van en voor ’t eerst begon zij te glimlachen. Denk je dat het

geen belooning voor me is, als ik haar kalm en tevreden zie, onder mijn

behandeling? Ze krijgt de logeerkamer en dan kan ik Leni weer geheel

onder mijn handen nemen, ’t is daar alles zoo beknopt, zoo geriefelijk

ingericht. Och Coentje-lief, wat ben ik blij dat we weer naar ons lief

huisje gaan en dat het niets geleden heeft door die ramp.”

»Ik ben ook blij, Hermelijn, meer dan ik zeggen kan, jammer alleen....

dat wij niet onder ons zijn, maar je hebt gelijk, men moet niet alleen

om zich zelf denken. Maar wie weet daarvan, wie, behalve mijn lief,

goed, ferm wijfje?”

Hermelijn · 第 58 / 67 题