»Hemel en hel zijn getergd, geen wonder dat de wereld nu verwoest is,”
sprak de grijze Hadji Abu-Moessin, tot eenige zijner getrouwen terwijl
hij het tooneel der verdelging aanschouwde, dat zich op de helling van
den Merawoe ontrolde. »De slang Naga-Djoenia, waarop Java rust was
reeds opgeschrikt door de talrijke ongeloovigen, die zich op zijn
lichaam nestelden, en die slechts aan feesten en dansen dachten zelfs
in den tijd der poewasa [107], terwijl de grooten onder de Orang Slam
[108] hen trouw daarin hielpen. Zij hebben de visschen verontrust in de
heilige meren, zij hebben de gewijde apen vervolgd en gedood, zij
hebben de rust van de reuzen-slang gestoord door de klanken van hun
muziek en het geknal van hun vuurwerk. De straf van Allah bleef niet
uit! Zie wat er geworden is van het vruchtbare land! Wat van de
menschen, die het bewoonden!”
Het groote huis van Ngaroengan was ten halve verwoest, de groote
pendoppoh in elkander gezakt en een der pavilloens ingestort. Men zag
er nog overblijfselen van het groote maal dat den Franschen gast tot
afscheid was aangeboden, juist op het oogenblik der uitbarsting.
De koffietuinen waren grootendeels vernield door de gesmolten lava, de
boomen gedood door het kokende water, dat den krater ontborrelde,
groote rotsblokken op verren afstand weggeslingerd. Sinds
menschengeheugen had men van zulk een ramp niet gehoord, ver strekte de
vernieling zich uit; tot in de vlakte vond men de sporen der
uitbarsting.
Zwaar werden de Gérans door de ramp getroffen. Zij zaten aan het
feestmaal; Corona schitterde van haar diamanten, die zij bijna alle
over hals, schouders en lokken met meer kwistige pracht dan smaak had
geworpen, zij zat aan de zijde van haar grafelijken neef, die zijn
oogen niet kon afwenden van den schier verblindenden glans, die van
haar uitging en die hem belette aandacht te wijden aan haar eenigszins
verdoofde schoonheid.
Misschien berekende hij wel, hoeveel livres de rente, die
edelgesteenten vertegenwoordigden, hoeveel genot men in Parijs als
sportsman of jeune gommeux daarvoor koopen kon; misschien wekte dat
gezicht bij hem nog half slapende wenschen op naar genietingen en
verstrooiingen, die hij het liefst zou ondervinden zonder de vrouw, die
hem zooveel weelde aanbracht aan zijn zijde, misschien berekende hij
zijn kansen, en overwoog de voor- en nadeelen, die hem bij een huwelijk
met zijn schoone, rijke nicht te wachten stonden.
Toen hij haar den arm bood, om naar de feestzaal te gaan, hadden velen
geglimlacht, de Franschman scheen zoo klein, zoo nietig naast haar
koninklijke gestalte, zij helde over toen zij haar hand op zijn arm
legde, zij moest op hem neerzien als hij met haar sprak. Een snijdende
pijn, die door geen muziek te verdooven, door geen diamantenglans, door
geen droomen van eerzucht te verdrijven was, vervulde plotseling haar
hart.
»O God! hoe ledig is dat alles, hoe ijdel!” dacht zij, misschien
ondanks zich zelf, »hoe veilig steunde ik eens op een anderen arm, hoe
vertrouwend zag ik naar hem op, hoe trotsch voelde ik mij door zijn
liefde, hoe fier was ik, in hem mijn meerdere te weten! Wat een afstand
tusschen hen, hoe kan ik in die komedie nog langer een rol spelen!”
Zij lachte en schertste terwijl haar hart deze woorden verzuchtte, maar
haar scherts klonk bitter en haar lach schel en schor; tegenover haar
zat haar vader gedrukt en somber. Hij dacht waarschijnlijk aan de
bannelingen; de overigen waren vroolijk, opgewekt, soms zelfs
uitgelaten.
Daar hief de graaf zijn glas op en dronk in fijn uitgezochte,
bloemrijke, hoffelijke woorden, door zijn gouverneur neergeschreven en
door hem uit het hoofd geleerd, de gezondheid van zijn hooggeschatten
gastheer en zijn schoone gastvrouwe, die hij eens wachtte in Frankrijk,
daar waar hun gemeenschappelijke bakermat stond.
Allen stonden op, de blonde champagne parelde hoog in de fijn geslepen
glazen.
»Mag ik meer hopen,” fluisterde graaf Alain, zich tot Corona
neerbuigend, »ge weet, ik heb u lief!”
’t Was of bij dat woord iets in haar hart verkilde, of haar jammerlijk
verwoest leven in een akeligen, helderen glans voor haar uitgespreid
lag.
»Wat is dat?” riep de graaf plotseling, »zoo’n schitterend vuurwerk zag
ik nooit.”
Het was klaar dag geworden, een groenachtig, vreemd licht spreidde een
doodschen gloed over de gasten rond de tafel, tegelijk deed zich een
onderaardsch gedruisch hooren dat allen met schrik vervulde.
»De Merawoe,” gilden zij en stortten naar buiten; de glazen vielen
rinkelend op de steenen, de kleederen der dames scheurden, de meubels
stortten omver.
Buiten viel de asch over de feestgewaden en de met bloemen versierde
lokken; de aarde scheen in opstand, boven hen bulderde en toornde de
berg, nu eens met dikke duisternis het aanzijn van sterren en maan
verduisterende, dan weer den hemel kleurende in hel blauw, slangkleurig
groen of bloedrood. ’t Was een Bengaalsch vuurwerk, door een reus
ontstoken, duizendvoudig weerkaatst in de diamanten der vrouwen, die
kermend en biddend bij elkander waren gescholen.
In de verte hoorde men het jammerend gehuil der wilde dieren, vermengd
met het krakend neerstorten der woudreuzen; hemel en aarde schenen te
vergaan. De grond dreunde en danste, boven hen verhief zich de
ontzettende rookkolom, die nu eens vurige vonken tegen de zwarte lucht
deed flonkeren, dan weer asch en rook over het landschap uitstortte;
soms knalden er geweldige schoten, het waren de gassen, aan de gapende
rotswanden ontsnapt die als een leger monsters van grilligen vorm, den
spoken gelijk, welke het brein der arme bergbewoners plachten te
verontrusten, zich over de geplaagde wereld verspreidden, boden van
schrik en dood.
»Zijn de kinderen veilig?” vroeg Corona plotseling; de kinderen sliepen
in een pavilloen, tegenover dat van Kitty gelegen; niemand had aan hen
gedacht.
Zij wachtte geen antwoord; alle geestkracht was in haar ontwaakt; zij
drong in het gebouwtje voor welks deur Iteko stond, die er nog kleiner,
nog wanstaltiger dan anders uitzag in haar verwarde kleeding.
Kleine mannetjes en vrouwtjes zaten huilend of verstomd op den
golvenden grond.
»Zijn ze er allen, Iteko?” vroeg Corona.
»Ik geloof ’t, juffrouw, een, twee, drie, vijf, zes; kom niet binnen,
het dak is aan het kraken, de kleine Guillaume is er niet bij, hij ligt
in de achterste kamer.”
»Zijn er geen mannen om te helpen?” vroeg zij bitter en het was of zij
haar Iwan zag, schoon als een aartsengel, die alleen de verwoesting
durfde trotseeren; toen wierp zij zich in het instortende gebouw, naar
niets meer luisterende.
»Juffrouw Corona!” smeekte Iteko.
Zij rukte zich los en verdween in het huis, dat op zijn grondvesten
wankelde.
»Waar is Corona?” riep haar vader.
»Daar, daar! O, mijn hemel! wat ik achterliet!”
Iteko snelde haar achterna; ieder dacht dat zij haar meesteres wilde
redden. Portias hield haar vergeefs tegen want Corona kwam reeds naar
buiten met het kind in de armen, maar op hetzelfde oogenblik zakte de
zolder vlak voor haar voeten in elkaar; niemand dacht meer aan de
aardbeving, aan den vuur en lava spuwenden berg; een nieuwe ramp had
zich bij de andere gevoegd.
»Help, help!” riep de oude heer ontzet, »mijn kind, mijn kind!”
Een hevige benauwdheid greep hem aan en hij stortte op een bank neer;
intusschen vlogen eenige mannen in het zakkende huis. Wolken stof en
zand stegen dwarrelend uit de puinhoopen op, Corona, met het kind op
den arm, was van voren en van achteren door de instortende muren
omringd; op weinige stappen afstand, bij haar kast, stond Iteko; rechts
en links vielen planken en steenen, die hun den weg versperden.
»Er is geen redding meer mogelijk, juffrouw Corona,” riep zij hijgend,
»mijn geld! Ik heb er alles voor over gehad en nu verlies ik het.”
»’t Is de rechte tijd om aan geld te denken,” sprak Corona
verachtelijk, »denk er liever aan dat wij binnen weinige oogenblikken
voor God zullen staan, die ons zal oordeelen.”
»U heeft niets te vreezen,” kermde zij, »ik ben zoo schuldig, doch er
is een ander, schuldiger dan ik.”
Zij kroop tot vlak voor de voeten van Corona, die op de knieën lag in
haar zwart satijnen kleed, nog versierd met de glanzende edelgesteenten
en met haar lichaam het kind beschuttend, dat zij gered had.
Daar boven kraakte het plafond, de balken vielen rechts en links en
verpletterden de meubels, de splinters verblindden haar oogen, de muren
scheurden.
»Juffrouw Corona, ik moet het u bekennen, misschien zoo ’t waar is dat
onze ziel den dood overleeft, zal u ’t binnen weinig oogenblikken toch
weten en anders, wat deert het mij? Mevrouw Hermine is onschuldig; zij
heeft den brief niet geschreven. Ik deed het, omgekocht als ik werd
door meneer Akkeveen, voor ƒ 20.000. Dat geld heb ik nu verloren, een
gedeelte ten minste, nu is het hem kwijtgescholden, maar als u blijft
leven, dan ontgaat hij ten minste zijn straf niet.”
»Hermine onschuldig, Iwan had gelijk, je verdient alleen verachting; o
God neem mijn leven als boete!” snikte Corona.
Een donderend gekraak vervulde de lucht; daar stortten de laatste
balken van het pavilloen naar beneden, door een schok, heviger dan de
vroegere; het was de slag die Conrad en Hermine op Samarang zoo
verschrikt had.
Zij, die uit de vlakte naar boven staarden, zagen een ontzaggelijken
boom, wiens stam van rook en wiens takken van vuur schenen, uit den
berg stijgen; uren ver straalde zijn onheilspellende gloed nu eens
helderder dan somberder in den nacht, steenklompen wierp hij rechts en
links; het was of uit het diepste zijner vurige ingewanden een laatste
kreet van verbolgenheid opwelde, een laatste bewijs van zijn kracht;
toen daalden asch en zwavel neer over de welige wouden, de
spiraalvormige vuurkolom werd doffer en doffer.
De Merawoe had zijn toorn opnieuw doen voelen aan het vreedzame volk,
dat hem scheen vergeten te zijn, dat dartelde aan zijn voet, dat
speelde op zijn geweldigen rug. De aarde keerde tot rust terug, het
gebulder werd zachter en zachter om eindelijk bijna weg te sterven.
Toen het morgen was, streken koeltjes zacht en verkwikkend over de
gemartelde bergen en dalen, de zon verliet glanzend en stralend haar
kimmen, om de natuur, die zij gisteren nog in volle pracht en
schoonheid had gezien, jammerlijk verwoest weer te vinden; de berg
alleen stond daar nog rookend en somber, nu en dan vlammen spuwend, die
gaandeweg kleiner en kleiner werden, en haar assche als een zachten
motregen strooiend over het landschap.