LI.

»Hemel en hel zijn getergd, geen wonder dat de wereld nu verwoest is,”

sprak de grijze Hadji Abu-Moessin, tot eenige zijner getrouwen terwijl

hij het tooneel der verdelging aanschouwde, dat zich op de helling van

den Merawoe ontrolde. »De slang Naga-Djoenia, waarop Java rust was

reeds opgeschrikt door de talrijke ongeloovigen, die zich op zijn

lichaam nestelden, en die slechts aan feesten en dansen dachten zelfs

in den tijd der poewasa [107], terwijl de grooten onder de Orang Slam

[108] hen trouw daarin hielpen. Zij hebben de visschen verontrust in de

heilige meren, zij hebben de gewijde apen vervolgd en gedood, zij

hebben de rust van de reuzen-slang gestoord door de klanken van hun

muziek en het geknal van hun vuurwerk. De straf van Allah bleef niet

uit! Zie wat er geworden is van het vruchtbare land! Wat van de

menschen, die het bewoonden!”

Het groote huis van Ngaroengan was ten halve verwoest, de groote

pendoppoh in elkander gezakt en een der pavilloens ingestort. Men zag

er nog overblijfselen van het groote maal dat den Franschen gast tot

afscheid was aangeboden, juist op het oogenblik der uitbarsting.

De koffietuinen waren grootendeels vernield door de gesmolten lava, de

boomen gedood door het kokende water, dat den krater ontborrelde,

groote rotsblokken op verren afstand weggeslingerd. Sinds

menschengeheugen had men van zulk een ramp niet gehoord, ver strekte de

vernieling zich uit; tot in de vlakte vond men de sporen der

uitbarsting.

Zwaar werden de Gérans door de ramp getroffen. Zij zaten aan het

feestmaal; Corona schitterde van haar diamanten, die zij bijna alle

over hals, schouders en lokken met meer kwistige pracht dan smaak had

geworpen, zij zat aan de zijde van haar grafelijken neef, die zijn

oogen niet kon afwenden van den schier verblindenden glans, die van

haar uitging en die hem belette aandacht te wijden aan haar eenigszins

verdoofde schoonheid.

Misschien berekende hij wel, hoeveel livres de rente, die

edelgesteenten vertegenwoordigden, hoeveel genot men in Parijs als

sportsman of jeune gommeux daarvoor koopen kon; misschien wekte dat

gezicht bij hem nog half slapende wenschen op naar genietingen en

verstrooiingen, die hij het liefst zou ondervinden zonder de vrouw, die

hem zooveel weelde aanbracht aan zijn zijde, misschien berekende hij

zijn kansen, en overwoog de voor- en nadeelen, die hem bij een huwelijk

met zijn schoone, rijke nicht te wachten stonden.

Toen hij haar den arm bood, om naar de feestzaal te gaan, hadden velen

geglimlacht, de Franschman scheen zoo klein, zoo nietig naast haar

koninklijke gestalte, zij helde over toen zij haar hand op zijn arm

legde, zij moest op hem neerzien als hij met haar sprak. Een snijdende

pijn, die door geen muziek te verdooven, door geen diamantenglans, door

geen droomen van eerzucht te verdrijven was, vervulde plotseling haar

hart.

»O God! hoe ledig is dat alles, hoe ijdel!” dacht zij, misschien

ondanks zich zelf, »hoe veilig steunde ik eens op een anderen arm, hoe

vertrouwend zag ik naar hem op, hoe trotsch voelde ik mij door zijn

liefde, hoe fier was ik, in hem mijn meerdere te weten! Wat een afstand

tusschen hen, hoe kan ik in die komedie nog langer een rol spelen!”

Zij lachte en schertste terwijl haar hart deze woorden verzuchtte, maar

haar scherts klonk bitter en haar lach schel en schor; tegenover haar

zat haar vader gedrukt en somber. Hij dacht waarschijnlijk aan de

bannelingen; de overigen waren vroolijk, opgewekt, soms zelfs

uitgelaten.

Daar hief de graaf zijn glas op en dronk in fijn uitgezochte,

bloemrijke, hoffelijke woorden, door zijn gouverneur neergeschreven en

door hem uit het hoofd geleerd, de gezondheid van zijn hooggeschatten

gastheer en zijn schoone gastvrouwe, die hij eens wachtte in Frankrijk,

daar waar hun gemeenschappelijke bakermat stond.

Allen stonden op, de blonde champagne parelde hoog in de fijn geslepen

glazen.

»Mag ik meer hopen,” fluisterde graaf Alain, zich tot Corona

neerbuigend, »ge weet, ik heb u lief!”

’t Was of bij dat woord iets in haar hart verkilde, of haar jammerlijk

verwoest leven in een akeligen, helderen glans voor haar uitgespreid

lag.

»Wat is dat?” riep de graaf plotseling, »zoo’n schitterend vuurwerk zag

ik nooit.”

Het was klaar dag geworden, een groenachtig, vreemd licht spreidde een

doodschen gloed over de gasten rond de tafel, tegelijk deed zich een

onderaardsch gedruisch hooren dat allen met schrik vervulde.

»De Merawoe,” gilden zij en stortten naar buiten; de glazen vielen

rinkelend op de steenen, de kleederen der dames scheurden, de meubels

stortten omver.

Buiten viel de asch over de feestgewaden en de met bloemen versierde

lokken; de aarde scheen in opstand, boven hen bulderde en toornde de

berg, nu eens met dikke duisternis het aanzijn van sterren en maan

verduisterende, dan weer den hemel kleurende in hel blauw, slangkleurig

groen of bloedrood. ’t Was een Bengaalsch vuurwerk, door een reus

ontstoken, duizendvoudig weerkaatst in de diamanten der vrouwen, die

kermend en biddend bij elkander waren gescholen.

In de verte hoorde men het jammerend gehuil der wilde dieren, vermengd

met het krakend neerstorten der woudreuzen; hemel en aarde schenen te

vergaan. De grond dreunde en danste, boven hen verhief zich de

ontzettende rookkolom, die nu eens vurige vonken tegen de zwarte lucht

deed flonkeren, dan weer asch en rook over het landschap uitstortte;

soms knalden er geweldige schoten, het waren de gassen, aan de gapende

rotswanden ontsnapt die als een leger monsters van grilligen vorm, den

spoken gelijk, welke het brein der arme bergbewoners plachten te

verontrusten, zich over de geplaagde wereld verspreidden, boden van

schrik en dood.

»Zijn de kinderen veilig?” vroeg Corona plotseling; de kinderen sliepen

in een pavilloen, tegenover dat van Kitty gelegen; niemand had aan hen

gedacht.

Zij wachtte geen antwoord; alle geestkracht was in haar ontwaakt; zij

drong in het gebouwtje voor welks deur Iteko stond, die er nog kleiner,

nog wanstaltiger dan anders uitzag in haar verwarde kleeding.

Kleine mannetjes en vrouwtjes zaten huilend of verstomd op den

golvenden grond.

»Zijn ze er allen, Iteko?” vroeg Corona.

»Ik geloof ’t, juffrouw, een, twee, drie, vijf, zes; kom niet binnen,

het dak is aan het kraken, de kleine Guillaume is er niet bij, hij ligt

in de achterste kamer.”

»Zijn er geen mannen om te helpen?” vroeg zij bitter en het was of zij

haar Iwan zag, schoon als een aartsengel, die alleen de verwoesting

durfde trotseeren; toen wierp zij zich in het instortende gebouw, naar

niets meer luisterende.

»Juffrouw Corona!” smeekte Iteko.

Zij rukte zich los en verdween in het huis, dat op zijn grondvesten

wankelde.

»Waar is Corona?” riep haar vader.

»Daar, daar! O, mijn hemel! wat ik achterliet!”

Iteko snelde haar achterna; ieder dacht dat zij haar meesteres wilde

redden. Portias hield haar vergeefs tegen want Corona kwam reeds naar

buiten met het kind in de armen, maar op hetzelfde oogenblik zakte de

zolder vlak voor haar voeten in elkaar; niemand dacht meer aan de

aardbeving, aan den vuur en lava spuwenden berg; een nieuwe ramp had

zich bij de andere gevoegd.

»Help, help!” riep de oude heer ontzet, »mijn kind, mijn kind!”

Een hevige benauwdheid greep hem aan en hij stortte op een bank neer;

intusschen vlogen eenige mannen in het zakkende huis. Wolken stof en

zand stegen dwarrelend uit de puinhoopen op, Corona, met het kind op

den arm, was van voren en van achteren door de instortende muren

omringd; op weinige stappen afstand, bij haar kast, stond Iteko; rechts

en links vielen planken en steenen, die hun den weg versperden.

»Er is geen redding meer mogelijk, juffrouw Corona,” riep zij hijgend,

»mijn geld! Ik heb er alles voor over gehad en nu verlies ik het.”

»’t Is de rechte tijd om aan geld te denken,” sprak Corona

verachtelijk, »denk er liever aan dat wij binnen weinige oogenblikken

voor God zullen staan, die ons zal oordeelen.”

»U heeft niets te vreezen,” kermde zij, »ik ben zoo schuldig, doch er

is een ander, schuldiger dan ik.”

Zij kroop tot vlak voor de voeten van Corona, die op de knieën lag in

haar zwart satijnen kleed, nog versierd met de glanzende edelgesteenten

en met haar lichaam het kind beschuttend, dat zij gered had.

Daar boven kraakte het plafond, de balken vielen rechts en links en

verpletterden de meubels, de splinters verblindden haar oogen, de muren

scheurden.

»Juffrouw Corona, ik moet het u bekennen, misschien zoo ’t waar is dat

onze ziel den dood overleeft, zal u ’t binnen weinig oogenblikken toch

weten en anders, wat deert het mij? Mevrouw Hermine is onschuldig; zij

heeft den brief niet geschreven. Ik deed het, omgekocht als ik werd

door meneer Akkeveen, voor ƒ 20.000. Dat geld heb ik nu verloren, een

gedeelte ten minste, nu is het hem kwijtgescholden, maar als u blijft

leven, dan ontgaat hij ten minste zijn straf niet.”

»Hermine onschuldig, Iwan had gelijk, je verdient alleen verachting; o

God neem mijn leven als boete!” snikte Corona.

Een donderend gekraak vervulde de lucht; daar stortten de laatste

balken van het pavilloen naar beneden, door een schok, heviger dan de

vroegere; het was de slag die Conrad en Hermine op Samarang zoo

verschrikt had.

Zij, die uit de vlakte naar boven staarden, zagen een ontzaggelijken

boom, wiens stam van rook en wiens takken van vuur schenen, uit den

berg stijgen; uren ver straalde zijn onheilspellende gloed nu eens

helderder dan somberder in den nacht, steenklompen wierp hij rechts en

links; het was of uit het diepste zijner vurige ingewanden een laatste

kreet van verbolgenheid opwelde, een laatste bewijs van zijn kracht;

toen daalden asch en zwavel neer over de welige wouden, de

spiraalvormige vuurkolom werd doffer en doffer.

De Merawoe had zijn toorn opnieuw doen voelen aan het vreedzame volk,

dat hem scheen vergeten te zijn, dat dartelde aan zijn voet, dat

speelde op zijn geweldigen rug. De aarde keerde tot rust terug, het

gebulder werd zachter en zachter om eindelijk bijna weg te sterven.

Toen het morgen was, streken koeltjes zacht en verkwikkend over de

gemartelde bergen en dalen, de zon verliet glanzend en stralend haar

kimmen, om de natuur, die zij gisteren nog in volle pracht en

schoonheid had gezien, jammerlijk verwoest weer te vinden; de berg

alleen stond daar nog rookend en somber, nu en dan vlammen spuwend, die

gaandeweg kleiner en kleiner werden, en haar assche als een zachten

motregen strooiend over het landschap.

Hermelijn · 第 57 / 67 题