XVI.

Den volgenden dag vertrok Thoren van Hagen naar de hoofdplaats en van

daar naar Samarang; hij bleef acht dagen weg en kwam terug eenige uren

nadat een groote vrachtwagen, door karbouwen bespannen, hoog met

meubels opgeladen voor het kleine huis bij het Ngaroemeer kwam

stilhouden.

Natuurlijk was de geheele kolonie de Géran vervuld van de

bijzonderheid, dat een Hollander, zoo pas uit Europa aangekomen, zich

op hun grondgebied kwam vestigen en zich inrichtte of hij er voor goed

wilde blijven.

»Maar, beste Thoren,” vroeg de oude heer de Géran, »ben je voornemens

hier je leven te eindigen?”

»Te eindigen mijnheer, dat staat niet in mijn macht want ik ben tegen

zelfmoord.”

Hermelijn alleen kon vermoeden, welke treurige beteekenis die woorden

in zijn mond hadden.

»Maar of ik het hier zal doorbrengen is nog de groote vraag. Misschien

blijf ik hier jaren, misschien een maand.”

De jonge Gérans en Portias koesterden de grootste belangstelling in

Thoren’s doen en laten, hij had hun harten geheel gewonnen.

»Die meubels zijn heel solide,” verzekerde Guillaume, die van alles

verstand scheen te hebben.

»Maar niet mooi. ’t Is ongelukkig hoe weinig men in Indië nog aan

vormen doet,” zeide Portias, die om de ingepakte piano drentelde als

een mug om de kaars.

»Ik heb genomen, wat er was,” sprak Thoren van Hagen, »ik wil niet

zeggen dat ze mij erg aanstaan, maar voor de binnengalerij heb ik de

modellen geteekend, dan kunnen ze die in djatihout uitvoeren, dat

eikenhout het meest nabij komt. Jonge juffertjes meubelen moet ik hier

niet hebben.”

»Ik ben benieuwd hoe je piano is, Thoren!”

»Niet kwaad, Portias, een mollige toon, ik had liever een vleugel

gehad, maar die was er niet.”

»Je hadt op een vendutie moeten wachten.”

»Die misschien juist plaats heeft als ik er weer aan denk op te

breken.”

»Nu, dat doe je zoo gauw niet, ’t zal je hier stellig veel te goed

bevallen.”

»’t Is me wat lekkers,” bromde Akkeveen, die ook een kijkje kwam nemen,

ofschoon hij al een paar maal had gevraagd of die vreemde snoeshaan

iets achter zijn voorhoofd mankeerde. Een verstandig mensch ging zich

niet begraven in zoo’n wilde boel als die ellendige negorij.

»Wacht tot het regenmousson is, vriend! Dat alle goten stroomen, dat je

dak lekt, de meubels bederven, dat het meer niets is dan borrelend

water dagen lang, dat je niet rijden, niet loopen, niet wandelen kunt.”

»Meent u dat ik mij binnenshuis niet zal kunnen amuseeren?”

»Maar je kon voor hetzelfde geld je in Amsterdam, Brussel of Parijs

installeeren, een leven leiden als een prins, eten in de eerste

restaurants, uitgaan met wie je wilt, gij, die zakken vol geld en geen

blokken aan je beenen hebt. Een ander moest in je plaats zijn!”

»Elk zijn smaak, Akkeveen; een volgend jaar eens weer wat anders.”

»Nu, niemand maakt me wijs dat hij er geen bedoelingen mee heeft,”

bromde Akkeveen, »hij zal toch geen idées hebben op de groote Cor?”

Thoren van Hagen was zelf druk in de weer met de kisten openslaan, de

meubels ontpakken, de schilderijen ophangen en hij had er bijzonder

slag van ook de jonge Gérans aan het werk te zetten, daar hij de

voorzichtigheid van den mandoer [20], die van Samarang meegekomen was,

slecht vertrouwde. Allen stonden verbaasd over de wijze, waarmede hij

zich met het maleisch wist te redden, na zulk een kort verblijf in

Indië.

Hij was in een lichtblauwe kiel gekleed, en als hij naar buiten ging

met zijn grooten stroohoed op, zag hij er meer uit als een

Amerikaansche planter dan als een zoo pas uit Europa aangekomen

oud-officier.

Alle Gérans kwamen hem achtereenvolgens bezoeken, zelfs August. Zij

moesten altijd een paar maal in de week op het groote huis verslag

geven van hun werk en kwamen dan van hun respectieve woningen naar

»beneden;” nu was er een reden te meer om een extra-verschijning te

maken en den nieuwen gast in zijn doen en laten te bespieden.

»Wel mijnheer August,” sprak Thoren, »hoe bevalt u de inboedel?”

»Jammer, de witte mieren zullen opeten.”

»Witte mieren, zijn die dan hier.”

»Overal witte mieren, vooral onder tapijten.”

»Nu, we zullen er wel raad op weten. De buitengalerij ga ik eens

behangen.”

»Tjitjak [21] maken toch de behangsel kapot.”

»Maar ik kan die ellendige witte muren niet zien. Als ik ze eens

beschilderde, Portias.”

»Dan zal ik u helpen,” riep Philip, die een kist met glaswerk uitpakte,

»ik heb heel veel verf.”

»De vocht bederft toch de verf.”

»Kom, mijnheer August, wees niet zoo zwaartillend.”

»Dat is hij altijd,” zeide Portias, »hij ziet niets dan de schaduwzijde

van de dingen.”

»Vindt u dat geen mooi gezicht op het meer?”

»Kan wel, maar ongezond, alle menschen gaan dood hier.”

»Hebben hier al zooveel gewoond?”

»Je bent de derde, Thoren; toevallig zijn er twee gestorven, maar die

kwamen er ziek aan.”

»En over Bremmers’ dood hangt een sluier.”

»Ik woon vroeger ook hier maar Poppie wil niet langer.”

»Omdat het ongezond was?”

»Neen, zij ziet gendroewo [22], en toen ze moet bevallen, is zij bang,

dat die steelt het kind.”

»Nou, daar was niet veel aan verloren, één van de tien,” merkte

Akkeveen boosaardig aan.

»Wij verliezen toch niet graag één!” zei August met een overtuiging,

die aan het banale woord zekere kracht gaf.

»En vooral niet per gendroewo, dat spreekt.”

»Nu, als die gendroewo voor niets anders te vreezen is, dan kan ze hier

gerust komen.”

»U moet niet zoo praten, als zij hoort of de kalang!”

»Wie is dat?”

»De roode hond, een allerdwaast bijgeloof.”

»Niet dwaas; als u ziet die roode hond, u wordt ongelukkig.”

»Kom, mijnheer August, je bent toch wijzer.”

»Ik zeg maar, wat de menschen vertellen.”

»Als iemand den rooden hond ziet, wordt hij ongelukkig in zijn liefde,”

vertelde Guillaume, »maar de Gérans zijn allen zoo gelukkig in hun

keuzen, daar zij die zelf niet doen, dat de roode hond hun nooit

verschijnt.”

»Conrad ziet hem, toen hij nog jong is!”

»Conrad? Nu, dan is die roode hond het grootste leugenbeest ter wereld,

want hij heeft de mooiste vrouw gekregen, die op God’s aardbodem

leeft.”

»Apa boleh boeat! Mooi, is niet alles.”

»Wel neen, Poppie kan nog meer dan mooi zijn.”

»Poppie is een goede vrouw, maar je weet August:

»Darie mana datang linta?

Darie kali toeron di sawak,

Darie mana dateng tjinta?

Darie mata toeron di atti.” [23]

»En zoo zal het met Conrad gaan, al heeft hij ook honderdmaal den

rooden hond gezien.”

»Ik zal het er maar op wagen; woont de kalang hier in de buurt?”

»Hij woont overal en nergens, hij sluipt door de bosschen en schuilt in

de alang-alang, hij verschrikt de tijgers en doet de vogels

wegvliegen.”

»En hoe ziet hij er zoowat uit?”

»Donkerrood met oogen van vuur.”

»Nu, dan zal ik hem wel kennen als ik ’t dier tegenkom!”

»Wees maar blij als je dat monster ziet en hoop dan dat die

voorspelling uitkomt, want liefde brengt niets dan last en dwang.”

»Hoe kan je dat weten, Ak?” vroeg Portias leuk. »Die legende van den

rooden hond is niet onaardig, ik heb beproefd er een kleine opera van

te maken. De Indische opera, ziedaar een veld, dat nog geheel braak

ligt.”

»En dat jij wilt ontginnen?”

»Trachten tenminste. Mijn vermogens zijn zwak, ik weet het, maar mijn

wil is goed en als de bezieling maar eens komt!”

»O zie, wat een beeldige bloemenvaas!” riep Philip bewonderend, een

Boheemsch kristallen horen opheffend, die op zilveren voetstuk stond.

»Goed voor dames,” zei August.

»Wel, wie weet voor welke schoone dame Thoren het bestemt!” riep

Guillaume.

»’t Is het eenige artistieke ding, dat ik in de toko’s kon vinden; de

gravures zijn afgezaagde platen of opera-decoraties, die aan den Bijbel

ontleend heeten of muziek of schilder- of dichtergroepen even

geaffecteerd van opzet als ordinair van opvatting. Nergens iets nieuws

of oorspronkelijks.”

»Ik ga naar huis, het zal regenen. Bonjour gezelschap! ’t Is een genot

eens ergens te kunnen komen, waar wij zeker zijn Corona niet aan te

treffen.”

»Wat niet is kan komen!” mompelde Guillaume, maar Thoren van Hagen, die

anders een bewonderenswaardig gehoor had, scheen het niet te hooren.

»Denk je dat het regenen gaat, Gus?”

»Neen, mooi weer!”

»Altijd in de contramine; wil je hem iets laten goedkeuren, Thoren,

begin er dan kwaad van te spreken.”

»Wat is uw Jansje een mooi kind, meneer August.”

»Ja, maar leelijke ooren.”

»Ik geloof dat uw vrouw een flinke huishoudster is.”

»Jawel, maar zij kan geen kokkie houden.”

»Zij kookt zelf zeker uitstekend.”

»Maar Hollandsch eten kan zij niet klaarmaken.”

»U woont daar akelig in dat uithoekje.”

»Maar ’t huis heel prettig en groot.”

»Uw kinderen leeren zeker goed bij juffrouw Iteko.”

»Ik geloof wel, maar zij kijkt niet naar de karakters.”

»Heb je van mijn leven, wie er al niet naar karakters kijkt. Wat voor

soort karakter heb jij, August!”

»Raakt je niet, beter dan van jou, Akkeveen.”

»Dat geloof ik ook,” zeide Portias binnensmonds en hardop: »Ga je naar

huis, Gus?”

»Neen, ik ga naar Djantong, en vraag zuster Hermine of ze bij ons

komt.”

»Conrad is de eenige, die mij met geen bezoek vereert... van het

mannelijke personeel althans,” zei Thoren.

Weinige oogenblikken later kwam de reeds door Thoren gehuurde jongen

binnen, met eenige ketoepats en satehs [24] in pisangbladeren

gewikkeld.

»Mijn diné, heeren! excuseert!” zeide de huisheer lachend, en zette

alles op een kist, die hij voorloopig als tafel gebruikte, »de naaste

warong [25] is mijn Krasnapolsky.”

»Ik begrijp niet, dat u niet bij ons aan huis komt eten. Heeft Cor u

niet geïnviteerd?” vroeg Guillaume.

»Je vader deed het, maar ik prefereer mijn eigen keuken in al deze

drukte, dat wint het heen en weer loopen uit.”

»Nu, ’t wordt tijd naar huis te gaan, ’t is bij twaalven. Onze Cor kan

niet tegen wachten.”

»Waartegen kan zij dan wel?”

»Vindt u uw oudste zuster geen prachtige vrouw?” vroeg Thoren van

Hagen, zijn ketoepat opensnijdend, aan August.

»Ja wel, maar haar humeur is niet prettig.”

»Jij slaat den spijker op den kop, brave August! Nu, het beste succès

met je huishoudelijke zorgen, Thoren!”

Weinige minuten later waren zij allen heengegaan, en zette Thoren van

Hagen zijn arbeid alleen voort.

Hermelijn · 第 22 / 67 题