XV.

»Zullen wij wat samen gaan praten, Hermine?” vroeg Kitty aan hare

schoonzuster, terwijl Conrad, Guillaume en Philip zich naar de

bijgebouwen begaven, vermoedelijk naar de stallen.

In het groote huis was het wel de gewoonte dat ieder na de rijsttafel

zijn weg ging, maar aan slapen deed het jongere geslacht, op enkele

uitzonderingen na, niet veel.

Corona ging lezen of werken aan het handwerk, dat zij met vuur steeds

begon om het later door Iteko te doen voltooien; Kitty en Portias

trokken zich in hun paviljoen terug, de kinderen, waaronder zelfs

Margot en Philip, kregen les in de ruime, geheel naar de eischen

ingerichte schoolkamer, of mochten er zondags onder Iteko’s waakzaam

oog, den tijd korten met allerlei spellen; de heeren wierpen zich

echter bijna altijd in de armen van Morpheus als zij tenminste geen

bepaalde werkzaamheden te vervullen of tochten door de koffietuinen te

maken hadden.

Hermelijn volgde haar zuster naar het paviljoen, waarvan de kleine

buitengalerij geheel met bloemen gevuld was. Achter het bevallige

gordijn van groen klimop met de witte en blauwe klokjes stond een

alleraardigste kleine divan met een tafeltje er voor.

»Daar ontbijten we, als Corona het toestaat,” zeide Kitty met

schitterende oogen.

»Altijd en overal Corona,” sprak Hermelijn geërgerd.

Kitty dwong haar met zacht geweld neer te zitten en toen den arm om

haar hals slaande, vroeg zij deelnemend:

»Zeg me de waarheid Hermine, ben je ongelukkig?”

Hermelijn zag haar met groote starende oogen aan en vroeg terug:

»Zie ik er dan zoo ongelukkig uit?”

»Dat weet ik niet. Dat kan ik niet beoordeelen, maar toen je uit den

wagen stapte, toen waren je oogen heel anders. Is Conrad niet goed voor

je?”

»Zeer goed!”

»Neen, dat zou je niet zoo zeggen. Toen ik pas getrouwd was, o toen had

ik een gevoel of alles mij onverschillig werd, alles behalve José, of

er niemand op de wereld was dan hij. Nu is ’t ook nog wel zoo, maar

natuurlijk men raakt er meer aan gewoon.”

Hermelijn zuchtte.

»Dat weet ik ook! Ik heb ’t zelfde gehad toen ik pas getrouwd was, in

Holland namelijk.”

»Waarom heeft Conrad je dan getrouwd, als hij niet van je hield, als

hij niet lief voor je wilde zijn.”

Verwonderd zag Hermelijn Kitty aan; zij wist van niets, zwijgend had

Conrad het offer gebracht, waarvan zij de bittere gevolgen droeg.

»Vertel mij alles Kitty,” verzocht zij, »’t is beter dat ik alles weet,

’t zal gemakkelijker gaan mijn rol te spelen als één weet dat het een

rol is. Ja, Conrad en ik leven als geslagen vijanden, we spreken elkaar

niet aan, hij heeft me gezegd dat hij me haat evenals Corona. Dat was

zijn declaratie,” ging zij bitter voort. »De brieven die hij me schreef

waren valsch; zeg, werd er een meisje ooit meer bedrogen dan ik?”

»O, die Corona,” zuchtte Kitty.

»’t Is schandelijk maar wat moet ik doen? Ik kan toch niet weigeren bij

Conrad te blijven en de spot worden van geheel Indië, waar de familie

de Géran algemeen bekend is? Een ding blijft me over: geduldig wachten,

en dat is het juist wat mij zoo zwaar valt. Nu denkt Corona, nu ik

tevredenheid huichel, dat haar list gelukt is, dat hij toe heeft

gegeven, dat ik reden heb haar te bedanken voor mijn schitterende

positie; zij vermoedt niet, hoe rampzalig ik ben.”

Kitty begon te schreien.

»Ach, ik weet het lieve zuster, ’t is zoo akelig, ongelukkig te zijn,

ik weet het bij ondervinding; ik zal je later vertellen, hoe slecht wij

geweest zijn, maar we hielden zooveel van elkaar en er was geen hoop om

anders haar toestemming te krijgen. Ik wilde dat zij zelf iemand lief

kreeg, dan zou ze eens ondervinden hoe ongelukkig zij anderen maken

kan.”

»Ik wensch haar niets toe; dat zij niet verder in mijn leven taste, ’t

heeft reeds ongeluk genoeg veroorzaakt.”

»Maar is er nu niets aan te doen Hermine, niets? Wil Conrad dan niet

inzien, hoe lief je bent? Ik zou ’t hem willen zeggen, maar hij wordt

dadelijk zoo driftig.”

»Zeg hem niets Kitty; laten wij het samen uitmaken, mijn trots beveelt

me tegenover allen behalve jou de gelukkige vrouw te blijven, maar aan

den anderen kant moet ik Corona toch doen voelen, hoe haar plannen

slechts strekten tot mijn ongeluk.”

»Dat verdient zij ook! Durf je het zeggen?”

»Het durven?” en Hermelijn’s lippen krulden zich trotsch, »het durven,

meen je, dat ik haar vrees, die vrouw zonder hart?”

»Dat moet je niet zeggen Hermine, daarvoor ken je haar niet genoeg. Cor

heeft wel degelijk een hart en een goed hart ook.”

Hermelijn dacht aan Corona’s uitval op dien morgen tegen goede harten,

maar Kitty vervolgde:

»Zooals zij voor me geweest is, zooals zij dag en nacht op mij gepast

heeft toen ik klein en ziekelijk was, hoe lief zij mij altijd

aankleedde en niets voor mij te mooi of te duur vond, dat kan ik niet

vergeten. Nooit kreeg ik van haar een kwaad woord, alle avonden kwam ze

mijn klamboes [19] sluiten na mij een nachtkus te hebben gegeven. Ach,

ze was zoo goed, zoo lief! Je lacht er om Hermine! Je kunt het je niet

begrijpen, maar ’t is toch zoo! Al is zij soms scherp en onbillijk, zij

meent het zoo goed.”

»’t Eerste goede wat ik van haar hoor! Wat is ze dan veranderd!”

»Alleen tegen mij, en ik heb ’t verdiend. Waarom moest ik ook juist

Portias lief krijgen, dien zij niet lijden mocht, of neen, dat deed ze

vroeger niet. Zij had heel iets anders voor mij gedroomd, die goede

Corona maar ik, domoor, moest een armen muziekmeester hebben, kost wat

kost! Als zij van iemand houdt dan heeft ze alles voor hem over.”

»Dan schijnt ze al heel weinig van Conrad te houden.”

»Zij meende het goed, zeg ik je, en waarlijk wat kon die nare jongen

meer verlangen dan zoo’n allerliefst vrouwtje? Hij is met blindheid

geslagen, maar voor alle broers en zusters is zij goed, zelfs voor

Akkeveen, dien zij niet kan uitstaan en, zooals zij de moeder van de

kleintjes verzorgd heeft in haar laatste ziekte, ofschoon zij volstrekt

niet met haar overweg kon, dat is boven alle beschrijving. Neen

Hermine, ik begrijp ’t wel, je hebt heel veel grieven tegen Corona,

maar haar heelemaal veroordeelen mag je niet, zoolang je haar niet

beter kent.”

»Maar ben je de eenige niet, Kitty, die zoo goed van haar denkt?”

»Och, ze zijn allemaal bang voor haar, dat is zoo, maar ze weten ook

dat als ze werkelijk iets noodig hebben, zij altijd van goeden wille is

hen te helpen. De helft van August’s kinderen heeft zij voor haar

rekening genomen; als er een Javaan ziek is dan gaat zij hem bezoeken,

voor de kraamvrouwen laat zij versterkend voedsel koken, we lachen er

haar om uit, want die zijn dikwijls zoo raar, ze lusten het niet of

doen er sambel in; ze doet zich slechter voor dan ze is. Wij zijn niet

allemaal lieve menschen, Hermine, er zijn akelige jongens bij en

vervelende meisjes, maar dat verzeker ik je, wij hebben gevoel en dat

kan niet van ieder gezegd worden. Daar heb je nu bijvoorbeeld Akkeveen,

die man is zoo droog als een hout, hij kan Dolly zien sjouwen en hoort

haar kinderen huilen zonder zich te verroeren, dat zou geen van ons

kunnen.”

»Zelfs Conrad niet?”

»Conrad is misschien de beste van ons allen. Wanneer je mekaar leerdet

kennen, Hermine, zou je stellig gelukkig worden.”

»Ik wanhoop aan geluk!”

»Kom, dat heb ik ook gedaan en nu ben ik zoo dol gelukkig; wil je ons

huisje zien, wij hebben niet veel want Corona wou niets voor mij doen,

maar Portias heeft er zoo’n pleizier in alles netjes te arrangeeren.”

Hermelijn volgde haar naar de kamer, die op de binnengalerij uitkwam;

een zwarte piano, zwarte meubels met rotting zittingen, een gewone mat

vormden wel een groot contrast, met de weelderige inrichting van het

hoofdgebouw, maar toch bracht het geheel den aangenaamsten indruk

voort, zoo smaakvol was alles geschikt.

Fraaie gravuren uit het leven der beroemde componisten, de laatste

droom van Weber, de storm van Händel, Glück bij Marie Antoinette en

Mozart’s sterfbed, versierden de muren, afgewisseld door busten van

Beethoven en andere componisten; op een lessenaar, waarover

muziekpapier uitgespreid lag, stond een metronome, een vioolkast, en

een ruiker bloemen; overal zag men bloemen in sierlijke hangmandjes, in

vazen en potten.

»Hoe vind je ons nestje?” vroeg Kitty met stralende oogen.

»Ik kan me begrijpen, hoe gelukkig je hier bent,” antwoordde Hermelijn

weemoedig.

»Om negen uur gaan wij gewoonlijk naar de kamer, maar dan blijven we

nog lang op, José speelt zoo mooi of componeert, en ik houd hem

gezelschap, dat zijn de prettigste uren van den dag. De menschen vinden

het eentonig dat wij hier zoo in de wildernis wonen maar je weet niet

hoe heerlijk, hoe rustig wij met ons tweeën leven, zonder vrees van

gestoord te worden.”

»Ja, het kan heerlijk zijn,” zuchtte de arme Hermelijn.

»Als Conrad dat wilde inzien maar hij is altijd erg koppig geweest, en

hij wantrouwt je, omdat je een nicht van Corona bent, maar ik ben er

zeker van dat je altijd, zoo ’t noodig is, je man gelijk zult geven

zelfs tegenover haar.”

»Ik dank je, Kitty, je hebt mij het best beoordeeld. We zullen

vriendinnen worden.”

»Maar laat Cor het niet merken dat wij ’t eens zijn, ’t zou voor ons

beiden niet goed wezen.”

Dien avond werd er muziek gemaakt; voor ’t eerst weerklonk Hermelijn’s

lieve stem in de tropische lucht, die Ngaroengan omringde; zelfs haar

schoonvader luisterde en Guillaume was in de wolken en fluisterde

Conrad telkens toe:

»Gelukkige kerel, wees niet ondankbaar! Wat een verschil met mijn

Toetie!”

Corona was verrukt, zij zag er recht blijde uit en eens zelfs vergat

zij zichzelf zoozeer, dat zij Conrad zacht vroeg:

»Ben je mij nu niet dankbaar, dat ik je zoo’n vrouw heb bezorgd?”

»Ik had er je niet om gevraagd,” was het norsche antwoord.

Thoren van Hagen deed ook zijn spel hooren, waaronder Conrad zich

verwijderde: eerst was het Corona’s plan niet te spelen, maar na een

vraag, over de wijnmerken die zij voor te dienen had fluisterde Iteko

haar toe:

»Als ik u een raad geven mag juffrouw de Géran, laat u niet bidden en

speel.”

»Waarom?”

»Omdat hij anders denken zou dat u het liet om hem.”

»Wat een verbeelding!”

Toch volgde Corona den raad op en speelde waarlijk uitstekend. Zij

oogstte niet veel bijval in, maar was tevreden, want Hermelijn zeide

haar eenvoudig:

»U speelt zeer goed!”

»Zulk een compliment stel ik op prijs,” verklaarde zij met een

zijdelingschen blik op Thoren van Hagen.

»Hermelijn spreekt mijn meening uit,” zeide deze, »en gister avond heb

ik ’t zelfde reeds gezegd.”

Toen Conrad met zijn vrouw huiswaarts reed, zeide hij plotseling na

lang stilzwijgen:

»Is dat de mode in Holland, dat de heeren jonggetrouwde vrouwen bij den

naam noemen al zijn ze geen familie van hen en omgekeerd?”

»Wie deed ’t dan?”

»Die kwast en u.”

»Bedoel je Thoren van Hagen?”

»Ja.”

Een scherp antwoord zweefde om Hermelijn’s lippen. »Welk recht hebt ge

mij dat te verbieden tegenover den vriend mijner jeugd, die mij meer

achting en eerbied betoont, dan gij, mijn man?” Maar zij weerhield zich

en zeide met groote krachtsinspanning zoo zacht en vriendelijk

mogelijk:

»’t Is goed Conrad. Ik wist niet dat het je onaangenaam was, maar ’t

zal voortaan niet meer gebeuren.”

In de eenzaamheid overwoog zij nogmaals zijn uitval en dacht:

»Zou ’t waar zijn, wat sommigen beweren, dat daar, waar jaloezie zich

vertoont, de liefde niet ver af is?”

Hermelijn · 第 21 / 67 题