»Zullen wij wat samen gaan praten, Hermine?” vroeg Kitty aan hare
schoonzuster, terwijl Conrad, Guillaume en Philip zich naar de
bijgebouwen begaven, vermoedelijk naar de stallen.
In het groote huis was het wel de gewoonte dat ieder na de rijsttafel
zijn weg ging, maar aan slapen deed het jongere geslacht, op enkele
uitzonderingen na, niet veel.
Corona ging lezen of werken aan het handwerk, dat zij met vuur steeds
begon om het later door Iteko te doen voltooien; Kitty en Portias
trokken zich in hun paviljoen terug, de kinderen, waaronder zelfs
Margot en Philip, kregen les in de ruime, geheel naar de eischen
ingerichte schoolkamer, of mochten er zondags onder Iteko’s waakzaam
oog, den tijd korten met allerlei spellen; de heeren wierpen zich
echter bijna altijd in de armen van Morpheus als zij tenminste geen
bepaalde werkzaamheden te vervullen of tochten door de koffietuinen te
maken hadden.
Hermelijn volgde haar zuster naar het paviljoen, waarvan de kleine
buitengalerij geheel met bloemen gevuld was. Achter het bevallige
gordijn van groen klimop met de witte en blauwe klokjes stond een
alleraardigste kleine divan met een tafeltje er voor.
»Daar ontbijten we, als Corona het toestaat,” zeide Kitty met
schitterende oogen.
»Altijd en overal Corona,” sprak Hermelijn geërgerd.
Kitty dwong haar met zacht geweld neer te zitten en toen den arm om
haar hals slaande, vroeg zij deelnemend:
»Zeg me de waarheid Hermine, ben je ongelukkig?”
Hermelijn zag haar met groote starende oogen aan en vroeg terug:
»Zie ik er dan zoo ongelukkig uit?”
»Dat weet ik niet. Dat kan ik niet beoordeelen, maar toen je uit den
wagen stapte, toen waren je oogen heel anders. Is Conrad niet goed voor
je?”
»Zeer goed!”
»Neen, dat zou je niet zoo zeggen. Toen ik pas getrouwd was, o toen had
ik een gevoel of alles mij onverschillig werd, alles behalve José, of
er niemand op de wereld was dan hij. Nu is ’t ook nog wel zoo, maar
natuurlijk men raakt er meer aan gewoon.”
Hermelijn zuchtte.
»Dat weet ik ook! Ik heb ’t zelfde gehad toen ik pas getrouwd was, in
Holland namelijk.”
»Waarom heeft Conrad je dan getrouwd, als hij niet van je hield, als
hij niet lief voor je wilde zijn.”
Verwonderd zag Hermelijn Kitty aan; zij wist van niets, zwijgend had
Conrad het offer gebracht, waarvan zij de bittere gevolgen droeg.
»Vertel mij alles Kitty,” verzocht zij, »’t is beter dat ik alles weet,
’t zal gemakkelijker gaan mijn rol te spelen als één weet dat het een
rol is. Ja, Conrad en ik leven als geslagen vijanden, we spreken elkaar
niet aan, hij heeft me gezegd dat hij me haat evenals Corona. Dat was
zijn declaratie,” ging zij bitter voort. »De brieven die hij me schreef
waren valsch; zeg, werd er een meisje ooit meer bedrogen dan ik?”
»O, die Corona,” zuchtte Kitty.
»’t Is schandelijk maar wat moet ik doen? Ik kan toch niet weigeren bij
Conrad te blijven en de spot worden van geheel Indië, waar de familie
de Géran algemeen bekend is? Een ding blijft me over: geduldig wachten,
en dat is het juist wat mij zoo zwaar valt. Nu denkt Corona, nu ik
tevredenheid huichel, dat haar list gelukt is, dat hij toe heeft
gegeven, dat ik reden heb haar te bedanken voor mijn schitterende
positie; zij vermoedt niet, hoe rampzalig ik ben.”
Kitty begon te schreien.
»Ach, ik weet het lieve zuster, ’t is zoo akelig, ongelukkig te zijn,
ik weet het bij ondervinding; ik zal je later vertellen, hoe slecht wij
geweest zijn, maar we hielden zooveel van elkaar en er was geen hoop om
anders haar toestemming te krijgen. Ik wilde dat zij zelf iemand lief
kreeg, dan zou ze eens ondervinden hoe ongelukkig zij anderen maken
kan.”
»Ik wensch haar niets toe; dat zij niet verder in mijn leven taste, ’t
heeft reeds ongeluk genoeg veroorzaakt.”
»Maar is er nu niets aan te doen Hermine, niets? Wil Conrad dan niet
inzien, hoe lief je bent? Ik zou ’t hem willen zeggen, maar hij wordt
dadelijk zoo driftig.”
»Zeg hem niets Kitty; laten wij het samen uitmaken, mijn trots beveelt
me tegenover allen behalve jou de gelukkige vrouw te blijven, maar aan
den anderen kant moet ik Corona toch doen voelen, hoe haar plannen
slechts strekten tot mijn ongeluk.”
»Dat verdient zij ook! Durf je het zeggen?”
»Het durven?” en Hermelijn’s lippen krulden zich trotsch, »het durven,
meen je, dat ik haar vrees, die vrouw zonder hart?”
»Dat moet je niet zeggen Hermine, daarvoor ken je haar niet genoeg. Cor
heeft wel degelijk een hart en een goed hart ook.”
Hermelijn dacht aan Corona’s uitval op dien morgen tegen goede harten,
maar Kitty vervolgde:
»Zooals zij voor me geweest is, zooals zij dag en nacht op mij gepast
heeft toen ik klein en ziekelijk was, hoe lief zij mij altijd
aankleedde en niets voor mij te mooi of te duur vond, dat kan ik niet
vergeten. Nooit kreeg ik van haar een kwaad woord, alle avonden kwam ze
mijn klamboes [19] sluiten na mij een nachtkus te hebben gegeven. Ach,
ze was zoo goed, zoo lief! Je lacht er om Hermine! Je kunt het je niet
begrijpen, maar ’t is toch zoo! Al is zij soms scherp en onbillijk, zij
meent het zoo goed.”
»’t Eerste goede wat ik van haar hoor! Wat is ze dan veranderd!”
»Alleen tegen mij, en ik heb ’t verdiend. Waarom moest ik ook juist
Portias lief krijgen, dien zij niet lijden mocht, of neen, dat deed ze
vroeger niet. Zij had heel iets anders voor mij gedroomd, die goede
Corona maar ik, domoor, moest een armen muziekmeester hebben, kost wat
kost! Als zij van iemand houdt dan heeft ze alles voor hem over.”
»Dan schijnt ze al heel weinig van Conrad te houden.”
»Zij meende het goed, zeg ik je, en waarlijk wat kon die nare jongen
meer verlangen dan zoo’n allerliefst vrouwtje? Hij is met blindheid
geslagen, maar voor alle broers en zusters is zij goed, zelfs voor
Akkeveen, dien zij niet kan uitstaan en, zooals zij de moeder van de
kleintjes verzorgd heeft in haar laatste ziekte, ofschoon zij volstrekt
niet met haar overweg kon, dat is boven alle beschrijving. Neen
Hermine, ik begrijp ’t wel, je hebt heel veel grieven tegen Corona,
maar haar heelemaal veroordeelen mag je niet, zoolang je haar niet
beter kent.”
»Maar ben je de eenige niet, Kitty, die zoo goed van haar denkt?”
»Och, ze zijn allemaal bang voor haar, dat is zoo, maar ze weten ook
dat als ze werkelijk iets noodig hebben, zij altijd van goeden wille is
hen te helpen. De helft van August’s kinderen heeft zij voor haar
rekening genomen; als er een Javaan ziek is dan gaat zij hem bezoeken,
voor de kraamvrouwen laat zij versterkend voedsel koken, we lachen er
haar om uit, want die zijn dikwijls zoo raar, ze lusten het niet of
doen er sambel in; ze doet zich slechter voor dan ze is. Wij zijn niet
allemaal lieve menschen, Hermine, er zijn akelige jongens bij en
vervelende meisjes, maar dat verzeker ik je, wij hebben gevoel en dat
kan niet van ieder gezegd worden. Daar heb je nu bijvoorbeeld Akkeveen,
die man is zoo droog als een hout, hij kan Dolly zien sjouwen en hoort
haar kinderen huilen zonder zich te verroeren, dat zou geen van ons
kunnen.”
»Zelfs Conrad niet?”
»Conrad is misschien de beste van ons allen. Wanneer je mekaar leerdet
kennen, Hermine, zou je stellig gelukkig worden.”
»Ik wanhoop aan geluk!”
»Kom, dat heb ik ook gedaan en nu ben ik zoo dol gelukkig; wil je ons
huisje zien, wij hebben niet veel want Corona wou niets voor mij doen,
maar Portias heeft er zoo’n pleizier in alles netjes te arrangeeren.”
Hermelijn volgde haar naar de kamer, die op de binnengalerij uitkwam;
een zwarte piano, zwarte meubels met rotting zittingen, een gewone mat
vormden wel een groot contrast, met de weelderige inrichting van het
hoofdgebouw, maar toch bracht het geheel den aangenaamsten indruk
voort, zoo smaakvol was alles geschikt.
Fraaie gravuren uit het leven der beroemde componisten, de laatste
droom van Weber, de storm van Händel, Glück bij Marie Antoinette en
Mozart’s sterfbed, versierden de muren, afgewisseld door busten van
Beethoven en andere componisten; op een lessenaar, waarover
muziekpapier uitgespreid lag, stond een metronome, een vioolkast, en
een ruiker bloemen; overal zag men bloemen in sierlijke hangmandjes, in
vazen en potten.
»Hoe vind je ons nestje?” vroeg Kitty met stralende oogen.
»Ik kan me begrijpen, hoe gelukkig je hier bent,” antwoordde Hermelijn
weemoedig.
»Om negen uur gaan wij gewoonlijk naar de kamer, maar dan blijven we
nog lang op, José speelt zoo mooi of componeert, en ik houd hem
gezelschap, dat zijn de prettigste uren van den dag. De menschen vinden
het eentonig dat wij hier zoo in de wildernis wonen maar je weet niet
hoe heerlijk, hoe rustig wij met ons tweeën leven, zonder vrees van
gestoord te worden.”
»Ja, het kan heerlijk zijn,” zuchtte de arme Hermelijn.
»Als Conrad dat wilde inzien maar hij is altijd erg koppig geweest, en
hij wantrouwt je, omdat je een nicht van Corona bent, maar ik ben er
zeker van dat je altijd, zoo ’t noodig is, je man gelijk zult geven
zelfs tegenover haar.”
»Ik dank je, Kitty, je hebt mij het best beoordeeld. We zullen
vriendinnen worden.”
»Maar laat Cor het niet merken dat wij ’t eens zijn, ’t zou voor ons
beiden niet goed wezen.”
Dien avond werd er muziek gemaakt; voor ’t eerst weerklonk Hermelijn’s
lieve stem in de tropische lucht, die Ngaroengan omringde; zelfs haar
schoonvader luisterde en Guillaume was in de wolken en fluisterde
Conrad telkens toe:
»Gelukkige kerel, wees niet ondankbaar! Wat een verschil met mijn
Toetie!”
Corona was verrukt, zij zag er recht blijde uit en eens zelfs vergat
zij zichzelf zoozeer, dat zij Conrad zacht vroeg:
»Ben je mij nu niet dankbaar, dat ik je zoo’n vrouw heb bezorgd?”
»Ik had er je niet om gevraagd,” was het norsche antwoord.
Thoren van Hagen deed ook zijn spel hooren, waaronder Conrad zich
verwijderde: eerst was het Corona’s plan niet te spelen, maar na een
vraag, over de wijnmerken die zij voor te dienen had fluisterde Iteko
haar toe:
»Als ik u een raad geven mag juffrouw de Géran, laat u niet bidden en
speel.”
»Waarom?”
»Omdat hij anders denken zou dat u het liet om hem.”
»Wat een verbeelding!”
Toch volgde Corona den raad op en speelde waarlijk uitstekend. Zij
oogstte niet veel bijval in, maar was tevreden, want Hermelijn zeide
haar eenvoudig:
»U speelt zeer goed!”
»Zulk een compliment stel ik op prijs,” verklaarde zij met een
zijdelingschen blik op Thoren van Hagen.
»Hermelijn spreekt mijn meening uit,” zeide deze, »en gister avond heb
ik ’t zelfde reeds gezegd.”
Toen Conrad met zijn vrouw huiswaarts reed, zeide hij plotseling na
lang stilzwijgen:
»Is dat de mode in Holland, dat de heeren jonggetrouwde vrouwen bij den
naam noemen al zijn ze geen familie van hen en omgekeerd?”
»Wie deed ’t dan?”
»Die kwast en u.”
»Bedoel je Thoren van Hagen?”
»Ja.”
Een scherp antwoord zweefde om Hermelijn’s lippen. »Welk recht hebt ge
mij dat te verbieden tegenover den vriend mijner jeugd, die mij meer
achting en eerbied betoont, dan gij, mijn man?” Maar zij weerhield zich
en zeide met groote krachtsinspanning zoo zacht en vriendelijk
mogelijk:
»’t Is goed Conrad. Ik wist niet dat het je onaangenaam was, maar ’t
zal voortaan niet meer gebeuren.”
In de eenzaamheid overwoog zij nogmaals zijn uitval en dacht:
»Zou ’t waar zijn, wat sommigen beweren, dat daar, waar jaloezie zich
vertoont, de liefde niet ver af is?”