die geen europeesche taal kon spreken, de andere een handig, snugger
jongetje, die in een zendelingeninrichting was opgevoed en het voor
doelmatig hield, dit door een veelvuldig gebruik van bijbelteksten en
andere blijken zijner vrome gezindheid te laten zien. Alle Samoanen
laten zich hun werk zeer goed betalen, als zij het een of ander op
zich nemen; maar de Samoaan heeft heel weinig behoeften; kleeding,
woning en verwarming kosten bijna niets, vruchten en visch ook niets,
en als er werkelijk eens aan iets behoefte is, dan logeert hij, zoolang
hij wil, bij den een of anderen bloedverwant, die hem te allen tijde
moet herbergen en onderhouden. Wil hij ten slotte europeesche dingen
koopen, dan ruilt hij ze tegen copra, die hij met heel weinig moeite
zich kan verschaffen van de geërfde kokospalmen. Werkt hij dus bij
geval, dan verlangt hij evenveel loon als een europeesch arbeider,
dat is tienmaal meer dan een Hindoe of Chinees, en men heeft daarom
sedert eenigen tijd inboorlingen van de Salomonseilanden en de
Nieuwe Hebriden op Samoa als goedkoope arbeidskrachten ingevoerd,
tot groote ergernis natuurlijk van de Samoanen, die mij een massa
griezelige menschenetersgeschiedenissen uit het jongst verleden van
deze onschuldige luidjes opdischten.
Na een korten marsch waren wij reeds in het oerwoud. De weg was zoo
smal, dat er juist voor één mensch plaats was en leidde meestal steil
omhoog. Wij vergoten, trots het vroege uur, bij dit stijgen stroomen
van zweet, want de boomen om ons heen stonden zoo dicht in blad, dat
wij ons in diepe duisternis bevonden en de verfrisschende zeewind
ons niet kon afkoelen. De plantengroei was heerlijk. Palmen van
vele soorten, varens van tien meter hoog stonden naast broodvrucht-
en mangoboomen, omkranst door dikke slingerplanten. Mijn dragers
braken druk stukken af van de suikerrietplanten op zij van den weg
en verkwikten zich door 't sappig hout te kauwen, terwijl ik mij meer
aan kokosnoten en bananen hield.
Eenige heldere beken, die wij moesten passeeren, boden de altijd
weer met vreugd begroete gelegenheid tot het nemen van een bad,
waarvoor men immers niet eerst veel kleêren behoefde af te leggen,
en na bijna vijf uren bereikten wij het hoogste punt van de bergketen,
2000 voet boven de zee.
Prachtig was het uitzicht op de haven van Apia diep beneden ons en
over de schitterende Zuidzee met de andere samoaansche eilanden in
de verte; maar mooi was ook de onmiddellijke omgeving daarboven. Van
alle kanten overschaduwd door het groen van het woud, lag op de hoogte
een meertje, het Lanoetomeer, dat een uitgebranden krater vulde en
met zijn donkergroen water een eigenaardig contrast vormde met den
lichten, tropischen hemel. Aan den oever zijn door de regeering eenige
huisjes neergezet, die de inwoners van Apia, die in den zomer naar een
hooggelegen streek wenschen te gaan, bij beurten mogen betrekken. Er
was juist een vriendelijk gezin, aan welks disch ik onverhoopt nog
eens in de gelegenheid was een goed europeesch middagmaal te genieten.
De tocht bergaf bleek veel moeilijker dan bergop. Voor mij was de weg
dikwijls in 't geheel niet te onderscheiden, wij moesten over zware
boomstammen en wortels klauteren, waar wij vaak genoeg tusschen bleven
steken; dan weer moesten we over glibberige steenen steile hellingen
afglijden en op smalle boomstammen balanceeren over kloven.
Tegen den avond bereikten wij een dal, dat met een dicht bananenwoud
gevuld was; toen kwamen wij in het dorp Sanapoe, waar wij den nacht
wilden doorbrengen.
Het dorp bestond uit meer dan 50 hutten, ver uiteen liggend tusschen
de palmen, en hier en daar glinsterden vijvers en kabbelden een paar
beken. In een der nabijgelegen en grootste hutten, die van het hoofd,
traden wij binnen, en moesten bukken onder het laag afhangende dak. Bij
het algemeene handjesgeven met alle leden der familie hoorde ik, dat
het hoofd ter vischvangst was, maar dadelijk zou worden gehaald. Een
aantal matten werd vóór een der dikke palen, die het dak steunen,
uitgespreid, en tegen den paal leunend, zat ik met gekruiste beenen
zoo deftig mogelijk op het dorpshoofd te wachten.
Om mij heen ruischten de palmen en broodboomen; tusschen de
bijenkorfachtige huizen liepen naakte, bruine gestalten heen en weer;
tegenover mij zaten zwijgend de familieleden van het hoofd en achter
hen zag ik tusschen de palen van de hut de blauwe Zuidzee en de
ondergaande zon.
Plotseling traden een aantal meisjes bij ons binnen, en mijn vrome
tolk deelde mij mee, dat de "taupo" van het dorp naderbij kwam,
om mij te begroeten.
Van deze "dorpsjonkvrouwen" had men mij reeds te Apia veel verteld, en
ik wist, dat een taupo gewoonlijk het mooiste meisje van het dorp is,
dat zij eene representatieve rol speelt en vooral de honneurs heeft
waar te nemen voor de gasten van het dorp. Daarvoor bewoont zij het
mooiste huis en heeft een heele hofhouding van eveneens ongehuwde,
vaak niet meer jonge dames, die haar moeten bedienen en tegelijk voor
haar zeer op prijs gestelde deugd hebben te waken.
De taupo van Sanapoe droeg een kort, hemdachtig kleed en zeer veel
bloemen; ze was een reuzin en leek zeer gespierd. Overigens was zij,
afgezien van haar dikke lippen, wel aardig en door haar vriendelijkheid
verdween al gauw de eerst een beetje schrikaanjagende indruk. Dadelijk
hing ze mij een zware bloemenketen om den hals en ging naast mij
zitten, om mij, zoolang ik daar bleef, niet weer te verlaten. De
gezelschapsdames zetten zich ter zijde neer.
Om dadelijk als een voornaam heer op te treden, liet ik mij mijn
bagage brengen en schonk aan de taupo een mooien ring met glazen
robijn, en op dergelijke wijze bedacht ik de beide dienstvrouwen,
die mij het strengst leken te zijn en verkreeg daardoor ook hare
voortdurende hoogachting.
Intusschen was het hoofd teruggekomen; er waren nu ongeveer veertig
personen aanwezig, en toen begonnen de plechtige toespraken. Mijn
brief van Mataafa, dien ik het eerst voor den dag haalde, en dien
het hoofd zijn volkje voorlas, scheen grooten indruk te maken.
Het hoofd leunde ook tegen een paal en praatte een kwartier lang
zachtjes zoo wat vóór zich heen. Zooals ik van mijn tolk vernam, dankte
hij mij voor mijn komst, vooral daar ik de eerste Europeaan was, die
hem bezocht; het was verder jammer, dat het al zoo laat was; daarom kon
hij mij geen waardig feestmaal voorzetten en meer van dien aard. Daarop
hield ik eveneens met deftige gebaren een toespraak tot de menigte,
door mijn bediende vertolkt, en zoo wisselden wij ongeveer een uur
beleefdheden, terwijl allen aandachtig naar onze woorden luisterden.
Dadelijk bij de begroeting had het hoofd mij een reuzenkawawortel
gebracht, en mijn taupo had er onder de toespraken een drank uit
bereid, die mij meer belang inboezemde dan de speeches van het hoofd,
vooral omdat ik iets bedenkelijks vond in de wijze van bereiding en
twijfel voelde opkomen aan het genot, dat mij van dezen drank uit
Piper Methysticum te wachten stond.
Eerst spoelde zij zich namelijk den mond, begon toen den wortel klein
te kauwen en deponeerde de gekauwde beten in een houten schaal, die
met water was gevuld. De brij werd toen geroerd, en eindelijk werden
met een stampertje van palmvezels, dat telkens weer werd uitgespoeld,
alle vaste bestanddeelen uit de brij verwijderd. Toen wij met de
toespraken klaar waren, was ook het product der kauwwerkzaamheid van
mijn taupo gereed. Alle aanwezigen klapten op de maat in de handen,
niet om ons, zooals ik eerst met trots meende, hun bijval te betuigen,
maar als plechtige inleiding voor den dronk.
De taupo vulde een halfdoorgesneden kokosnootschaal met het witte
vocht, hief die hoog boven haar hoofd, reikte ze mij met eleganten
zwaai, en daar allen mij vol aandacht aankeken, slikte ik het bittere
drankje haastig in. Toen kwamen de anderen aan de beurt, zooals een
woord van het hoofd hen beurtelings aanwees.
Buiten waren intusschen menschen met fakkels bezig, tusschen de hutten
zwijnen en kippen op te jagen, om een feestmaal te bereiden, en de
vindingrijke hoofdman arrangeerde ter vulling van den tusschentijd
gauw een "kerk", zooals mijn tolk zeide. De plechtigheid bestond uit
een kort gezang en 't voorlezen van een gebed, waaraan de aanwezigen
met veel geestdrift deelnamen.
Vervolgens werd op groote bladeren het maal opgedragen en in lange
rijen werden de lekkernijen vóór mij op den grond gelegd. Daar
waren een in zijn geheel gebraden speenvarkentje, gebraden hoenders,
visschen, verschillende soorten van kool, broodvruchten, kokosnoten en
een menigte andere vruchten. Weer volgde een lange rede van het hoofd,
waarin hij mij het maal plechtig overdroeg en zijn spijt betuigde,
dat er niet meer was; toen mijn verzekering, dat het schitterend was
en dat ik er Mataafa van vertellen zoude, en eindelijk begonnen wij,
eerstaanzittenden, te smullen; de anderen moesten wachten op wat wij
hun zouden overlaten.
Men gaf er de voorkeur aan, met de vingers te eten; maar mij werd het
uiterst gemakkelijk gemaakt, want de taupo ondernam hoogst eigenhandig
mijne voedering, verwijderde zorgvuldig graten en beentjes uit mijn
spijzen en stopte mij de lekkerste hapjes in den mond. Daarna werd er
weer kawa bereid, en nu smaakte mij die samoaansche nationale drank
reeds beter. Ik ervoer later, dat ook grootere hoeveelheden niet
bedwelmen, hoogstens een weinig opwekken als koffie, alleen worden bij
volkomen nuchterheid den drinker toch de beenen een beetje zwaar. Kawa
is dus eigenlijk een ideale dronk uit het oogpunt van gastvrijheid;
men wil den gast er niet door in de war brengen, maar hem wel 't
vermogen benemen om weg te gaan!
Daar ik bovendien niet de bedoeling had, weg te gaan, werd de
legerstede in gereedheid gebracht en ging men de muskietennetten
ophangen, waarvan de Samoanen algemeen gebruik maken.
Toen ik daarna van de dorpsjonkvrouw en haar gevolg afscheid
nam, maakte dat opvallend weinig indruk; men maakte volstrekt geen
aanstalten tot vertrek, en toen ik ten slotte mij toch maar achter mijn
muskietennet terugtrok, sloot zich tot mijn groote verbazing de taupo
bij mijn terugtocht aan en sloop eveneens onder mijn doorzichtig net,
terwijl alle hofdames in een kring dicht om ons heen stonden.
Ofschoon deze situatie zeker iets zeer ongewoons was, schikte ik
mij in het geval met de redeneering, dat men op reis zich naar de
vreemde zeden en gewoonten zooveel mogelijk moet schikken. Zoo liet
ik het reuzinnetje zich nuttig maken, liet haar de muggen vangen,
die nog onder het net gekomen waren en liet mij door haar met een
waaier koelte toewuiven, terwijl altijd een der wakende eeredames
op hoogst krenkende wijze toezicht hield. Ik lag gemakkelijk op den
vloer, waar matten en een deken op waren uitgespreid, en spoedig
hoorde ik nog slechts onduidelijk het ruischen van de branding,
't suizen van de palmen en het gonzen van onschadelijke muskieten.
Toen ik den volgenden morgen wakker werd, zat de taupo reeds met
een versche kokosnoot in de hand vóór mij, sloeg die vlug met een
steen stuk en verkwikte mij met den koelen inhoud, een natuurlijke
vergoeding voor 't gemis van ijswater.
Na een plechtig afscheidswoord vertrok ik, nadat ik met de taupo nog
geschenken had gewisseld, waarbij ik een uit boomschors gevlochten
deken ontving, en nadat ook het hoofd, behalve mijn dank, een paar
lawa-lawa's had ontvangen. Toen ik hem ten slotte nog met de taupo
photografeerde, bereikte zijn voldaanheid het toppunt, en hij was
er niet af te brengen, mij nog een eind uitgeleide te doen, fraai
aangedaan met een der nieuwe lawa-lawa's en een mooie, roode parasol,
die ik den vorigen avond reeds had opgemerkt, zooals ze midden in de
hut als sieraad boven van de zoldering neerhing.
De weg langs de zee was even mooi en aangenaam, als hij gisteren in
het binnenland warm en inspannend geweest was. Steeds liep hij langs
het strand onder de hooge, ruischende palmen; rechts hadden wij de
schitterende, effen zee en altijd koelde een lichte zeewind onze
slapen, zoodat men zich geen heerlijker wandeling kan voorstellen.
Een diep in het land dringende baai staken wij over met een boot van
het hoofd, zulk een smal vaartuig met uitslaande bladen, die er met
haken aan verbonden zijn en 't schommelen beletten moeten; maar toch
kostte het mij een paar onvrijwillige baden, vóór ik geleerd had,
elke beweging, hoe gering ook, te vermijden, omdat dan telkens de
kano omslaat.
In de langs den oever liggende dorpen vielen de vele groote, steenen
kerken in het oog; op elke 40 hutten was er wel één kerk, blijkbaar
een veel te zware uitgaaf voor deze menschen, die zoo weinig bezitten
en zoo weinig behoeften hebben.
Het was juist Zondag, en alle kerken waren gevuld met Samoanen in
half europeesche, leelijke zendingspakjes; als geestelijken deden
veelal samoaansche zendelingleerlingen dienst.
Mijn tolk, die ook zulk een post als ideaal zich voor oogen had
gesteld, zou eigenlijk vandaag rustdag hebben willen houden, daar een
vroom Samoaan des Zondags alleen zijn huis mag verlaten, om ter kerk
te gaan en van 's morgens tot 's avonds in den bijbel moet lezen. Doch
dit hielp hem bij mij niet hoewel ik toch 's middags rust liet houden,
toen ik het dorp Sioeme had bereikt.
Door het hoofd Atanoa, een imponeerende verschijning met een verstandig
gezicht, en de dikke taupo Antoa werd ik precies op dezelfde wijze
ontvangen als den vorigen dag in Sanapoe. Een vaste uitdrukking
schijnt te wezen, dat het jammer is, zoo weinig beschikbaar te hebben,
wat goed genoeg is voor den gast, terwijl dan dadelijk daarna een
weelderig maal wordt opgedischt.
Ik had den volgenden dag eigenlijk tot Salany willen gaan, maar even
te voren, in het dorp Faleoeloe, trof ik zulk een aardige kleine
taupo van twaalf jaar, dat ik besloot, mij liever aan haar zorgen
toe te vertrouwen. Spoedig verloor het aardig kind haar aanvankelijke
bedeesdheid; zij voederde mij met ambitie en vertelde met een blosje,
voor zoover dat bij haar huidskleur mogelijk is, dat ze heel mooi
kon dansen.
Ik knoopte dien wenk in mijn oor, om het hoofd te verzoeken, 's avonds
een siva, feest met nationale dansen, te geven. Bij zoo'n genoegen
in 't vooruitzicht was het natuurlijk te vergeefs, dat het hoofd van
Salany in eigen persoon met een reusachtigen kawawortel uit zijn dorp
overkwam met verzoek, toch bij hem te komen, daar Mataafa wel eens
denken kon, dat hij mij niet had willen opnemen. Ik stelde den man
gerust, verzekerde, dat ik overtuigd was van zijn goede bedoeling,
maar liet mij niet overhalen, mijn kleine taupo te verlaten en haar
dansen niet te bewonderen.
Na een half uur van toilet maken verscheen mijn vriendinnetje met haar
dienstvrouwen in feestkleedij. Wel was dit toilet meer negatief dan
positief, want het bestond bijna alleen uit den glans van het kokosvet,
waarmee het geheele lichaam ingesmeerd was, en uit bloemen en kransen.
De dans zelf maakt geen diepen indruk, als men hem voor 't eerst ziet
uitvoeren. Eerst zitten de deelnemers allen naast elkaâr op den grond
en bewegen de armen en het hoofd op de maat; dan gaan enkelen opstaan
en dansen stilstaande, waarbij de meisjes 't handgewricht buigen en
de mannen bewegingen van dieren nadoen.
Den volgenden dag zette ik den prettigen weg langs de kust voort tot
Amaile, het grootste dorp van het district Aleipata, waar ik door het
hoofd op een feest werd genoodigd. Wij hadden er een overvloed van
allerlei heerlijks, drie varkens, een groot aantal kippen en allerlei
lekkernijen, en de siva of danspartij ontbrak niet. Bij het dorp,
waar Mataafa woonde, verlieten wij de zuidkust, om door het oerwoud
weer aan de noordkust uit te komen, die veel armoediger is. Hier en
daar maakten wij van booten gebruik voor zeetochtjes. In Talefa zag
ik nog een aardig tooneel van badende samoaansche kinderen aan het
strand, en denzelfden avond wachtte mij een aangename verrassing,
want in het huis van het hoofd had men bij mijn aankomst een stoel en
tafel, die hoog onder het dak opgehangen waren, voor mij naar beneden
gehaald, en men bewees mij door die voortbrengselen der beschaving,
dat ik dat deel van Apia weer bereikt had, waar de europeesche invloed
zich doet gelden.
AANTEEKENING
[1] Tekst en illustraties ontleend aan Ernst Weber, Vom Ganges zum
Amazonenstrom, Berlin, Dietrich Reimer (Ernst Vohsen).