Victoria scheidde zich namelijk van Nieuw Zuid Wales af uit vrees, dat

het als rijkste provincie te veel in de schatkist zou moeten storten,

en Sydney heeft dat nooit vergeten, vooral omdat het de oude moederstad

is, terwijl Melbourne, eerst vijftig jaren oud, moderner en beter

gebouwd is en zich daarom ver verheven acht boven het ouderwetsche,

reeds meer dan honderd jaren oude Sydney. Thans was de verhouding

bijzonder gespannen, omdat beide steden hoofdstad wenschten te worden

van de australische federatie. De vijandschap ging vroeger zoo ver, dat

reizigers, die de slaapwaggons van de lijn Sydney-Melbourne gebruikten,

midden in den nacht werden gewekt en uitstappen moesten, daar de

elkaâr vijandige staten geen vreemde wagens over de grens lieten komen.

Elken morgen bijna reed ik uit mijn aardig hôtel op de hoogten van

Darlinghorst aan de Wooloomooloobaai per fiets naar het tien mijlen

zuidelijk gelegen dorp La Pérouse, waar ik afstammelingen aantrof van

de oude oerbewoners der landstreek, door de regeering hier geplaatst,

bij wie ik ijverig les nam in het werpen met den boemerang.

Dit eigenaardig wapen hebben de inboorlingen van Nieuw-Holland

uitgevonden, en nergens anders op de wereld is het in gebruik. Het

vormt met den kangoeroe en het merkwaardig vogelbekdier een

der typische eigenaardigheden van Australië. Het smalle, vlakke,

hoekig gebogen stuk hout is in alle drie afmetingen gekromd, en men

vervaardigt het, door het vochtige hout met geweld te draaien en

bij het vuur te harden. Vooruit geworpen, slingert het om zichzelf,

wordt ten gevolge der krommingen bij elke draaiing door den tegenstand

der lucht een weinig uit zijn koers gebracht en keert eindelijk in

een wijden boog tot den slingeraar terug. De inboorlingen kunnen het

meestal behendig in de lucht grijpen. Zeer ver en juist kan men werpen

tegen een lichten wind in, daar dan de boemerang als een vlieger door

den luchtstroom wordt gedragen. Ondanks de lichtheid ontwikkelt het

hout door de snelle draaiende beweging bij het treffen tegen een of

ander voorwerp een kracht van beteekenis; zoo zag ik vrij dikke takken

af knikken door het scherpkantige werphout, en ik geloof wel, dat men

met den zwaren oorlogsboemerang, die echter alleen rechtuit kan worden

geslingerd, een mensch den schedel kan verpletteren. Met hun breede

neuzen en grove trekken maken de inboorlingen geen aangenamen indruk.

De meest gewilde verdere uitstapjes hebben plaats naar de Blauwe

Bergen van Nieuw Zuid Wales, die men bereikt door een spoorwegrit

van eenige uren naar het Westen. Er is daar dicht bosch en men wordt

er aan het Thüringerwoud herinnerd, doch zonder de vele bewoners. Ik

had eerst plan, de streek per fiets te bereizen, maar bleef na korten

tijd reeds steken in de sneeuw en verdwaalde buiten dien, daar de weg

niet te herkennen was, omdat er niemand langs was gegaan, sedert de

sneeuw gevallen was. Den geheelen namiddag en een deel van den avond

marscheerde ik in ééne richting verder, steeds met mijn wiel aan de

hand, zonder een mensch of een huis aan te treffen. Des te meer wild

zag ik, toen de maan was opgekomen, en ik was verbaasd over de groote

menigte kangoeroe's, die ik opjaagde. Reeds 's namiddags kruisten

velen mijn weg, en het maakte een allergrappigsten indruk te zien,

hoe de groote dieren met de kleine kopjes het eene achter het andere

aan in lichte en toch verre sprongen voortijlden, daarbij de lange

staarten op en neer bewegend.

Toen ik reeds had besloten om maar vuur te maken en mij voor een

kampeering in te richten, bereikte ik ten slotte nog een gehucht,

waar ik door vriendelijke menschen gastvrij werd opgenomen.

Lang zat ik met den heer des huizes, een schapenfokker, onder een glas

grog aan den vlammenden haard, en hij haalde zijn herinneringen op

aan den goeden ouden tijd in Australië, toen men nog eens kon vechten

met ontvluchte galeiboeven en wilde inboorlingen. Het is opmerkelijk,

hoe snel zich in dit werelddeel de dieren en planten vermenigvuldigen,

die er ingevoerd zijn. De schapen bijvoorbeeld, die nu den grootsten

rijkdom van Australië uitmaken; dan de musschen, die een liefhebber

onnoodigerwijze heeft ingevoerd; de distel en vooral de konijnen,

die nu zooveel schade aanrichten, dat de regeering een hoogen prijs

gesteld heeft op het vinden van een afdoend verdelgingsmiddel. Zooals

mijn gastheer vertelde, kan men zich voorloopig niet anders redden dan

door heele terreinen met een stevig draadvlechtwerk te omheinen, dat

zoo diep in den grond is aangebracht, als de konijnen hun holen graven.

Op een drijfjacht den volgenden dag schoten wij, behalve eenige

kangoeroe's, ook twee buideldieren.

Men houdt er echter in Australië meer van, de kangoeroe's te paard

met speciaal daarop afgerichte honden te jagen, waarbij dan vele

honden bezwijken onder de scherpe klauwen der vervolgde dieren. De

soep van kangoeroestaart was uitstekend; maar over 't algemeen houdt

men niet veel van het vleesch, en alleen voor het vel is een goede

prijs te bedingen.

Door de ervaring wijzer geworden, zette ik mijn reis te paard voort,

om de beroemde Jenolangrotten te bezoeken, groote, mijlenlange

druipsteenholen met prachtige kalkvormingen, het mooiste wellicht,

dat men van dien aard te zien kan krijgen.

Er was daarbij een idyllisch mooi gelegen, geriefelijk hôtel, maar

ondanks de drukke passage zag men hier eveneens op elke wandeling

kangoeroe's langs de rotsen klauteren.

Weldra verlangde ik intusschen weder naar de groote stad, vooral

omdat ik Australië spoedig dacht te verlaten.

Op de laatste dagen van mijn verblijf te Sydney deed ik veel pogingen,

om een zeilschip te vinden, dat bij zooveel mogelijk Zuidzee-eilanden

moest aanleggen, want de ware poëzie der Stille Zuidzee en haar

eilanden meende ik alleen per zeilschip te zullen genieten. Maar al

mijn zoeken liep op niets uit.

De weinige zeilschepen, die er waren, gingen òf rechtstreeks naar

Zuid-Amerika òf naar de eene of andere afgelegen eilandengroep en

terug, zoodat ik daar dan een halfjaar of mogelijk wel een jaar zou

hebben moeten wachten, tot er eens toevallig een ander schip langs

kwam. En zoo besloot ik dan, voorloopig tot Nieuw-Zeeland de gewone

poststoomboot te nemen, die den volgenden dag in zee zou gaan.

De vaart naar Auckland op het Noordeiland van Nieuw-Zeeland, die op

vier dagen beslag zou leggen, eischte zeven dagen voor zich en was

zoo stormachtig, als ik nog nooit iets had meegemaakt. Warme spijzen

konden eenige dagen lang in 't geheel niet klaargemaakt worden,

alles wat niet zeer zorgvuldig was vastgesjord, rolde door elkaâr en

bracht den niet uitkijkenden passagier builen en schrammen toe. In

't bed moest men zich laten vastbinden, als men niet telkens weer

eruit geslingerd wilde worden, en in den salon stond het water bijna

een voet hoog, als een bijzonder hooge stortzee een der deuren naar

het dek had opengerukt.

De meeste passagiers waren verheugd, toen ze in de haven van Auckland

weer in de frissche lucht op dek konden komen. Boven hadden de golven

ook niet zonder resultaat gewerkt; twee booten waren weggeslagen,

en alle mogelijke andere dingen, die buiten den rand van het dek

uitstaken, waren weggevaagd.

De eerste blik op Auckland imponeert niet. De stad lijkt een engelsche

havenstad van middelbare grootte, en ofschoon de reiziger van te voren

weet, dat hij in een stad komt, waar bijna alleen Europeanen wonen

en die modern is gebouwd, toch zal hij altijd weer een teleurstelling

gevoelen, omdat het eerste Zuidzee-eiland, dat hij betreedt, zoo weinig

heeft van die eigenaardigheden, die hij met het begrip Zuidzee-eiland

verbindt.

Het deel der kust, waar de stad is gelegen, verheft zich nog al hoog,

en van de hoogte, heeft men een ruim uitzicht over de zee, alsook

naar de andere zijde, naar het vriendelijke, boschrijke binnenland,

waar zich talrijke uitgebrande vulkanen verheffen.

Hoog in de hoogte staat het Museum, waar men, behalve de beenderen

van den uitgestorven reuzenvogel Moa, de vele gereedschappen en

werkstukken van de oude bewoners, de Maori, vinden kan. Interessant

zijn de lange booten voor oorlogsgebruik, waarin vijftig en meer

roeiers achter elkaâr kunnen zitten. De Maori's zijn het eenige volk

der Stille Zuidzee, dat bij het binnendringen van de europeesche

beschaving reeds op zoo hoogen trap stond, dat het in staat was,

zich daarnaar te schikken en er niet door te gronde ging. Er zijn

nog meer dan 40 000 Maori's, die 't meest op het Noordeiland leven,

en hun aantal neemt zelfs in de laatste jaren toe. Hun vermindering

was een gevolg van de bloedige oorlogen, die enkele tientallen jaren

geleden op het eiland woedden, want de Maori's hadden zich snel aan

het gebruik van vuurwapenen gewend en weerden zich dapper en behendig

tegen het voortdringen van de Europeanen.

Vooral in het aanleggen van versterkingen wisten zij zich meesters

te toonen, en de Engelschen leden in menig geregeld gevecht de

nederlaag. Tegenwoordig zijn ze in 't bezit van dezelfde burgerrechten

als de blanke kolonisten en vervullen allerlei betrekkingen. Ze zijn

ook kiezers, zij, zoowel als hunne vrouwen, want in Nieuw-Zeeland is

de vrouw, ook in politiek opzicht, met den man gelijkberechtigd, en 't

gebeurt wel, dat er meer vrouwen dan mannen bij de stembus verschijnen.

De Maori's, die ik in de straten zag, waren volkomen europeesch

gekleed; alleen toonden de vrouwen een zekere voorliefde voor groote,

bonte omslagdoeken en waren somtijds aan de kin getatoeëerd. De

gezichten waren intelligent en niet leelijk.

Om het inwendige van het eiland te leeren kennen en vooral

het zonderlinge, belangwekkende gebied der warme bronnen, maakte

ik gebruik van den spoorweg Auckland-Rotorua. De tocht ging door

bergachtig land; in de dalen weidden groote kudden, maar dat waren de

eenige dieren, die ik te zien kreeg. Wilde viervoeters zijn er niet op

Nieuw-Zeeland, evenmin als op de meeste andere Zuidzee-eilanden. Het

geheele landschap krijgt iets karakteristieks door de veelvuldigheid

der kleine hulstboompjes.

Het stadje Rotorua is beroemd als badplaats, en zieken uit heel

Australië, Oost-Azië en zelfs uit Europa gaan er heen. 't Is het

middelpunt van een groot district, onder welks dunnen bodem aanhoudend

sterke vulkanische krachten werkzaam zijn en op vele plaatsen zich aan

de oppervlakte merkbaar maken. Na van het station uit een half uur te

hebben geloopen, liet ik de verspreid liggende huizen achter mij en

kwam over een kleine rivier te Whakarewarewa, een grootere, alleen

door Maori's bewoonde plaats, zooals over 't algemeen in deze voor

hen heilige, vulkanische districten de Maori's het meest voorkomen en

nog het dichtst bij hun oorspronkelijken cultuurtoestand zijn gebleven.

Mooie, lichtbruine meisjes boden zich als geleide aan, en vol

vertrouwen liet ik mij door een kind met vriendelijke oogen brengen

naar het machtsgebied der onderaardsche krachten. Dichtbij den ingang

aan de brug lag reeds een plas, waarin het water vurig kookte en

bruiste. Toen kwamen nog een aantal andere, grootere en kleinere

vijvers, alle van meer of minder hooge temperatuur. Hier en daar

speelde de jeugd, en oude Maori's zag ik er hun pijpje rooken. Rondom

de plassen lagen de huizen, kleine houten woningen met groot,

laagafhangend dak, en fraai met snijwerk versierd. Vóór de ingangen

stonden totems, hooge palen met de beeltenissen der voorvaderen van

den huisheer erin gesneden.

De ligging van het dorp is in zoover zeer gunstig, dat de bewoners het

gemak vinden van een steeds gereed warm bad, en zorg voor brandstof

is geheel bij hen uitgesloten, want als het koud wordt, schuift men

het verplaatsbare houten huis eenvoudig naar een warmer plekje van

den grond, en in den vollen zomer gaat men meer ter zijde.

Om heet water te krijgen, behoeft men den grond slechts een klein

eindje uit te graven, en ik heb zelf eieren gegeten, die in een

eigengemaakte kuil gekookt waren.

Iets verder dan Whakarewarewa lag een grooter meer, dat ten

deele kookte en bruiste; maar het vreemdste waren de borrelende

moerassen. Deze in een donker bosch gelegen, met riet bedekte

moerassen, waaruit aanhoudend groote luchtbellen opstegen en met

knappend geluid braken, leken wel helsche machines. Alleen de

aanwezigheid der wondermooie Maorimeisjes hield mij van griezelen

terug, en het werd mij daardoor eerst duidelijk, waarom men op

dezen niet moeilijk te vinden weg geleide noodig heeft en wel jong,

vrouwelijk geleide. Nadat ik ten gevolge van deze voortreffelijke

inrichting weer Rotorua in goede gezondheid had bereikt, liet ik mij

per rijtuig naar het Geyserhôtel brengen, dat op een half uur afstands,

eenzaam, onmiddellijk bij de groote geysers is gelegen. Het was reeds

donker, toen ik er aankwam; maar toch moest ik na een sober avondmaal

weer naar buiten in de koude, om een der grootste geysers te zien,

die slechts elke twintig uren éénmaal springt.

In het maanlicht zag ik eerst niets anders vóór mij dan eenige

rotsblokken om een gat in den grond. Plotseling echter begon het te

bruisen; de aarde scheen te sidderen, één-, twee-, driemaal spoot

iets wits, eerst een voet, dan een meter hoog uit de opening, en

toen op eens ging met donderend geweld een breede waterzuil dicht

vóór mij 150 voet hoog naar boven, door den wind uiteenspattend en

aan de andere zijde neervallend. Eerst na eenige minuten zakte de

straal weer langzaam en zonk weg in de diepte, en van het prachtig

schouwspel bleef niets over dan een dof gerommel onder onze voeten.

Hetzelfde schouwspel herhaalde zich den anderen morgen onder velerlei

vormen, toen ik onder het nu al gewoon geworden geleide van een

Maorimeisje 't gebied der geysers doorwandelde. Daar zag ik ook

de beroemde Waikiteterrassen, waarvan het grootste gedeelte door

een aardbeving kort geleden werd verwoest, maar die nog altijd een

merkwaardigen aanblik bieden. Het is een groot, in terrassen dalend

veld, gevormd door afzettingen van kiezelzuur en dat naar den vorm

op een sterk verdeelden, bevroren waterval, naar de substantie op

blauw glanzend albast gelijkt.

Rondom waren talrijke geysers. Eenige spoten elk kwartier en dan

slechts kort; andere met tusschenpoozen van uren, en nog weer andere

stoorden zich niet aan bepaalde termijnen. Voorzichtig naderde mijn

geleidster de openingen altijd van den windkant; maar toch dook ik soms

plotseling van schrik ineen, als onverwachts naast mij een kokende

bron luid opspoot. Nooit echter zal ik den imposanten totaalindruk

vergeten, toen ik van een hoogte de geheele streek overzag. De stoutste

fantazie kan zich geen voorstelling maken van iets, dat meer gelijkt

op middeleeuwsche afbeeldingen van de hel.

Tusschen de met donker bosch bedekte bergen was ik aan alle kanten

door zware wolken stoom omringd, vlak bij lag een kaal rotsgebied,

links beneden vreemde, nooit te voren aanschouwde steenvormingen,

die op schitterende watervallen geleken en vóór mij schuimden hoog de

waterkolommen op, nu eens in dunne stralen met kleine tusschenpoozen

spuitend, dan met gelijke en lang aangehouden kracht groote massa's

water omhoog slingerend, vele tegelijk soms aan alle kanten. Daarbij

was de lucht vervuld van een dof gedreun, en onder de voeten was de

grond niet vast en stevig.

Ver achter mij zag ik in den vroegen morgen de verdwijnende kusten

van het eiland Toetoeïla, waarop een amerikaansche stoomboot mij had

afgezet en dat ik te middernacht met de kleine verbindingsboot Kawan

had verlaten. Dicht vóór ons verrezen reeds de bergen van Oepoloe,

het hoofdeiland van Samoa; en heel in de verte vertoonden zich de

omtrekken van nog andere eilanden. De lucht was onbeschrijfelijk

zacht en droeg in verkoelende vleugjes heerlijke geuren van het land

tot ons over. Ik voelde voor het eerst, dat ik mij werkelijk in de

Zuidzee bevond, waarover ik zoo dikwijls had gedroomd. De kleine Kawan

stampte en slingerde geweldig, trots de kalme zee, en de meeste van de

ongeveer twintig passagiers waren zeeziek. Er waren veel zendelingen

aan boord en eenige samoaansche vrouwen met haar kinderen, volkomen

ingepakt in bonte doeken en voorloopig onzichtbaar.

Dicht naast mij op de houten bank lag het hoofdje van een aankomend

meisje, en ik kon de verzoeking niet weerstaan, voorzichtig een tip

van den doek van haar gezichtje op te lichten. Daar trof mij uit de

mooie oogen een zoo diep wanhopige blik, die van zoo innig lijden

door de zeeziekte getuigde, dat ik den doek gauw weer liet vallen en

wat met haar moeder bleef praten, een dikke, vriendelijke dame in een

europeesche babyjurk, die uitstekend Engelsch sprak en geen last had

van de algemeene kwaal.

Intusschen waren wij het eiland genaderd, en ik zag het strand geheel

bezet met hooge kokospalmen, dien echten boom der Stille Zuidzee. Lang

voeren wij langs dichte palmenwouden, die ver landwaarts in gingen,

en zelfs op de hoogten der bergen op den voorgrond teekenden de mooie

kronen zich duidelijk af tegen den donkerblauwen hemel.

Tegen den middag weken de bergen iets meer van de zee terug en wij

bereikten de open reede van Apia. Achter een rif, met schuim bedekt,

lagen eenige kleine zeilschepen voor anker en in de ondiepe zee

dichtbij het strand zag ik een grooten scheepsromp op zij liggen,

't wrak van de Adler, die vóór eenige jaren hier met een paar andere

schepen in een taifoen is gestrand.

Langs de kust lagen, vaak door palmen van elkaâr gescheiden,

veel kleine europeesche huizen en op den achtergrond verrezen

boschrijke heuvels. Al spoedig verschenen de duitsche dokter en de

douane-inspecteur in witte uniformen bij ons aan boord en daarna was

er niets meer, dat onze landing belette.

De boot, waaraan ik mijzelven en mijn bagage toevertrouwde, werd door

een gespierden reus geroeid, die alleen de gebruikelijke lawa-lawa, den

heupdoek, droeg en mij in gebroken Duitsch vertelde, dat hij vroeger

op de berlijnsche tentoonstelling tentoongesteld was geweest. Daarbij

sprak hij met ingenomenheid over de Duitschers in het algemeen en

over de vrouwelijke bevolking van Berlijn in het bijzonder en bood

mij ten slotte zijn diensten aan voor het vervolg.

Niet erg verrukt over dit door de cultuur gefatsoeneerde exemplaar

van het samoaansche ras, zocht ik een onderkomen in het beste der

drie hôtels van Apia, dat wel niet veel comfort aanbood, maar toch

een kleine inrichting had voor het nemen van een bad in de zee. IJs

was op heel Samoa niet te krijgen. Buiten mij was er nog één gast,

eveneens plezierreiziger; het andere hôtel was geheel leêg. Veel

menschen, die hier zaken doen, denken nog met weemoed aan de tijden,

waarin Samoa nog den strijd der mogendheden om zijn bezit bijwoonde,

toen er altijd veel oorlogschepen in de haven lagen, die drukte en

geld in het land brachten. Nu is er alles stil geworden.

In het centrum van de stad Apia ligt het regeeringsgebouw, en toen ik

er den gouverneur opzocht, excerceerden juist de inlandsche troepen

daar onder commando van een duitschen onderofficier. De bruine jongens

zagen er lang niet slecht uit met hun witte jas en korte broek,

met zijgeweer en karabijn; de beenen waren in den natuurstaat gelaten.

De inboorlingen, die ik in de lange straat, waaruit Apia gevormd

wordt, ontmoette, waren lang en flink gebouwd en hadden dikwijls een

zeer aantrekkelijk uiterlijk. Van alle buiteneuropeesche volken komt,

afgezien van dien der Hindoes, de gelaatsvorm van de Polynesiërs het

meest met onzen smaak overeen. De mannen waren enkel met de lawa-lawa

bekleed, droegen het haar steil omhoog en hadden het meestal roodachtig

geverfd; zooals ik later hoorde, bleeken zij het met ongebluschte kalk.

Alleen 's avonds, als zij naar de kerk gingen, moesten ze volgens

voorschrift een jasje dragen. De inboorlingen, die dwaas genoeg

zijn, zich geregeld geheel in europeesche kleeding te steken, worden

dikwijls ziek en teringachtig, vermoedelijk doordien zij er zich door

verwennen en de kleêren aanhouden, als die doornat zijn geworden

of ze onvoorzichtig en op ongelegen tijd uittrekken. De vrouwen

droegen bijna alle een lang, ruim kleed met bloote armen. Zij waren

evenals de mannen bijna altijd met bloemen getooid, hadden kransen

in het donkere haar en lange, sterk geurende kransen om den hals

en het middel. Veel Europeanen in Apia hebben samoaansche vrouwen,

met wie zij zeer gelukkig schijnen te zijn. De kinderen uit zulke

verbintenissen zijn vaak bijzonder mooi, worden vaak voor eenige

jaren naar Europa gezonden om hun opvoeding te voltooien en brengen

dan den vreemdeling in verrukking door haar lieftalligheid en de

pikante tegenstellingen in haar wezen.

De gezelschapskring van den gouverneur was maar klein, en eerst

bij een picnic, dat eenige duitsche kooplieden ons, vreemdelingen,

aanboden, werd een breeder kring samoaansche dames en kleurlingen

uitgenoodigd. In talrijke rijtuigen reed men naar buiten, naar een

in de schaduw van het woud gelegen waterval. Er kwamen daar ongeveer

vijftig personen samen en het ging er vroolijk en ongedwongen toe. Vóór

den maaltijd, die in de open lucht gebruikt werd, kregen we iets

aardigs te zien. 't Riviertje vormde onder aan den waterval een grooter

bekken met kristalhelder water, waarnaast zich een steile rots verhief,

wel 25 M. hoog. Van deze rots sprongen de dames, de eene na de andere,

in licht badcostuum in het water, zich verfrisschend in het koele nat.

De hitte was in het middaguur zeer groot; alle huizen waren tot

vier uur gesloten en niemand was dan op straat te zien. Alleen de

vroege morgenuren waren geschikt, de omliggende groote cacao- en

palmenaanplantingen te bezoeken. Daarbij kon men echter met paard

en rijtuig altijd slechts een paar mijlen ver de kust volgen; dan

werden de wegen alleen bruikbaar voor voetgangers. Daarom kon ik

ook mijn plan, om de andere deelen van het eiland te leeren kennen,

enkel te voet volvoeren en ging in het meer landwaarts in gelegen

dorp der inboorlingen geschikte menschen zoeken, die als gidsen en

als dragers konden dienst doen.

De samoaansche hutten gelijken op strooien bijenkorven, waarvan de rand

op palen van een meter hoogte rust. De ruimte tusschen de palen laat

den zeewind ongehinderd toe, en alleen bij regen wordt een sluiting

aangebracht met gordijnen van boombast en palmbladeren. De vloer

is gestampt en wordt belegd met vlakke, gladde steentjes, waarover

gevlochten matten in verscheiden lagen een prettige vloerbedekking

vormen.

Spoedig vond ik daar wat ik zocht en besloot nu, eerst dwars

door het oerwoud, dat het midden van het eiland inneemt, naar de

tegenoverliggende kust te marscheeren en dan steeds langs de zee te

gaan, waar bijna alle samoaansche dorpen aan grenzen.

Vooraf bracht ik nog een bezoek bij den ouden "koning" Mataafa, om

van hem een aanbevelend schrijven te vragen voor de andere hoofden,

door wier provincies ik zou trekken. Daar ik hoorde, dat een rok

of andere attributen van een feestkleedij door den ouden heer niet

verlangd werden, stapte ik er in mijn gewoon wit linnen pak op uit naar

Moelinoe, een smal schiereiland, dat de haven van Apia in 't Westen

afsluit en waar Mataafa met zijn trouwste aanhangers gevestigd is.

De huizen van Moelinoe geleken in bouwtrant op alle andere samoaansche

huizen; ze waren alleen wat sierlijker en grooter. Ik liet mijn

kaartje naar den koning brengen, en in hoogsteigen persoon sloeg

hij een der matgordijnen op zij, reikte mij de hand en wees mij als

zitplaats een hoop fraaie matten.

Hij droeg, als de andere Samoanen, niets dan de lawa-lawa om de heupen

en leek precies op de portretten, die ik van hem had gezien. Door

middel van een tolk, want Engelsch noch Duitsch spreekt Mataafa,

liet ik hem een paar stevige vleierijen over zijn land en volk zeggen,

waarmee hij blijkbaar in zijn schik was. Toen vroeg hij naar het doel

en het verloop van mijn reis en sprak ervan ook eens in Duitschland

te willen komen, als alles hier goed geregeld was.

Zonder dat ik behoefde te vragen, riep hij zijn secretaris of minister

en droeg hem op, een rondschrijven aan de onderhoofden voor mij op te

stellen. Denzelfden dag nog werd het mij door een lid der inlandsche

politie gebracht en, zooals ik bij de vertaling hoorde, liet het te

mijner aanbeveling niets te wenschen over.

Op den terugweg zag ik het hoofd Tamasese vóór zijn huis staan, en

daar hij mij te gemoet kwam en de hand uitstrekte, kon ik het niet

laten, ook bij hem binnen te gaan, om geen der historische grooten

van Samoa aanstoot te geven.

Den volgenden morgen toog ik met de zon op weg, om nog op denzelfden

dag dwars door het oerwoud de zuidkust van Oepoloe te bereiken. Ik

nam twee dragers mee, ieder met een bamboes over den schouder, aan

welker uiteinden in matten korfjes mijn geringe bagage geborgen was,

alleen bestaande uit linnengoed en kleêren, wat goedkoope sieraden

en speelgoed, bestemd voor geschenken aan de inboorlingen.

Van de Ganges naar den Amazonenstroom De Aarde en haar Volken, 1904 · 第 3 / 4 段