Lekt door 't boschjen, altijd versch,
En in 't vijvertje terstond
Zinkt de viskens in den mond;
Aan het beekje, dat steeds ebt[5],
En in duin zijn leven schept;
Op wiens oever goedes moeds
Nymfjes lobbren barrevoets;
In wiens kil natuur verleent
Keitjes, die men met 't gesteent
Van een welgeboren vrouw
Nimmermeer verwisslen zoû;
Op dit beekjen heeft op 't lest
Kuischheid zich een burg gevest,
En daar, uit zorgvuldigheid,
't Water drie maal om geleid.
Wit albast de vesten zijn,
Die men best bij zonneschijn
Uit de toppen blinken ziet
Van rieboordetjes[6] en riet.
Op dit slot staat een kapel,
Daar, met wind en snarenspel,
Een spierwitte maagdenrei
Mengt een Goddelijk geschrei[7].
't Licht, dat door het heilig glas
Blikkert, wordt van maagden-was
Nacht en dag steeds aangevoed.
't Wyrook ruikt er wonder zoet.
Maar der kunstenaren geest
Zweeft en leeft er aldermeest,
Hier de naald en daar 't pinceel,
In tapijt en op panneel.
Bij een kristalijne bron,
Schijnt Suzanne, kuischheids zon,
Te beschreyen 's levens licht,
En verwenscht het geil gezicht
Van twee grijzerts, die, vol brand,
Dingen naar het heilig pand,
Dat z' haar man heeft toegewijd.
Ziet eens, hoe de schaamte strijdt!
Hoe ze worstelt met de dood,
Om zoo dierbaren kleinood
Te bewaren ongeschend
Voor den bruigom, die ze erkent.
Elders, als een morgenstar,
Blinkt de bruid van Potifar,
En, aantrekkelijke pop!
Rukt, verliefd, voor Jozef op[8]
Haren boezem, daar het beeld
Van iet weeldigs inne speelt;
Boezem, die naauw aangeraakt
Hand en vingers zalig maakt.
Boezem, daar een afgods vriend,
Die op Isis'[9] feesten dient,
Om het offer zou versmaân,
En voor 't outer zich ontgaan.
Maar ziet ginder, hoe d' Hebreeuw[10],
Vliedt van 't lichaam, blank als sneeuw,
En zijn mantel onbesmet
Laat aan 't overspelig bed.
Elders ziet men, hoe Lucrees[11],
Als een doodshoofd, bleek van vrees,
Als het anders niet mag zijn,
Wordt ontheiligd van Tarquijn;
Wederom hoe zij terstond
Mettet staal haar zelven wondt,
En betuigt[12] het kuisch gemoed
Met de sprenkels van haar bloed.
Elders Dafne, lauwerboom,
Schaduw jont den waterstroom,
En haar voeten allebeî
Stronkelen in slibbrig klei.
Meer van diergelijke stof
Merkt men hier, de deugd tot lof.
Wie voor Kuischheid heeft gestreên,
Leeft door 's werelds eeuwen heen.
Venus, die te Pafos heerscht,
Was de geen, die d' aldereerst'
Dempen woû vrouw kuischheids stam,
En het slot berennen kwam;
Kwam 't bestoken met haar speer,
Met een groot ontallijk heer;
't Aterlingsche dwergjen loos
Zij tot 's legers maarschalk koos,
Deze, toegerust met boog,
Tros, en pijlen, moedig toog,
Als veldhoofdman, trotsch voor aan,
Wel gemoedigd om te slaan.
Jok, en lach, en boeverij,
Lusjes, kusjes, zotternij,
Steekjes, treekjes, en gevlei,
Pronkten met zijn leverei.
Kuischheid van haar tinne zag,
Met het krieken van den dag,
Hoe ze werd becingeld dicht
Van dat eerloos hoerewicht.
Daatlijk sprak zij, preutsch en fier,
Tot Cathrijn en Dianier:
"Op, trawanten, op! en gaat,
En de valbrug vallen laat!
Boodschapt Cypris[13], in mijn naam,
Dat z' haar met haar zoon niet schaam,
Tegen mij in 't veld alleen
Half gewapend uit te treên."
Beî, na 't oopnen van de poort
Traden ze uit, Cathrijn deê 't woord,
Als ze Venus in haar tent
Vond, met 't boefjen daar omtrent:
"Pafus' groote koningin,
Met uw stokebrand, de Min,
Neemt voor lief de groetenis
Van haar, die uw vijand is.
Om t' ontgaan 't lang oorloogsramp,
Zich erbiedt ze, een vrijen kamp
Aan te gaan, en is getroost
Dy te wachten, en uw[14] kroost."
Venus' moed[15] ontzonk de ziel,
Met dat d' handschoen[16] voor haar viel;
Min greep ze op. Dees metter vaart,
Haastten weder slotewaart[17].
't Was een lust t' aanschouwen, hoe
Men van weêrzijds rustte toe,
Om te leveren den strijd,
Half bedeesd en half verblijd.
Alle vensters lagen vol
Nonne-troniën, blank en bol,
Als haar vrouw ten vederspel[18]
Uitreed op een witte tel,
Met een rijdrok[19] hagelwit;
't Kleed, dat voegt haar daar ze zit,
Met haar speer, omgord wel stijf;
Pijlen ramlen aan haar lijf.
Cypris, en haar zoon, vol moeds
Werd getrokken in een koets,
Van twee zwanen, taai van schacht,
Die de min aandreef met kracht.
Venus, in het rennen heet,
Scheurd' haar vijands opperkleed,
Maar de Kuischheid van zich stak,
Dat de punt in 't herte brak.
"Wend, och wend!" kreet Cypris doen;
Als hij zag zijn moeder bloên,
Wild' hij keeren metter haast,
Maar zij greep hem zoo verbaasd,
Greep, en smeet hem metter hand,
Schier een steenworp verre in 't zand,
Dat hij van zoo zwaren val
Hinkt, en eeuwig hinken zal.
Daarmeê raakt in rep en roer
't Leger van deze Ooster hoer;
Ieder vlucht, een ieder vliedt,
Waar zij bleef, en weet ik niet.
Maar de Kuischheid, krijgsheldin,
Reed met zege slootwaart[20] in,
Daar Cathrijn en Dianier
Haar bekransten met laurier.
_Finis_.
J. VONDELIUS.
[1] Later onder den titel _Lijfgevecht tusschen Kuischheid en Minne_
in Vondels gedichten opgenomen. Zie den aldus gewijzigden text bij
Van Lennep II, blz. 215 en volgg. De oorspronkelijke verscheen in 't
boekje _Minne-plicht, alsmede Verscheyden aerdighe en geestighe nieuwe
Liedekens en Sonnetten_. T' Amsterdam, bij J. Aertsz. Colom, 1625; in
het bezit van mijn kunstlievenden vriend Schinkel.
[2] Zoo lees ik voor _de_, dat waarschijnlijk een drukfeil wezen zal;
versta _die, welke_.
[3] Klankspeling, naar den smaak der eeuw.
[4] _beter_.
[5] _afvloeit_.
[6] Anders _raboorden, lischdodden_, of _duikelaars_ (in Overijsel
_toetebolten_); over welke verg. Oudemans _Flora van Nederland_ III,
blz. 127.
[7] Min gelukkig voor _zang_.
[8] _open_.
[9] De Egyptische godin.
[10] Jozef.
[11] De Romeinsche _Lucretia_.
[12] _getuigenis geeft van_.
[13] _Venus_; zie vroeger.
[14] Bij 't voorafgaande _dy_ ware hier _dijn_ beter.
[15] _gemoed, boezem, borst_.
[16] ter uitdaging.
[17] _slotwaarts_.
[18] Versta: van de _veders_ der pijlen; zooveel als _oorlogsspel_, of
(naar de latere lezing) _wapenspel_.
[19] _rijkleed_.
[20] _slotwaarts_.
Wijk[1]-zang.
WIJZE: Periosta.
Cathrijn, die met Diaan ten reye gaat,
Die schrander gaauw en wonder jeugdig ziet,
De lucht met galm van uw schalmeye slaat,
Of huwt uw dans aan eenig vreugdig lied,
Of bloemen leest, dicht langs de waterkant,
En Faunus, Pan, en menig Sater[2] brandt;
Of uw Godes ten dienst vaak veerskens smeedt,
Of jageres der honden koppels leidt,
En volgt haar sleep, en in uw leerskens treedt,
Als d' uchtend zilvren dauw en druppels spreidt,
Wanneer de nacht wijkt, door verborgen nood,
De schemering en 't liefelijk morgenrood;--
Zegt, wakkre nymf, die kruid en rooskens plet,
Wat lust uw jeugd aan Febus' zuster[3] bindt,
Wiens spoor gij volgt, daar zij haar brooskens zet,
Is 't, omdat gij dy[4] dus geruster vindt,
En schept geneucht, als gij aan 't jagen tijt,
Te steuren 't wild, dat uwe lagen mijdt.
Wat lust kan 't zijn te volgen winden[5] gaauw,
Ter jacht, en voor den beet van 't wilde zwijn
Te duchten? dan, in els of linden schaauw,
Schier ademloos te wenschen stil te zijn?
Wat lust is 't, als uw rei te gader dringt,
En hijgt naar 't nat dat uit zijne ader springt.
't Is gruwelijk, onnoozler dieren hol[6]
Krijg aan te doen, en 't groen te sprengen rood
Van heilig bloed, en dus te zwieren dol,
In 't bosch en voor uw vrouw[7] te brengen dood,
Haas, hind, of hert, dat in zijn nooden vaak
Veel tranen schreit, en wekt der Goden wraak.
Komt, schuwe maagd! uit 's wouds schuilwinklen[8] voort!
Leg af, 't geen bet der krijgerinnen[9] past,
Spriet[10], boog, en pijlen, die men rinklen hoort;
Leent wijzen 't oor, aanvaart der minnen[9] last,
Doolt met de rest, en borgers zeden houdt,
Daar Venus volkrijk groote steden bouwt.
Eer Cynthia[11] schept, uit haar broeders schijn[12],
Tot negenwerf een rondgeweven vlam,
Zult gij geteld met andre moeders zijn,
Als 't zieltje, dat uit uw zijn leven nam,
Hangt aan uw speen en koost en dertel steent,
Of in uw schoot van weelde spertelbeent.
[1] _Scheibeek_, de hofstede der Baaks, (waarvan de afteekening zie bij
Van Lennep t. pl.) lag bij de Beverwijk.
[2] _Boschgoden en satyrs_.
[3] _Diana_, als godin der kuischheid en van den maagdelijken staat.
[4] Verbeter u; zie boven.
[5] _windhonden_.
[6] Verouderd voor _het hol van onnoozle dieren_.
[7] _meesteres_, Diana; zie boven.
[8] Thans _hoeken_, sedert _winkel_ een geheel gewijzigde beteekenis
verkreeg (verg. echter nog _winkelhaak_ en 't Duitsche _Winkel_).
[9] Thans (door den weggeslonken verbuigings-uitgang) _krijgerin_, en
_min_.
[10] _jachtspriet, spies_.
[11] Diana (zie vroeger), maar hier als de maan.
[12] Apollo, als de zon.
Kristelijk Vrijagiëlied.
Op de WIJZE: Van Angenietje.
Teêr Katharijntje
Voor 't zonneschijntje,
En 's middags hette week,
Bij 't ruischen van de beek;
Beek, die haar jeugd na 't leven vaak verbeeldt;
Daar, frisch en koel,
Een luwe stoel[1]
De moede leden streelt.
Zij bukte neder,
En zag haar teder
En vrolijk aanschijn daar;
Doen werd ze nog gewaar
Een tweeden, die van achter haar beloert:
Met greep hij toe:
"Hoe" sprak zij, "hoe!"
Omziende wat ontroerd.
Hij sprak met eenen:
"Gij ziet den genen,
Schoon kind! gij ziet hem nu,
Voor wien gij vlucht zoo schuw.
Ik volg uw spoor; ik jaag, ik loop, ik ren;
Opdat uw geest
Weet, wien hij vreest,
Zoo luister, wie ik ben:
"'t Is waar, geen zegen
Van moeders wegen
Ik erf, noch haaf noch goed:
Hoewel zij daalt van 't bloed
Der koningen, een overoud geslacht;
Wiens roem zal staan,
Door brave daân,
En zegeteekens-pracht!"
"Maar uitverkoren,
Ik, eerstgeboren,
Mij voor geen vorsten schaam:
Als eenig erfgenaam
Mijns vaders, die met donderen rumoert;
Wiens majesteit
Geen scepters zweit[2],
Maar vier en bliksems voert."
"Laat andre blaken
Om rozekaken,
Om oogjes bruin als git,
Om 't poezelachtig wit;
Jont andren 't lijf, eer 't worm of slange knaagt;
Maar mij alleen,
En anders geen,
Uw ziel, o schoone maagd!"
"Uw ziel, o spruitje!
Als konings bruidje,
Dan zitten zal te prijk,
In mijn heer vaders rijk,
Daar staâge lust het bedde voor haar spreidt;
Daar ze onvermoeid
Verzwelgt, 't geen vloeit
Van 's bruigoms zaligheid."
Zoo suikre woorden
Haar ziel bekoorden;
Ontvonkt door deze stem,
Greep zij verliefd naar hem,
Die met een heilig spook[3] verdween gezwind.
Zij uit verdriet
Riep: "eer gij vliedt,
Koom, kust ze, die ge mint!"
[1] _zitplaats_.
[2] _zwaait_; zie reeds vroeger.
[3] _verschijning, droomgezicht_.
ZANG,
OP DE WIJZE: IETS MOET IK U, LAURA! VRAGEN.
DE POËET.
Dianier roeide in een schuitjen,
Met haar keeltjen, onder 't fluitjen
Van haar vrijer Koridon.
Doris'[1] kroost, met natte pruiken,
Fluks kwam van den grond opduiken,
En zich bakren in de zon.
Na veel zingens, dees gelieven
Beurt om beurt een lied aanhieven,
Liedjen, zonder wederga:
Zij prees 't mijen, hij het huwen,
D' een woû vrijen, d' ander schuwen;
Zij zong voor, en hij peep[2] na:
DIANIER.
"Maagden, die den rei vercieren,
Zijn als Febus' lauwerieren,
Maagden groenen als de palm.
Wat zijn vrijers woorden heden,
Hun beloften en hun reden,
Meer als krachtelooze galm?"
KORIDON.
"Maagden, die de min uitsluiten,
En hun jeugd verijdeltuiten,
Noch[3] verwekken iemands gonst;--
Men mag 't zus of zoo bewimplen,
Och! wat is het, als met rimplen
D' ouderdom het voorhoofd fronst?"
DIANIER.
"'t Voorhoofd fronst ze, die met zinnen
En gedachten slaat aan 't minnen.
Is het niet een zotte klucht[4],
Dat men laat zijn vrijheid slippen,
Om het drukken van de lippen,
Om een scharrebiers-genucht?"
KORIDON.
"Zotter is 't, 's jeugds frissche rozen
Slaloos[5] te verreukeloozen,
En den minnaar slechts te spijt,
Na goê dagen en kwâ nachten
Vreugd noch zegen te verwachten,
Maar elks laster en verwijt."
DIANIER.
"Koridon! gij meugt wat praten,
Maar ik zal u eeuwig haten;
Boeit me niet door dwaze trouw."
KORIDON.
"Dianier! 't zijn meiskens vlagen,
'k Zal u eeuwig liefde dragen,
En hoog achten als een vrouw."
DIANIER.
"Ja, zoo fluit men met verlangen,
Om het vogeltjen te vangen,
En te sluiten in een kouw."
KORIDON.
"Neen, zoo lokt het harder-knaapje
Om het afgedwaalde schaapje,
Dat hij garen hoeden zou."
DIANIER.
"Koridon! zet me op aan d' elzen."
KORIDON.
"Die malkanderen omhelzen?"
DIANIER.
"Koridon! gij zijt een boef,
Laat de maagden eenzaam peinzen!"
KORIDON.
"Dianier! hoe kun je veinzen?
Zonder vrijer, zonder troef[6]."
DE POËET.
Onder 't spel van zang en fluitjen,
Vat een stormken 't zeil van 't schuitjen,
Met sloeg 't om. Zij riep in nood.
Hij omarmde Dianiertjen,
En kreet: "water, blusch geen viertjen!"
Dronk met haar een zoete dood.
Stroom-godesjes d' uitvaart vierden,
En hen beî ten oever stierden:
Daar één graf twee lijken kreeg;
Sedert hier de zieltjes waarden[7],
En haar stemmen voeglijk paarden.
Zong zij hoog, zoo peep hij leeg.
[1] De bekende zeenimf, hier voor _waternimf_ in 't alg.
[2] Voor _pijpte, floot_.
[3] Lat. voor _en niet_.
[4] _zot stuk_ (_klucht_ niet in zijn latere, maar zijn oorspronkelijke
beteekenis, als _deel_, genomen).
[5] _achteloos_; verg. daarover De Jagers aant. in zijn _Archief_ II,
bl. 227.
[6] _geluk, heil_.
[7] _zwierven, rondwaarden_.
BEEKZANG, AAN KATHARINA.
Wijkerbietje, die bij 't beekje
Nestelt, en geeft menig steekje
Die uw honig komt te dicht[1];
Wakker nymfje! die zoo klaartjes
Met uw oogjes, op de blaârtjes
Flikkert, blikkert, straalt, en licht;--
Zeg mij, meisje! die zoo netjes,
Poezelachtig zijt, en vetjes,
Levend, helder, welgedaan!
Waarvan moog je zoo wel tieren,
Daar al de andre arme dieren[2]
Bleek en treurig kwijnen gaan?
Eet je slaatje met een eitje?
Drink je niet dan schapeweitje?
Pluk je moesjen[3] uit den tuin?
Bak je struifjes van de kruitjes?
Trek je heen, na zomerbuitjes,
Om lamprei en k'nijn, in duin?
Slaap je op dons van witte zwaantjes?
Lek je muskadelle traantjes?
Hou je een ongemeenen stijl?
Leg je in schim[4] van koele boompjes?
Droom je daar geen andere droompjes
Als van suiker uit Brezijl?
Zwem je in lachjes en genuchtjes?
Leeft uw geest in zotte[5] kluchtjes?
Springt uw zieltjen in uw lijf?
Erf je niet als heil en zegen?
Ben je juist van pas geregen,
Niet te los, noch niet te stijf?
Zeg het toch uw medemeisjes,
Vol zwaarmoedige gepeisjes,
Heel uw speelnoots algelijk;
Red die diertjens van haar tering,
Onderkruip den Haes[6] zijn neering,
En wordt dokter van de Wijk.
[1] _te nabij_.
[2] _meisjens_.
[3] _groente, kruiden_.
[4] _Schaduw_.
[5] Zoo lees ik voor _zoete_, dat niet anders dan een drukfeil of een
latere wijziging is; zie 't aangeteekende hiervoor, bl. 168, aant. 4.
[6] Den Wijkschen geneesheer.
OP HET TROUWEN VAN JUFFROUW
MAGDALENA VAN ERP[1] MET JUSTUS BAECK.
Veel Baken staan ten toon voor u en ieder een,
Maar deze Baak is nu voor u, o Maagd! alleen.
[1] De jongere zuster van Hoofts vrouw.
OP DEN HEER
JUSTUS BAECK EN MAGDALENA VAN ERP.
Gij ziet hier Justus' beeld en 't beeld van Magdaleen,
Doch ieder half; waarom? twee halven maken een,
Één eenig hart, één wil, één zelven lust en leven;
Men ziet dees eenigheid in twee paar oogen zweven
En zwieren: Erp verstrekt een spiegel van heur Baeck.
Zoo spreekt de stomme verf: mij dunkt, ik ken hun spraak.
OP MEVROUW, DE DROSTIN VAN MUIDEN,
KRISTINE VAN ERP[1].
Beluit Kristijn met droeven zangk,
Zij volgde dichtst[2] den cymbelklank
Van Swelink[3], onder al
Het maagdelijk getal,
En won elks hart, als een slavin
Van ieders rust, en geen Drostin
Van Muidens hooge slot.
Zij erv' haar prijs bij God!
[1] Den 6den Juny 1624, op 33jarigen leeftijd, aan de tering overleden;
verg. Hoofts _Brieven_ I, bl. 244.
[2] _kwam het meest nabij_.
[3] Zie boven, bladz. 154.
OP DE AFBEELDING VAN HANS DE RIES[1].
Uit 't wezen leering straalt, alleen ontbreekt 'er 't leven
Van hem, die God ons als een kleinood heeft gegeven:
Die, van zijn wiege tot zijn' grijzen ouderdom,
Den bouw betrachtte van 't bouwvallig Kristendom;
Die storm op storm versmaânde, en uitstaande als een sterke,
Verstrekt een heilzaam zout en licht in Kristus' kerke.
[1] Leeraar der Waterlandsche Mennonieten te Alkmaar; geb. te Antwerpen
in Dec. 1553. Zie zijn Levensbericht en afbeelding in Schijns _Gesch.
der Mennonieten_ II, bl. 482 v.v. (Daar het portret reeds in 1619
door Mierevelt geschilderd werd, kan ook dit bijschrift, even als het
volgende, reeds van een jaar of wat vroeger zijn).
OP DE AFBEELDING VAN LUBBERT GERRITSZ.[1]
Gij, Kriste wormkens! die ploeg-ijzers maakt van zwaarden
En sprengt[2] in 's Drieheids naam alleene den bejaarden,
Ziet uwen leeraar hier, zoodanig van gelaat,
Hoedanig hij zelf was, die, na der kerken vrede[3],
Zoo vierig een halve eeuw eens leeraars ampt bekleedde,
En Kristus vruchten wan[4], door onverganklijk zaad.
[1] Hans de Ries' boezemvriend, leeraar der vereenigde Waterlanders te
Amsterdam. Geb. te Amersfoort in 1535, overl. te Amsterdam in 1612.
Zie aldaar, III, bl. 1 en vv. (Het portret werd in 1607 door Mierevelt
geschilderd).
[2] _doopt_.
[3] Die van Augsburg, in 1555.
[4] Thans _won_.
OP URBAAN DEN ACHTSTEN[1].
Wat Godheid vol ontzags is dit,
Die daar op zeven bergen zit,
En zwaait, met zijne rechte hand,
Dien bliksemstraal, en gloênden brand,
Vervaarlijk als de Dondergod?
Terwijl hij, uit het hooge slot,
Een ieder handelt[2] zoo beleefd[3],
En streelt, en smeekt[4], en zegent, heeft
Hij onder zijn schabel[5] gebracht
En zolen 't oorloogsforsch geslacht;
En, trapplende op 't gekroonde hoofd
Der grootste koningen, verdooft
Het gloeyend purper van den raad
Der vadren, die rondom hem staat;
Gelijk 't gestarrent[6] flaauwt en daalt,
Zoo ras de zon in 't Oosten straalt
Van goud en rozen, uit haar troon.
Verhuist Jupijn met al de Goôn?
En vaart hij uit den Hemel, om
Het kapitool, zijn heiligdom,
Te gaan bezoeken? wat gezag
Brengt de eerste tijden voor den dag,
En voert den ouden Numa[7] weêr
Te Rome, met zoo groot een eer?
En levert Rome weder aan
Den grijzen Numa onderdaan?
Terwijl 't gemoed dit overleît,
Zoo luistert mij mijn geest, bereid
Te baren, en gedreven door
Iet Hemelsch, dit al stil in 't oor:
"Dees is de groote sleutelvoogd
Van 's Hemels poorte; rust nu; poogt
Niet meer te weten; buig uw kniên,
En kus zijn voeten, wijd[8] ontzien."
Te Rome, met den ingang des gulden jaars 1625.
Vertaald uit mijn broeders[9] Latijn.
[1] In 1623 Paus geworden.
[2] Thans _behandelt_.
[3] _minzaam_.
[4] _vleit, vleyend bejegent_.
[5] _voetbank_.
[6] _gestarnte_.
[7] Koning Numa Pompilius van Rome.
[8] verre.
[9] Willem van Vondel (verg. boven, bladz. 118b, aant. 2), die zijne
hoogere studiën te Orleans met het Doctoraat in de Rechten was gaan
bekronen, en daarop, naar Italië getrokken, nog negen maanden lang aan
de school te Siëna verbleef.
OP "DE LEDIGE UREN" VAN DEN GEESTRIJKEN HEERE CONSTANTIN HUYGENS[1].
De groote Constantijn[2] mag brallen op zijn tronen
En op 't geheiligd goud van Oost- en Wester-kronen;
Maar gij, o Constantijn! de Fenix van ons Hof[3],
En naamt zijn kronen-goud niet voor uw lauwer-lof.
De keizer bouwde een stad[4], om met zijn naam te pralen,
Gij bouwt Apollo's kerk in vierderhande talen[5].
Geen stad bewaart den naam (zij stort of zij verbernt),
Maar de opgehangen lier in 't midden van 't gesternt.
[1] Onder den Latijnschen titel _Otia_, in zes boeken, in 1625 in 't
licht gegeven. Verg. voorts Hoofts' schrijven aan Huygens, _Brieven_
II, bl. 450.
[2] De Romeinsche keizer.
[3] Als geheimschrijver des Prinsen.
[4] Constantinopel.
[5] Zinspeling op Huygens' Latijnsche, Italiaansche, Spaansche, en
Hollandsche verzen.
Correcties gemaakt door de bewerker
pagina originele tekst correctie
149a mij te wederstreven. mij te wederstreven."
149b zich boeyen liet en binden. zich boeyen liet en binden."
151b, n14 (boven, bladz. 35a) (boven, bladz. 34a)
152a Dat niet nit 's Hemels boek, Dat niet uit 's Hemels boek,
156b, n53 bl. 146b, aant. 3. bl. 154b, aant. 3.
160a halfland-meerminnen half land-meerminnen
160b, n31 Geboortedicht, bl. 136. Geboortedicht, bl. 150.
161b, n61 bl. 159a, aant. 15. bl. 160a, aant. 15.
163a, n3: verwijzing onduidelijk. Er is geen aant. 12 op pagina 153a.
164a Trooische daken steken. Trooische daken steken."
169a voetnootnummer mist [1]
169b wijd[8] ontzien. wijd[8] ontzien."
169b mijn broeders[9] Latijn, mijn broeders[9] Latijn.