Mijn oog te keurig dwaalt[3]; hier lacht een beemd vol bloemen.
O, Amstelnymfen, helpt! Wat[4] Hemelsch drijft mijn geest.
Vlecht hoeden[5] en ontsteekt de tortsen van dees feest.
Dat zoo veel geesten, als 'er leven in mijn aderen,
Naar boven zwevende in mijn harsenen vergaderen!
Zij zijn 'er al, ik voel 't, een God bezit mijn ziel,
En opent 't schoonste, dat een kiesch vernuft beviel.
God Jupiters gemaal[6] bewaakte d' Amsterdammers
Met haar zorgvuldig oog, na veel geleden jammers,
Te liever, mits de wraak[7], verbitterd tegens recht,
Hun lage vesten tot den grond toe had geslecht:
Want wat toch was verbeurd aan 't goddeloos omhelzen
Te wreken van een graaf, die 't edel huis van Velzen
Getrappeld had op 't hart, en zulk een vrouw verkracht,
Die eerlijk was gehuwd en roemde op haar geslacht;
En graaf, die, kweekend een verbitterde gemeente[8],
Den ouden adel[8] hoonde, en kwetste ze in 't gebeente!
De zuster van Jupijn de stad hieromme was
Met gunst genegen, en herbouwde ze uit haar asch:
Zoo dat ze jong te prijk, met 's keizers[9] kroon bepereld,
Zat tot verwondering der gansche Kristen wereld,
En laadde op zich, om al haar handel en gewoel,
Den nijd van nabuursteên, gewijd ten konings-stoel:
Maar Juno, niet vernoegd, als die met grooter gaven
Haar burgers eeren woû, begaan was, om 's lands haven
Te schuimen van gevaar, dat over 't scheepsvolk hing,
Wen, na behoude reis, dik[10] vloot op vloot verging,
Door tweêr[11] Sireenen zang, wier liefelijke lippen
En snaren Palinuur[12] verlokten op de klippen.
Zij stuurden eb en vloed, en breidelden de zee,
Zoo dat vast weêr en wind most luistren naar dees twee,
Het bloed van Kallioop[13]; d' een, om haar ongenade,
Genoemd werd naar heur aarden strengheid Tessel-schade.
Saturnus' dochter[14] dan, met dezen last bezwaard,
Hier op den breeden raad der Goden had vergaârd,
Die overleîden 't vast en vonden zich verlegen:
Want Juno dreef haar stuk, Apollo stond ze tegen.
Zij dong op deze wijze: "o, vader van de Goôn!
En gij, wier majesteit vereert den hoogen troon
Des grooten Dondergods! de spijt verrukt mijn zinnen
Wen ik gedenk, hoe twee half zee-, half land-meerminnen[15]
Bestrijden een Godin, wiens toornigheid vertsaagt[16]
Den opperste, die moed[17] op zijnen bliksem draagt.
Mijn stad, wiens burgers staag als wakkre mieren krielen,
D' ondragelijke schâ moet boeten van de kielen,
Die stranden reis op reis, en stooten op den grond,
Wanneer ze zeilen gaan 's lands haven in den mond:
Of rijen[18] op de ree, in pekelschuim gedolven,
En staan de barning uit der schrikkelijke golven,
Al t' eiselijk aan 't woên geraakt, door spel en zang
Van deze zustren, zoet op onzen ondergang.
En waarom zit ik traag, die lang behoor te wreken
't Geleden leed? of zou 't aan onze magt ontbreken?
Dat tuig' de Frygiaan[19], die t' Argos zit geboeid,
Priaams geslachtboom, tot den wortel uitgeroeid:
Dat tuig' de bastertzoon[20], ten leste vrijgevochten
Dwars heen door afgronds spook en leelijke gedrochten,
Door zoo veel ongevals en ramps, hem voor de scheen
Gesprongen, om mijn spijt te wreken aan Alkmeen[21].
En slechtte ik niet tot puin Karthago's hooge vesten?
En slaan we rijken niet met doodelijke pesten,
En met het scharpe zwaard van bittren hongersnood,
Die de arme zondaars pijnt met een gerekte dood?
Ik had Neptuun getergd, dat hij 't zich zoude belgen,
En door een zeegedrocht dien havenvloek verdelgen,
Tot heil van Amstelland, en wasdom van den staat:
Maar ben, 'k en weet niet hoe, veranderd van beraad,
En leg[22] vast over[22], om, door zachte hylikswetten
En bruiloften, haar hart en zinnen te verletten[23],
Door kuische en heilge zucht om telen haars gelijk.
Dat dan voor dit besluit mijn eersten ijver wijk',
En dees vergadering, na ernstig overwegen,
Dit stemme, en daartoe spreek' een algemeenen zegen!"
Zij zweeg en hoorde toe. 't Gemompel ging rondom.
Elk overwoeg 't; aleen Apollo zat 'er stom,
En kropte zijn verdriet, en toonde zich t' onvrede.
Ten leste rees hij op, en borst met deze rede
Op Juno's voorstel uit: "Nooit onbeschaamder eisch
En klonk 'er uit 't gestoelt van 't hemelsche paleis.
Heeft Ganimeed te mild zijn stiefmoêrs brein beschonken
Met nectar, dat ze raast, als waar ze dol en dronken?
Wat overschrijdt ze 't perk? wat vordert ze op mijn recht?
Wat mikt ze op 't zuiver wit, daar geen geschut op hecht?
Wat sticht ze hemelbrand, dien niemand uit kan lesschen?
T' onbillijk eischt ze 't puik van alle priesteressen,
Apollo toegewijd, die, door het gansche jaar,
Bewyrooken zijn kerk, en eeren 't hoog autaar
Met versche kransen, bont gespikkeld en gevlochten,
Met geuren, die ze ons ooit godsdienstelijk toebrochten,
Zoo dik zij blaken deên een zuiver offervier,
Naar zede geperruikt met heiligen laurier.
Zwijg Juno! die u toont zoo ruw en onbescheeden[24].
Zij zijn aan mij verloofd door dier gezworen eeden.
Mijn dochters, wacht[25] uw dienst! mijn koorgewaad u dekk',
Dat geen kerkschennis u besprenkel noch bevlekk';
Mijn feest uw zorge zij! volhardt in mijn gezangen:
En gij[26] voornamelijk, wiens schrandre zinnen hangen
Aan Tasso's heldenstijl, wiens assche gij beroert,
En zoo hoogdravend[27] door ons Holland spelen voert,
En durft met Godefroy[28] den oorloog u getroosten,
En hitst de Westersche slagordens aan[29] het Oosten,
En noopt[30] den klepper, die het stof omwroet verhit,
En schuimbekt op zijn draf, en knabbelt het gebit.
Gij mede, mijn Sibyl[31]! die namaals nog zult melden,
En zetten op 't autaar het hoofd van Hollands helden,
't Welk worstelde met raad, en, dapper van gemoed,
Voor 't recht des vaderlands vergoot zijn edel bloed.
Geen God noch geen Godin beroof me van dees panden.
Mijn voedsterkinders zijn 't, zij voên mijn offeranden,
De galm van snarenspel haar mond volgt, vol van God,
Mijn vloeren zij betreên, mijn tempel is haar lot[32]."
Neptuun hier door gesteurd, borst harder uit en grover:
"Wat geest drijft Cynthius[33]? wat dwaasheid komt hem over,
Dat hij der Goden raad wil meestren met zijn stem,
Als of elk luisteren most naar hen niet, maar naar hem?
Als waar zijn woord een wet? of leert hij ons nu schuwen
De bruiloften, en zet de kuischheid boven 't huwen?
Zoo deê hij zeker niet, toen Dafne, langs den stroom
Van Peneus ademloos, veranderde in een boom;
In eenen boom, dien hij, noch minnend, met zijn armen
Zoo liefelijk omhelst, en arbeidt[34] te verwarmen.
Zoo deê hij zeker niet, toen 't bosch van Pelion
Met pijnbooms-schaduw hem zoo dicht niet dekken kon,
Of d' een of d' andre nymf wist datelijk[35] te zeggen,
Hoe hij Cyrene daar den gordel af deê leggen,
En versche rozen las, gedoodverfd van de schaamt,
En kreukte 't kruidje, vrij wat stouter dan 't betaamt,
En zette ze in zijn kar, van waar ze mocht beschouwen
Thessaliën, en al de omliggende landouwen.
En waarom luidt dit vreemd? hij aardt toch naar Latoon,
Meer dan zijn zuster doet, en draagt zich als een zoon
De moeder heel gelijk; ontloochent hij dees treken,
De knapen, die gekruifd[36] hem melden[37], zullen spreken."
De Zeevoogd sprak dit niet, of d'[38] hemel was gesplitst:
En hoe men langer keef, te feller rees de twist.
Wat bleef' er ongerept? wat dorst men niet verwijten?
Van schaamte krompen de klaarblinkende tapijten.
Jupijn bleef onverschoond, zoo ging 't er schendig toe:
Men smaalde op zijn beerin[39], men schrolde op zijne koe[39],
Op Danaë, bewaakt van honden, graft, en toornen,
Op Kadmus' zuster[40], die den stier hing aan zijn hoornen;
Ik zwijg van Ganimeed, en andre ranken[41] meer,
Al wrokkende opgeveild, doch luttel, tot zijn eer:
Zoo dat de diepe zaal te barsten scheen van 't razen:
Want 't ging er als een zee, van winden opgeblazen,
Niet machtig meer zich zelf, als die geen strand en houdt,
En ziedend het gestarnt besprenkelt met haar zout;
Wanneer den stuurman 't roer niet langer koomt te stade,
Die nu drijft reddeloos op 's onweêrs ongenade:
Of als in 't vlakke veld d' aanschennende trompet,
't Geknarsetand van 't staal, naar billijkheid noch wet
Doet luisteren den moord, wiens breidelooze benden
Gaan weyen in een oegst van allerleye ellenden.
Maar toen der Goden hoofd de daken van de lucht
Betoomde, en zette neêr het onbetoomd gerucht,
Heeft Mars vol viers de zaak, tot Juno's baat en voordeel,
Aldus hervat: "Elk een die wachte zich, een oordeel
Te vellen over 't pleit en 't hangende geschil,
Dat niet rechtmatig stemt met mijn vrouw moeders wil,
Of 'k zweer, dees degen zal haar smart en wonden heelen;
Dees stoelen[42] zijn gescheurd te bitter in twee deelen,
Waar van het strengste leunt en helt op onze zij;
Daar steun ik zeker op, dat oogt alleen op mij.
Ik moedig ze de borst, om rustig aan te spannen,
En d' overigen hoop van zijn gezag t' ontmannen.
Geen wetten gelden hier, noch heilig oud gebruik;
't Belieft ons, 't zij genoeg; dat elk voor moeder duik'.
Al zou de trotsche troon van Jupiter ten leste
Zien storten al de Goôn van 's Hemels hooge veste:
Het eertijds glinstrend goud, 't welk nooit iet sterflijks zag,
Ontluisterd door veel stofs, beweven van het rag
En spinnekoppenweb; de laaggezeten menschen
Den outer weigeren de wyrooken, met wenschen,
Met zuchten, met gebeên en aandachts zout gemengd,
En allen dienst geschort, die zaligheid toebrengt."
"Zacht, zacht, al hoog genoeg!" riep Liber[43], "wij verwarren
Door 't schelden meer en meer; die 't vrije hof der starren
Beheerschen wil met kracht, vermeesteren met dwang.
Die brouwt des zelfs bederf, en haast ten ondergang,
Noch smaakt iet goddelijks; al is 't, dat wij bekleeden[44]
Het purper en rood goud van dit gestoelt, en treden
Op vloeren van turkois en flonkerdiamant,
En zetten met een wenk de rijken naar ons hand;
Wij zijn met eed verplicht, en onderling verbonden
Aan wetten, eens gesmeed om niet te zijn geschonden;
Wie los maakt dezen band, een houvast van den staat,
Daar oogt men op, als een die toeleît op verraad,
En wetteloos zich durf[45] verzetten tegens d' orden,
En van een rijksgenoot een vijand zij[45] geworden.
Men moet 't bijzonder en 't gemeen met onderscheid
Recht schiften, en voor al in dit zwaarwichtig pleit:
't En staat 't gemeen niet vrij, te keeren het bijzonder
Recht tot zijn eigen baat, of 't bovenste raakt onder.
Een beyert[46] leit er, wilme' ontstrenglen dezen knoop.
Ik zie den Hemel woest, de machten overhoop,
Ten zij men zachter ga: dus laat zich de Godessen[47],
Wie zuiverheid gevalt en eeuwigdurend lesschen[48]
Van Venus' minnevlam, verklaren in de zaak;
Op dat men niemand kwetse, en eindelijk de wraak,
Van 't wrokkend ongelijk verbitterd en bezeten,
Maak rechter van haar leed, te dol en Godvergeten."
Toen dees Godinnen tijd om spreken was gegond,
Daar lang om was gejankt, zoo riepen ze uit één mond:
"Waar staan we, voor wiens troon? 't is ver genoeg gekommen,
Nu men in twijfel trekt 't oud recht en de eigendommen,
Ons toegestaan van 't hof, en[49] d' Oppermajesteit
Der hemelvoogden zelfs, die trouw en heiligheid
En waarheid en eenvoud omhelsden, toen ze zwoeren,
Die[50] om[51] meineedigheid de bliksemslingers voeren,
En dondren naar beneên, en barsten uit een wolk,
Tot schennis van in deugd hen overtreffend volk!
Die[52] 't spierwit nonnenkleed uittrekken durf[53] en woeden,
Ontblooten durf[53] van vreê veel Hemelsche gemoeden,
Versteuren allen plicht, die de eer der Goôn ophoudt.
Waar toe godvruchtiglijk autaar en kerk gebouwd?
Waar toe met kerkgebaar de inwijding onzes tempels,
Indien ons lust nu sticht, nu vier geeft[54] op ons drempels?
Dees twee Sibyllen, ooit[55] een uitgelezenst puik,
Met onverwelkte blaân beschaduwd om de pruik,
Zijn veel te dier verplicht; zij strengelen en breyen
De kransen van ons eer; de dansen zij beleyen
Der reyen nimmer moede, en koesteren den zwarm,
Wiens ijver onvermoeid houdt de offersteden[56] warm.
Wij stemmen 't nimmermeer noch laten 't ons behagen!"
Jupijn, beducht voor veede[57] en droeve nederlagen,
En in zich zelven gram, verrijzend uit den dut[58],
Zijn bliksemzwaayend hoofd tot driemaal vreeslijk schudt.
Waardoor al wat 'er zat sprietoogde, van de stralen
En 't weêrlicht, schitterend in 's Hemels diepe zalen,
Geslagen met ontzag. Ten leste werd gehoord
Des grooten Vaders stem: "Wie zijt ge, die verstoort
Der zaligheden rust door al te hevig woelen,
En jaagt den lieven vrede uit dees geruste stoelen?
Of mijne gemalin, 't geen zij te strenge dreef,
En Delius[59] 't geding alleen aan mij verbleef,
Dat ik ze als middelaar op 't voegelijkst mocht scheyen,
Men vond misschien een weg tot redding tusschen beyen."
Na rede en wederrede en onderling beraân,
Werd de uitspraak aan Jupijn van weêrzij toegestaan,
Die dus het vonnis velde: "Apollo zal gedoogen
Het huwelijk van haar, wier opgeslagen oogen
Zijn Godheid eeren; doch en zal in allen schijn
Dit tot zijn nadeel niet te verr' getrokken zijn,
Alsof hij afstand deê van 't recht hem opgedragen.
Ook zijn door 't juk des echts dees nymfen niet ontslagen
Van koor en kerrekdienst; daarbij zal de eerste vrucht
Van 't bruiloftsbed, geteeld in 's levens vrije lucht,
Apollo zijn gewijd!" hij zweeg, en daar op loegen
De onsterfelijke Goôn, en dronken met genoegen
Malkandren vrede toe; "waartoe zoo veel geschils
En oorloogs!" riepen zij, "Jupijn gunt ELK WAT WILS[60]."
Men scheidde zonder twist: doch Febus, in 't vertrekken,
Sprong morrende op zijn kar, en deê de paarden rekken.
Het aardrijk, door geen droef en donker voorspook, ras
Gewaar werd, dat om hoog wat groots besloten was.
Een paar op vetten roof wel afgerechte valken
Twee duiven voerden weg, en kwamen ze verschalken,
Op 't hooge torendak, dat Schreyers Hoek bewaakt[61].
De schildwacht, toen 't gestarnte aan 't vallen was geraakt,
Van verre in 't zeilrijk Y, met lachende geschater,
Een waterlandschen rei zag trippelen op 't water,
Met fakkelen vercierd en nimmer dorre blaân.
En de oude burregwal, die hoorde een blijde zwaan
Geluid slaan met haar keel, die zij zoo kon bedwingen,
Alsof ze eens uit de borst het bruiloftlied wou zingen.
De wijngaard aan de straat, geleid van maagdenhand.
Tot daar 't gehemelt dekt de nonneledekant[62],
Hing zwanger, in een nacht, van rijpe muscadellen:
Waaruit men mocht de vreugd van 't nakend huwlijk spellen.
Ik kreeg aan 't huwelijk ook kennis in den droom.
Twee zusters zetten zich op 't uiterst van den stroom:
D' een, uit een parkement of half gerolde cedel,
Las noten[63] met haar galm, en d' ander met een vedel;
Waar op een heele zoô dolfijnen onvermoeid,
Als door Arions harp bekoord, kwam aangeroeid;
De twee vrijpostigste voor andren nader zwommen.
De jonffers schrijelings uit dartelheid beklommen
De visschen glad van huid (ik dacht, hoe wil 't hier gaan?),
Die na een keer of twee haar voerden Noordwaart aan,
En gaven zich in 't diep; de doodsche[64] maagden kreten,
En daar meê was de lust van zang en spel vergeten,
't Muziekblad en de veêl ten beste voor den vloed.
D' een reikte d' andre toe met d' armen het gemoed.
Zij huilden vast om hulp en redding, maar ze ontbrak er,
En door dit droef misbaar ontsprong[65] ik en werd wakker.
Een wijl hierna geviel 't, toen dezer dochtren geest
Kerkplechtig bezig was, om vieren 't jaarlijksch feest[66]
Met lofzang en gebeên, gelijk ze 't noô versloffen,
Dat d' een, van 't kerkgewelf, werd in de borst getroffen,
Met geen geveêrden schicht, maar gloeyendige kool
Of kogel, haar gegund[67] van eenig kleen pistool.
Zij zwijmde voor 't autaar, eer dat haar de oudste redde,
Die greep de doode, en droeg ze op 't hylikschuwe bedde.
"Ach, zuster!" sprak zij, "ach! wat deert u? is het ook
Een flaauwigheid, gevat van een vergiften rook[68]?
Of is het hart benaauwd, om dat uw ijver heden
Al t' ijvrig heeft gevast, geworsteld met gebeden?"
"Neen," zuchtte 't levend lijk, "dit is 't niet, dat me schort;
Mijn boezem is vol viers, mijn ziel gepijnigd wordt.
Breng drank, breng lafenis! 't zijn enkel heete kortsen,
Mijn boezem is vol brands; wat blaken mij al tortsen!"
In 't end rook Anna, hoe die korts[69] haar oorsprong nam
Ui geen onkuischen brand, maar eerelijke vlam,
En eerst[70] gezette zucht tot huwen en tot telen.
Zij troost haar al bedrukt; zij voert haar zinnen spelen,
Of zij verleyen[71] mocht dat opzet door bericht[72],
En zong ze voor den lof van kuische maagdeplicht:
Helaas! maar al vergeefs! Vergeefs men om wil stooten,
't Geen eenmaal van den nood gestemd[73] is en besloten.
Dit bleek eerst, toen de faam op Schreyers-toren zat,
En "bruiloft, bruiloft!" blies, en noodigde al de stad
Op 't schaterend banket, beluit met zoete rijmen[74].
Van 't Noorden[75] Krombalk kwam, verzelschapt met God Hymen,
Met heele en halve Goôn; van 't helder Oosten trad
God Jupiters geslacht[76], op zijne gaven prat,
Met zang en snarenspel voor bruids en bruigoms voeten,
Om met een bruiloftlied 't gelukkig paar te groeten.
[1] Voor _Bruilofts-_ of _Huwlijksfakkels_.
[2] November 1623.
[3] _heeft te veel keurs, weet niet wat te kiezen_.
[4] _Iets_.
[5] _kransen_; zie vroeger.
[6] Thans verouderd voor _gemalin_. Juno (Jupiters zuster en gade) was
van ouds de huwelijksgodin.
[7] Na den dood van Floris V. Vondel springt hier vervolgens met "der
keerlen God" vrij aristocratisch om. Daar hij echter van Juno, in
haar aangegeven waardigheid, spreekt, kan hij wel niet anders dan den
vermeenden hoon van Velzen bitter hekelen.
[8] Zie de vorige aant.
[9] Of liever Roomsch-konings (gelijk Van L. te recht opmerkt), haar in
1489 door Maximiliaan voor bewezen dienst geschonken.
[10] Thans alleen in zamenstelling (_dikwerf, dikwijls, dikmaal_,
enz.) gebruikelijk, maar van gelijke beteekenis.
[11] _Van twee_.
[12] Zie boven, bl. 16a, aant. 164.
[13] De muze van 't Heldendicht, hier waarschijnlijk om de door Tess.
ondernomen vertaling van Tasso vermeld; verg. lager.
[14] _Juno_.
[15] Naar Van Lenneps opmerking, denkelijk om hare woning bij den
Schreyerstoren, half boven 't water.
[16] Thans _doet versagen_.
[17] _trots, roem_; verg. vroeger.
[18] _voor anker liggen_; zie bl. 138.
[19] _Trojaan_.
[20] Van Jupiter, Hercules; Juno was, als men weet, weinig malsch op
dat punt.
[21] Hercules' moeder.
[22] Min juist voor _overleg_, daar, bij dergelijke overdrachtig
gebezigde woorden, het voorzetsel onafscheidbaar is; minder door
een "gril" van 't taalgebruik (gelijk V. L. wil), dan wel als de
natuurlijke werking van den niet meer levenden, maar, door die
overdracht, als verstijfden woord vorm.
[23] _in te nemen, af te leiden_.
[24] _onbescheiden_.
[25] _bezorgt, doet_.
[26] Tesselschade; zie boven.
[27] Voor _verheven_; zie vroeger.
[28] Tasso's hoofdheld, Godfried van Bouillon.
[29] _tegen_.
[30] _spoort, aanzet_.
[31] Anna: zie boven, in haar Geboortedicht, bl. 150.
[32] _deel, bestemming_.
[33] Apollo.
[34] _zich moeite geeft, tracht_.
[35] Thans _dadelijk_.
[36] _gekruld_.
[37] hem (als hun vader) _verklappen_.
[38] Zoo lees ik voor _de_, dat mij (met de verharding der h) eene
latere wijziging schijnt, maar den zin onverstaanbaar maakt.
[39] De nymfen Calisto en Iö.
[40] Europa.
[41] _stukjens_; verg. vroeger.
[42] _zetels, plaats_.
[43] _Bacchus_.
[44] _bezetten_.
[45] Voor _durft_ (of liever _dert_) en _is_.
[46] _bayert, chaos_.
[47] Diana en Vesta.
[48] Rijmshalve voor _dooven, versmoren_.
[49] Versta: _en nu_.
[50] Versta: _nu die_.
[51] _voor_.
[52] _Nu die_.
[53] Voor 't meerv. _durven_, maar waarschijnlijk met het oog op de
_Oppermajesteit_ van zes regels vroeger.
[54] _wellust nu behaagt en offert_.
[55] Wellicht zal men _ons_ moeten lezen, daar 't volgende _verplicht_
anders geheel in de lucht hangt.
[56] _offerplaatsen_.
[57] _twist_ (anders _veete_); van 't verloren _veën_ of _viën_,
vanwaar ook _vijand_.
[58] _mijmering_; zie vroeger.
[59] _Apollo_ (als, naar de overlevering, op Delos geboren).
[60] Vader Roemer Visscher's welbekende spreuk.
[61] Zie boven, bl. 160a, aant. 15.
[62] _het maagdelijke bed_.
[63] _zong_.
[64] _doodsbange_ of _bleeke_.
[65] _sprong ik_ (uit den slaap) _op_.
[66] Dat van Paschen, naar 't schijnt.
[67] _toegediend_.
[68] _reuk_.
[69] _koorts_ (gelijk _torts_ voor ons _toorts_).
[70] _pas_.
[71] _afleiden, afweren_.
[72] _toespraak_.
[73] _bepaald_; zie vroeger.
[74] Spreek uit met open i.
[75] Uit Alkmaar.
[76] Versta: _dichters en zangers_.
Bruiloftlied.
1.
Gij waart, heer bruidegom! een pronk-beeld van ivoor,
Dat reuk derft, smaak, gezicht, gevoelen, en gehoor;
Waar in, door goochelkunst, de schim van 't leven zweeft,
Doch[1] pols, noch aderslag, noch roering[2] in zich heeft.
2.
Maar als u Tessel-schade, uw helft, te beurte viel,
Doen daagde uw zon, en 't lijf ontving ter feest zijn ziel.
Het sterflijk werd verknocht met zijn onsterflijk deel;
't Was stuk-werk, daar gij nu voltooid zijt, en geheel.
3.
Wij zien 't, hoe goddelijk u dees Godin omvangt,
En hoe gij aan haar taal en wijze lippen hangt,
En luistert naar een God, die zijn geheim ontsluit,
En wichelt[3] door den mond van uw gewijde bruid.
4.
Bruid! die uw lief omhelst met onbevlekte trouw,
Verleent, door ommegang, uw minnaar zulk een vouw
En glans, dat hij met u versmâ dees ijdelheid,
En 't goud, en 't purper krenk' dat Ganimédes spreidt.
5.
Doch vóór uw hemelvaart uit 's werelds moord-spelonk,
Erft Amsteldam een spruit, waar in, wat in u blonk,
Erkend wordt, als ze draagt 't geen in u heerlijk is:
Opdat er nog een ster schijnt in dees duisternis.
[1] Versta: _doch dat_.
[2] _beweging_.
[3] _orakelt_.
OP TESSELSCHADES HUWELIJK
MET
ALARD KROMBALK.
"Geeft Tesselschade baat"
Sprak Adelaart "aan 't land,
Mijn schip is dan te laat
In Tessels schoot gestrand."
Op een Trouwpenning.
Naar het aanschijn van de zon,
Aller hemellichten bron,
Keert de zonnebloem haar oogen;
Bij dat stralende verschiet,
Is 't al duister, wat ze ziet,
Ééne houdt haar opgetogen.
ANDER.
Om den akkergrond te bouwen,
Laat den olmboom wijngaard trouwen;
Zinnebeeld van 't huwelijk.
Waar gepaarde' elkander minnen,
Zal men jaarlijks vruchten winnen;
Eerbare echt is zegenrijk.
Op een Trouwpenning[1].
"O Heer!" spreekt Abrams knecht,
"Geef zegen tot dees echt,
En wijs mij Izaks bruid."
Rebekka treedt voor uit,
Door ordening des Hemels,
En laaft hem met zijn kemels.
[1] Hoewel van onzekere dagteekening, laten wij, met Van Lennep, beide
volgende rijmpjens, als van gelijke strekking, hier volgen.
ANDER.
Een Engel uit Gods troon
Geleidt Tobias' zoon,
Ter plaats, daar hij oprecht
Met Sara treedt in echt.
Met waken en gebeên
Verzaamt dit paar bijeen.
Op de Dood van
JONKVROUW
MACHTELD VAN KAMPEN[1].
De Mai, veraard[2] en slinksch, die trof ons maagdepuik,
O Machteld! toen zij u benijdde 't jeugdig blozen.
Een andre bloem verwelkt, gesneden van haar struik;
Maar, blanke lelie! och, in 't midden van de rozen,
Men u, op uwen steel, zag flaauwen en bezwijmen[3],
Die waart des vrijers wensch, der oudren zoete hoop.
Uw geest gebluscht is, en de fakkel van uw Hymen!--
't Is kostlijk, dat[4] om goud noch tranen is te koop.
[1] De uit Hooft en Huigens' Gedichten bekende Amsterdamsche Schoone.
[2] _ontaard_.
[3] Zie boven, bl. 153a, aant. 12.
[4] Versta: _dat, wat_.
Op 't Vertolken van Bartas[1]
DOOR DEN HEER
WESSEL VAN BOETSELAER,
VRIJHEER EN BARON TOT ASPEREN.
Onduitsche pleiters, zwijgt! Gij hebt uw taal vergeten,
Gaat, haalt uw moeders tong, en kakelt dan op 't hof;
Komt school bij Boetselaer; die heeft vertaald met lof
In plat[2] en zuiver Duitsch den Fenix der poëten.
Spreekt zoo, wanneer gij dingt[3], zoo zal uw landsman weten,
Hoe zijne zaken staan. Ontleent geen vremde stof.
Uitheemsche Walen[4] schuwt! en maakt het niet zoo grof,
Dat wij nog kalk voor steen aandragen, dat wij zweeten[5].
Gemeenebest, schep moed! een vrijheer, een baron
Bouwt uw vervallen spraak, en rijst, gelijk een zon,
Die, rijk van vier en glans, het hoofd heft uit de kimmen.
En gij, Jupijns geslacht! hoe wel bekomt u dit,
Dat in der Staten Raad zoo groot een dichter zit,
Die Febus' lauwerhoed[6] verdient, na 't moeilijk klimmen.
[1] Zie boven, bl. 77a, aant. 4. Boetselaer gaf in 1623 _D' eerste
Weke_ in 't licht.
[2] _eenvoudig, rond_.
[3] _pleit_.
[4] Fransche woorden, gelijk maar al te veel in de rechtstaal in zwang
waren; tenzij men 't (met Van L.) als _keuze_ ('t Hoogd. _Wahl_)
opvatte.
[5] Zinspeling op de Babylonische spraakverwarring.
[6] _krans_.
OP DEN BURGERKRIJG DER ROMEREN,
DOOR DEN HEER FISCAAL STORM
UIT LUCAAN VERTAALD.
Wat vordert[1] Brutus' deugd, dat zij de dwingelanden
Uit hunnen zetel rukt, en breekt de tronen af,
En sticht een vrijen Staat, nadat ze nu den staf
Tarquijn geweldig heeft gewrongen uit zijn handen!
Als 't Roomsche volk zoo dol zijn eigene ingewanden
Gaat rijten met het staal, dat eertijds wonden gaf
Uitheemsche vijanden, en draagt naar 't duister graf
Verkregen rijkdom, met gemengde[2] en bloênde handen.
De staatzucht eens soldaats was veler helden dood,
En Rome een hard gelag, als 't aanzag en most lijen,
Dat Cæsar, met laurier omvlochten, op zijn koets
Keerde uit de slachting van zoo brave burgerijen,
Als ooit Italië gekweekt hadde in zijn schoot.
Hij won 't gebied, maar met verlies van zooveel bloeds.
[1] _baat_.
[2] Voor _strijdende_ (verg. 't Hoogd. _Handgemenge_).
NEREUS'[1] VOORSPELLING
OP
Den Ondergang van Troje;
UIT HORATIUS.
Toen de trouwelooze herder[2]
Zijne huiswaardin Heleen[3],
Met de vloot van Ide[4], heen
Over zee sleepte, altijd verder,
Bond God Nereus, naar zijn' zin,
Dus de snelle winden in,
Om dien droeven val te spellen:
"Och! hij voert, ter kwader ure,
Thuis, die met een oorloogstocht
Wordt hereischt, en thuis gebrocht
Van den Griek en nagebure;
Die, gestoord om 't ongelijk,
Zwoer, 't aloude Priaams rijk,
En uw bruiloftsfeest te storen.
Och, hoe zweet soldaat en ruiter!
Och, wat haalt ge den Dardaan[5]
En zijn volk al plagen aan!
Pallas wapent den vrijbuiter[6].
Wagen, helm, en beukelaar
Rust ze toe, en raast. Voorwaar,
Gij zult u vergeefs verlaten
Op den bijstand der Godinne[7],
En uw lokken kemmen fier,
Spelende, op uw bloode[8] lier,
Wijzen, die uw lief en minne
De ooren kitlen, en om niet
In uw kamer vliên 't geschiet
Van den Griekschen boog en schichten;
Voor[9] Kretenzer punt en pezen,
En 't gedruisch van Ajax' vaan,
Die u kort volgt achter aan;
Maar ten leste als een verwezen,
Zult ge uw overspellig[10] haar
Zien begruisd van stof, te naar.
Ziet ge Ulysses niet van achter,
Die uw huizen komt vernielen?
Ziet gij ouden Nestor niet,
Die van Pylus derwaarts schiet?
Teucer zit u op de hielen,
Van zijn eiland Salamin;
Sthenelus zet dapper in,
Afgerecht op oorelogen;
Afgerecht op paardemennen,
En den wagen in den slag;
Wat vorst Merion vermag,
Zult gij levend[11] leeren kennen;
Forsche Diomedes' zwaard,
Trotscher dan zijn vaders aard,
Raast, en streeft om u te vinden.
Gij, een suffert en vol schromen,
Zult, al hijgende van smart,
Voor hem vluchten, als een hart,
Dat den wolf in 't dal ziet komen,
En zijn grazen ras vergeet.
Anders luidt de heilige eed,
Uwe schoone bruid gezworen!
De verbolge vloot en kielen
Van Achilles rekken lang
Trojes tijd en ondergang,
En der joffren tijd en zielen.
Na tien jaren wederstand,
Zal de Grieksche torts de brand
In de Trooische daken steken."
[1] De Zeegod; zie vroeger.
[2] _Paris_.
[3] Menelaus' door hem geroofde gade.
[4] De bekende berg in Klein-Azië.
[5] Trojaan; zie vroeger.
[6] Voor den Griekschen krijgsman.
[7] _Venus_, aan wie Paris, in 't bekende pleit, de appel der
schoonheid toegewezen had.
[8] Als geen kloek krijgsman past.
[9] Versta: _vliên voor_.
[10] Anders _overspelig_.
[11] Voor _levendig, krachtig_.
Lijkklacht
over
OVIDIUS NASO,
UIT ENGEL POLITAEN[1]'S LATIJN VERTAALD.
Hier legt een Roomsch poëet op d' oevers van Euxijn[2].
Barbarische aarde dekt de glorie van 't Latijn.
Barbarische aarde dekt den meester der vrijagiën[3],
Daar d' Ister[4] heene bruischt langs rotsen en bosschagiën,
En Rome schaamt zich niet, dat het dien hoofdpoëet
Zoo wreed mishandelde, ook veel wreeder dan de Geet[5].
Was in gans Russen[6] dan niet eenen arts te vinden,
Die hem in 't kwijnen van zijn kwalen kwam ontbinden,
Het koude lichaam stoofde, en warmde in 't zachte bed?
Of met een zoete tong dien sterrefdag verzet?
Of in het uiterste den pols tastte, eer hij scheidde?
Of een hartsterking voor den doodsnik toebereidde?
Of de oogen toelook[7], toen 't gezicht gebroken stond?
Of uit meêdoogendheid de ziel ving met den mond?
O strijdbaar Rome! gij verlette[8] de oude vrienden,
Zoo wijd van Pontus, daar hem geen van allen dienden;
Men vond'er geen, noch neef, noch dochter, nochte[9] vrouw,
Die hunnen vader troostte in ballingschap en rouw;
Recht, of hem slechts Koral[10] en sture[11] Bessen[10] kwellen,
En Geten, tegens koû gedost met bonte vellen:
Recht, of een woest Sarmaat[10], te paarde in sneeuw en koû,
Met zijn gestreng gezicht den kranken troosten zoû;
Een woest Sarmaat, wiens haar om hals en hoofd en ooren,
En wit behijzeld[12] voor 't gezicht blinkt, stijf bevroren.
Nog wordt dit lijk van Bes, Korallen, en Sarmaat,
En wreeden Geet beschreid, in dien bedroefden staat.
De bergen, bosschen, en de wilde dieren weenen,
En d' Ister, in zijn kil, onthoudt zich niet van stenen.
Men zegt, dat Pontus, hard bevroren, op dien dag
De Zeegodin ontdooid in tranen smelten zag.
De Minnegoden noch hun moeder niet ontbreken,
Met hunne fakkelen het lijkhout aan te steken.
Zij sluiten 't overschot des dichters, hier verbrand
Tot stof en asschen, in een doodvat met hun hand.
Zij gaan het grafschrift kort op Naso's grafzerk snijen:
"Dees grafzerk overdekt den meester van het vrijen."
De moeder van de min sprengt, drie en vierwerf, trouw
De rustplaats van dit lijk met geur en zuivren douw.
O, zangrei! offert en vereert dien overleden
Een lijkklacht, rijker dan mijn zangkunst kan bekleeden[13].
[1] Angelo Politiano, hoogleeraar te Florence in 't laatst der 15de
eeuw.
[2] Ovidius stierf als balling te _Tonia_, bij den Pontus Euxinus (of
_Zwarte Zee_).
[3] Als minne-dichter, en met name in zijn _Minne-kunst_.
[4] Thans de Donau.
[5] De volksstam der Geten, aldaar.
[6] _Geheel Rusland_; verg. vroeger.
[7] _dichtsloot_ (verg. nog onze _luiken_ voor de vensters).
[8] _verhinderde, weêrhield_.
[9] De oorspronkelijke, later afgekorte vorm (even als _of_ voor
_ofte, om_ voor _omme_, enz.).
[10] Onbeschaafde volksstammen.
[11] _stugge_.
[12] Voor _be-ijzeld, berijpt_.
[13] _in verzen brengen_.
GEZANG,
OP HET LATIJNSCHE WOORD
TRAHIT SUA QUEMQUE VOLUPTAS[1].
't Is den mensch als aangeboren,
Dat hij ietwes heeft verkoren;
D' een kiest dat, en d' ander dit,
Elk kiest zijn bezonder[2] wit.
Ieder heeft zijn afgod binnen,
Die hij dient met al zijn zinnen;
Niemand is ter wereld vrij
Van dees zoete afgoderij.
Elk wordt van zijn lust getrokken,
Die hem schoonst dunkt en kan lokken,
Niemand zijn natuur verliest,
Elk heeft iet, dat hij verkiest.
D' een zijn vreugd schept uit vergaren
Van de schelpen, die de baren
Strooyen langs het dorre strand;
D' ander heeft geen beter pand,
Als de rijkdom van zijn bloemen,
Van haar reuk en verw te roemen.
D' een geen tijd-verdrijf begeert
Voor het draven van zijn peerd;
Voor het springen, keeren, rennen,
En den breidel braaf te mennen:
D' ander alle ding belacht,
Om tijdkorting van de jacht,
Om, in struiken en in hagen,
't Schuwe bosch-zwijn te bejagen,
En, in de eenzaam wildernis,
't Wild steeds op zijn hakken is,
Met zijn honden en Molossen[3],
Die gaan snufflen in de bosschen.
D' een trekt met een angel-hoek
Nu een baars op, dan een snoek,
Dan een spiering, dan een voren;
D' ander acht dit tijd verloren,
En beloert de vogels schalk,
Nu in 't net, dan met de valk.
D' een verdient de lauwer-bladen,
Om dat hij der helden daden
In der Muzen tempel zong,
En te pronk haar schilden hong:
Is onledig met het lijmen,
En het schaklen van zijn rijmen.
D' ander slaat de sterren ga,
's Morgens vroeg en 's avonds spa,
Wordt door 't ondervinden rijker,
Wenscht steeds om een verder-kijker[4],
Huilt vaak eens, om dat hij niet
In den raad der Goden ziet.
D' een zal al zijn neiging strekken
Om met Mars te veld te trekken,
En treedt, als een leeuw verwoed,
Zijnen vijand te gemoet,
Daar de barsche wapens klinken,
Daar de blanke zweerden blinken;
D' ander, vliênde dit geluid,
Is een munnik in zijn huid[5],
Past op zijn gezette stonden,
Is aan 't klokzeel vast gebonden,
Acht elk minder als zich zelf,
Hangt steeds boven aan 't gewelf[6];
En 't gewijd' heeft uitverkoren,
En draait om de kerke-toren,
Als de kraayen, 't wuft gespuis,
Om de weêrhaan en het kruis;
En gaat schuw, gelijk als de uilen
In de gaten hen verschuilen,
Om het kerk-hof, daar het spenst[7];
't Is al heilig, wat hij wenscht,
Wat hij spreekt, bedenkt, beluistert;
Alle menschen zijn verduisterd,
Blind en dom, en zonder reên,
Soxes[8] is verlicht alleen.
Aldus gaat het in dit leven:
Elk wordt van zijn geest gedreven,
Elk omhelst zijns herte lust,
Die hij als zijn bruidje kust.
[1] _Ieder heeft zijn stokpaardjen_.
[2] Met klankverzwakking, voor _byzonder_.
[3] Grieksche honden-naam voor _brakken_.
[4] Zeer gelukkig, als vergelijkende trap van _verre-kijker_.
[5] _van top tot teen_.
[6] _zweeft omhoog_.
[7] _spookt_ (verg. 't Hoogd. _Gespenst_).
[8] De _bedoelde monnik_.
Gekken te hoop.
(OP 'T WOORD: DAAR IS ZOO IETS.)
Of dit òf dat, elk heeft al iet,
Tot 's naasten klein of groot verdriet:
De hanen trotschen op haar kam,
Het varken denkt: ik voer de ham,
De wevers-spoel loopt veel te knap,
Om om te zien na pelzers lap;
Maar wij Sciëntes[1] zijn geleerd,
't Is 't bonum mentis[1], dat ons eert;
Puf met het volkje zonder geest!
Wat is een leek meer als een beest?
Maar als 't al t' zaam wel is bezien,
Wat schelen doch die lieve liên,
Waar van elk trotst op zijn uitstek?
D' een is een nar, en d' aâr een gek.
[1] Latijn voor _wetenschappelijke mannen_, en het _goed des geestes_.
OP HET
VERONGELUKKEN[1] VAN DOCTOR ROSCIUS.
Zijn bruid t' omhelzen, in een beemd, bezaaid met rozen,
Of in het zachte dons, is geen bewijs van trouw;
Maar springende in een meer, daar 't water stremt van koû
En op de lippen vriest, zich te verreukeloozen[2];
Dat 's van twee uiterste het uiterste gekozen:
Gelijk mijn Roscius, beklemd van druk en rouw,
In d' armen houdt gevat zijn vreugd[3] en waarde vrouw,
En gloeit van liefde, daar 't al kil is en bevrozen.
Zij zuchtte: "och, lief! ik zwijm, ik sterf, ik ga te grond!"
Hij sprak: "schep moed, mijn troost!" en ving in zijnen mond
Haar adem en haar ziel; zij hemelde[4] op zijn lippen.
Hij volgt haar bleeke schim naar 't zalig Paradijs.
Vraagt iemand u naar trouw, zoo zeg: "zij vroos tot ijs,
En smolt aan geest, en hij ging met haar adem glippen."
[1] In 't ijs, bij een poging om zijn vrouw te redden; 27 Jan. 1624.
[2] _onbeschroomd te wagen_.
[3] Zoo lees ik voor _vrucht_.
[4] _verhemelde, werd aan de aarde onttogen_.
Op Anthony Roscius.
Hier ziet ge Roscius, door trouw verongelukt,
Dat niet één Kristenhart maar heele kerken drukt[1];
Op wien Gods gaven vroeg als druppels nedervielen,
En was gezalfd tot troost van lichamen[1] en zielen:
Der kruiden kracht hij vergde en voor het lichaam las[2],
En door 't beschreven Woord de kranke ziel genas.
[1] Roscius was predikant en geneesheer.
[2] _plukte_.
STRIJD OF KAMP
TUSSCHEN KUISCHHEID EN GEILHEID[1],
GEHEILIGD AAN DE
EERWAARDIGE EN AARDIGE JONKVROUWEN
CATHARINA EN DIANIRA BAECK.
Opdracht.
Jonfers, op wiens kaakskens blozen,
Niet naturelijke rozen,
Maar die[2] zedigheid en schaamt'
Daar op dopte, zoo 't betaamt:
Die, zoo lang uw jaren rekken,
_Bakens_[3] zult ter deugde strekken:
Neemt in 't goede _Kuischheids Kamp_.
Als de rookerige lamp
Van mijn geest meer lichts wil jonnen,
Zal ik bet[4] vernoegen konnen.
Uwe verplichte
J. V. VONDELEN.
* * * * *