Dat 's een geweldenaar in Kristus' Koninkrijk;
God Vader heeft zijn feest bereid voor iegelijk,
Die in den Zoon gelooft; dat woord blijft vast en zeker.
Wat meet[1] gij u dan toe[1], o zotte logen-preêker!
O, overdwaalsch[2] tyran! schijnheilig stof en slijk!
Die dwingelanderij pleegt in eens anders wijk;
Gewetens-beudel, vrees den Goddelijken wreker!
Een oprecht harder weidt met zorg zijn lieve lammeren,
En hoedt ze voor den wolf, en zal zich hunner jammeren;
Een reukloos[3] hureling misbruikt den harder-staf,
En slaat en schopt en stoot des Heeren lieve kudden,
Verwareloost zijn wacht, in stede van beschudden;
Eens harders[4] lieflijk is, eens huurlings harte[5] straf.
[1] _matigt -- aan_.
[2] _verdwaalde, dolende_.
[3] _roekeloos_.
[4] Zoo slaat Van Lennep te recht voor, in plaats van _harder_ te lezen.
[5] _hart_.
Op een Moordpasquil,
BIJ EEN ANDER GEDICHT,
EN MOEDWILLIG OP MIJNEN NAAM GEDRUKT.
Men durf op mijnen naam uit haat in druk uitgeven,
Dat ik Mauritius[1] berooven wil van 't leven,
Ten dienst des Bataviers, om d' eere van een beeld[2],
'k Vergeef de schuld der haat, die mij dit heeft gespeeld.
[1] _Prins Maurits_.
[2] Wellicht het "Praalbeeld van den vader des Vaderlands," opgenomen
in den bekenden _Bloemkrans van verscheiden Gedichten_ (1659), blz. 36,
vv.
Op de Zangkunst
VAN
Heer JOAN ALBRECHT BAN[1].
Ay, Ban! nu zeg mij eens: wat is 't?
Wat is 't? (ay, zeg! ik zal u danken)
Dat gij, in 't bannen van dien twist
En strijd van ongelijke klanken,
Mij hooren laat dien lieven peis
Der Engelen in Gods paleis?
Mij dunkt, ik hoor in eene wolk
Het paradijs, vol nachtegalen;
Hoe schiet dat schoon gevederd volk
Mij in het oor zoo blijde stralen!
Wie blaakt[2] mijn hart? och, Ban! ik smilt
Van toonen! kinders, gunt mij stilt'!
Is nu de Blink[3] in Tabors schijn,
En Gods Jordaan te zien in 't Sparen,
Daar Jezus' zangers bezig zijn
Met galm van wind en hemelsnaren?
Wie blaast dien galm? wie streelt die snaar,
Dan hoog, dan laag, dan middelbaar?
Gij zult (zoo Haarlem naar den Nijl
Zich kwijten gaat van 't zalig teeken[4])
Met zulk een vijl en Englestijl
De Damiaatsche keten breken.
Wat maakt[5] de zaag voor Haarlems boeg?
Een keel vol orglen is genoeg.
[1] Zie over hem en zijne muzikale bespiegelingen, de Bijlagen op
Hoofts _Brieven_, IV.
[2] _Doet blaken_.
[3] De welbekende _Blinkert_. Ban was te Haarlem wonachtig.
[4] Van _'t kruis_. Zinspeling op Haarlems deelneming in Graaf Willems
kruistocht tegen Damiate.
[5] Germ. voor _zal, doet_.
OP MEESTER
JOAN PIETERSEN SWELINGH[1],
FENIX DER MUZIEKE, EN ORGELIST VAN AMSTERDAM.
Dit 's Swelinghs sterflijk deel, ten troost ons nagebleven[2];
't Onsterflijk houdt de maat bij God in 't eeuwig leven;
Daar strekt hij, meer dan hier kon vatten ons gehoor,
Een goddelijke galm in aller Englen oor.
[1] Omtrent 1540 te Deventer geboren, waar thans weder eene
zangvereeniging, onder zijn naam, is opgericht.
[2] Hij was den 9den Oct. 1621 overleden.
Het[1] Lof der Zeevaart,
AAN DEN HEER
LAURENS REAEL,
RIDDER, OUD-GENERAAL VAN OOST-INDIËN, ENZ.