O, Hemel! hoor naar mijne reden,

Produced by Frank van Drogen and the Online Distributed

Proofreading Team at http://www.pgdp.net

OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER:

Gespreid geprinte tekst is gemarkeerd met _liggende streepjes_. Klein

kapitaal is weergegeven met HOOFDLETTERS. Tekst in superscript wordt

voorafgegaan door een ^caret karakter. De originele spelling en

interpunctie is gehandhaafd. Een lijst met correcties bevindt zich aan

het einde van de tekst. Dit boek bevat een aantal referenties naar

andere delen uit De complete werken van Joost van Vondel, namelijk

Project Gutenberg e-book 21800, 30473, 48113, 48956 en 55929.

DE COMPLETE WERKEN

VAN

JOOST VAN VONDEL.

DAVIDS LOFZANG VAN JERUZALEM,

DIE HEERLIJKE EN HEILIGE STAD GODS,

of een Poëtische Uitbreidinge over den 122 Psalm.

Ik verheuge mij dies, dat mij gezeid is, etc.

1.

Wanneer ik over 't hoofd Jeruzalems zie hangen

Het uitgetogen zweerd, dat haren schedel dreigt:

Wanneer ik Sion zie met ketenen gevangen,

En dat zoo schoonen zon haar p'ruik ter aarden neigt:

2.

Als ik ons daken zie en muren omgevallen,

Ge-effend met het gras, dat 't leegste dal besloeg,

En 't pratte Babilon met dees[1] trofeên gaan brallen,

Die David zegenrijk den Filistijn ontjoeg:

3.

Dan sterft mijn hert van rouw, dan gaat het op een schreyen,

Dan ben ik als de sneeuw, die voor den zomer smelt[2],

Dan gaat mijn droeve ziel in 't dal van droefheid weyen,

Daar stadig eenen stroom van vochte peerlen zwelt;

4.

Maar als ik, wederom gekomen tot mij zelven,

De spitsen rijzen zie van 't heerlijk nieuw gebouw,

Den tempel en 't paleis, die prachtige gewelven,

Dan schiep ik zoo veel vreugds als voormaals was de rouw.

5.

Dan spreek ik bij mij zelf: "o, Salem uitverkoren!

Van blijdschap juicht mijn hert, van vreugd ontspringt mijn ziel,

Om dat, ik weet niet wie, mij luistren komt in de ooren:

De stad is weêr gebouwd, die voormaals neder viel;

6.

God, God heeft aangezien 't boetveerdige vernedren

Van zijn twaalfstammig volk, gevangen aan d' Eufraat,

De tempel wederom, met marmorsteen en cedren,

Den sterren 't voorhoofd biedt, en naar de wolken gaat.

7.

Het heiligdom, dat praalt met goude en zilvre vaten;

De priestren, op een nieuw, 't hoog altaar smoken doen;

Men hoort de rundren weêr en vette koeyen blaten,

Welks smeer[3] geheiligd is, om 't offervuur te voên.

8.

Klimt op in 's Heeren huis, klimt op in 't huis des Heeren!

Van onzer vadren stad de poorten open staan;

Laat 's priesters lippen u Gods wet en zeden leeren,

En aan zijn voetschabel roept uwen Koning aan!

9.

O, uitverkoren stad! o, moeder aller steden!

Door 's Hemels schikking zelf, niet bij geval gesticht,

Tot een bijzonder eind, door 's Oppersten beleeden[4];

Gij zult mijn doelwit zijn, en stof van mijn gedicht.

10.

O, eere van Judeên! o, zetel van de stammen,

Die met den heilgen glans eens Godheids zijn bekleed!

Gij blinkt met 's konings kroon en 's tempels heilge vlammen,

Dat elk een, die u ziet, van u te spreken weet.

11.

Den ijver mij verslindt, en krenkt bijna mijn zinnen,

Wanneer ik vieren help op 't statigst 't hooge feest;

Dan ben ik naauwlijks mensch, maar een der Cherubinnen,

Mijn lichaam is wel hier, maar elders mijnen geest.

12.

Men ziet een wereld hier van menschen t' zamen dringen,

Van wijd en zijd te hoop vergaderd op een steê:

Gelijk de vloeden, die van hier en daar ontspringen,

En geven zich op 't lest uit de engten in een zee.

13.

De priesterlijke rei, welriekende van 't smeeren[5],

Uitmuntende in cieragië, elks aanzicht tot zich haalt,

In rokken, gordels, hoên[6], en geschakeerde kleêren,

In goud en klaar gesteent' het oog bijna verdwaalt.

14.

't Slachtoffer, eerst gehecht, geknoopt aan 's altaars hoornen,

Met zijn warm ingewand het heilig plat beslaat;

Den Hemel, die zich om 's volks zonden ging vertoornen,

Op de offeranden ziet, en zich verzoenen laat.

15.

Daar vangt dan 't loven aan, daar zingt men Gode psalmen;

De wind, het snarenspel, en 't Goddelijk muziek

In 't hangende gewelf doen de Echo wedergalmen;

Dan juichen ze als om strijd met d' Englen algelijk.

16.

God Jacobs! roepen zij, van kalveren noch stieren

Kan 't uitgestorte rood afwasschen onze smet,

Maar een veel eedler bloed van 't slachtschaap goedertieren,

Ons allen tot een zoen en offer voorgezet.

17.

Wij zien alleen op Hem, op Hem alleen wij oogen;

Hij wordt door deze dienst ons levende afgebeeld.

O, komt MESSIAS! komt, en helpt ons onvermogen,

Op dat de schaduw vliê, die ons voor d' oogen speelt.

18.

Lof, lof zij Gode en 't Lam, dat, eer de sterren blonken,

Ons met zijn dierbaar bloed hem zelven heeft gekocht;

Heft als gevleugeld op uw herten leeg gezonken,

En draagt des hoogsten roem ten wolken in de locht.

19.

O, peerle van het rijk! o, hoofdstad uitgelezen!

Noch zwijge ik, dat in u van elpenbeen en goud

Staat, vol van majesteit, de rechterstoel gerezen,

Daar elk zijn vonnis haalt als Juda vierschaar houdt.

20.

Hier dringt men voor 't paleis: d' een moet den koning spreken,

En d' ander hem te zien is al zijns herten wensch:

Zoo fluks hij zich vertoont, is elks gemoed bezweken,

Als hij meer God gelijkt dan eenig sterflijk mensch.

21.

Dat Memfis 't hoofd inhaal, en vrij den moed laat dalen

Voor 't glinstrende kasteel, dat in de bergen ligt;

Dat Sidon niet eens droom dees spitsen t' achterhalen,

En Tyrus elders wend' haar schaamrood aangezicht.

22.

Zij pronkt gelijk de bruid eens konings hoogverheven,

Kleinoodje is haar sieraad, en purper hare dracht;

Den Hemel scheen verliefd zijn trouwe aan haar te geven,

En heeft om dees Godin alle andere steên veracht.

23.

Zij schijnt een Paradijs, omhelsd van zilvre beken,

Een Eden, daar het mann' aan 't hout des levens groeit,

Een riekende prieel, dat, nergens bij geleken,

Geen wintervlagen voelt, maar altijd jeugdig bloeit.

24.

Zij treedt gelijk een paauw, wiens schemerende schachten

De schoonste voglen zelf ontluistren heel beschaamd.

Maar zacht, mijn zangeres! daar schiet in mijn gedachten,

Dat zij geen roem ontbeert, die alsins[7] is befaamd.

25.

't Zij, dat ik dan aanzie, dat binnen uwe wallen

't Hoofd Levi vet gezalfd, en Juda wordt gekroond:

Dat ze elk, naar haren staat, op 't alderheerlijkst brallen,

En dat d' een 't Heiligdom, en d' ander 't Hof bewoont:

26.

Het zij, dat ik aanzie, dat gij begrijpt de kooren

Van 't blinkende gewelf 't welk Gode is toegewijd,

Daar d' Hemel de gebeên der heilgen wil verhooren,

En als wij zijn vervloekt ons weêr gebenedijdt[8]:

27.

Het zij, ik u aanschouwe als 't beeld, dat ons naar 't leven

Een stad voor oogen bootst, waarvan dat[9] ieder een,

Elk een die van de geest des Heeren wordt gedreven,

In 't lest der dagen wordt een levendige steen:

28.

Het zij gij 't munster[10] mij wilt van die stad toeschijnen

Daar onzer vadren God van is de timmerman[11],

Wiens poorten peerlen zijn, wiens muren zijn robijnen,

Een stad die eeuwig blijft, noch zich bewegen kan:

29.

Gij zijt Jeruzalem en blijft mijns herten weelde;

Dat Jacob, als hij is ontlast van Babels juk,

Van verre u heil toewenschte, en zijnen zegen deelde[12]!

Dat op uw minnaars daalde een regen van geluk!

30.

Vermits de brand des twists neêrbliksemt hooge muren,

En voorspoed in de schoot van vrede en eendracht rust,

Moet vrede in u altijd en eeuwiglijken duren,

En 't vuur des dullen krijgs steeds blijven uitgebluscht.

31.

Om onzer broedren wil, ter liefde van de vrunden,

Die gij een herberg strekt en aangename woonst'[13],

Wij hertelijker nog u vrede en welvaart gunden,

En wenschen, dat gij groeit en bloeit op 't alderschoonst'.

32.

Om d' heilge dorpels ook, die binnen uwe vesten

Geplaatst zijn, en betreên van Aärons geslacht,

Ik steeds betrachten wil al 't geen u dient ten besten,

Gelijk een, die uw heil zijn heil te wezen acht."

DOOR EEN IS 'T NU VOLDAEN.

[1] Voor _die_.

[2] Het onderscheid door Van Lennep tusschen dit _smelt_ en 't vroegere

_smilt_ bij Vondel gezocht, is even denkbeeldig als dat tusschen

_tasch_ en Vondels _tesch_; verg. boven, bl. 42b, aant. 188.

[3] _vet_; van daar nog de naam van een bekend gebak: _smeerbollen_.

[4] Voor _beleiden, bestier_.

[5] Voor _zalven_.

[6] Voor _hoofddeksels_ in 't algemeen.

[7] _van alle zijden_.

[8] Voor _benedijt, zegent_.

[9] Naar de spreektaal.

[10] _monster, beeld_.

[11] Voor _bouwmeester_.

[12] Voor _toe-deelde_.

[13] _woning_, zie vroeger.

Grafschrift op Bredero[1].

Hier herbergt[2] 't lijf, wiens geest in kluchten muntten uit,

En[3] met veel boerterij steeds zwanger ging van hersen;

Wien Charon willig voerde om sunst[4] in de oude schuit,

Vermits de zieltjens droef nog lachten om zijn farcen[5].

(In latere lezing:)

Hier rust Breêro, heengereisd,

Daar de boot geen veergeld eischt

Van den geest, die, met zijn kluchten,

Holp[6] aan 't lachen al die zuchtten.

[1] De bekende geestige dichter Gerbrand Adriaansz. (in Bredero), 23

Aug. 1618, ruim 33 jaar oud, overleden.--Om de reeks der voorafgaande

gedichten niet te breken, bespaarden wij deze kleinigheid tot hier.

[2] _woont, huist_; verg. vroeger.

[3] Versta: _En die_.

[4] om _niet_; verg. vroeger.

[5] Fransch voor _kluchten_.

[6] Voor _hielp_.

AAN DEN BRUIDEGOM

LAMBRECHT JACOBSZ.[1]

MET ZIJN BRUID

AACHTJEN ANTHONIS (Dr.),

VEREENIGD ANNO 1620, DEN 28EN VAN HOOIMAAND.

De Schilderkunst, die praalt met duizend oude stukken,

Die aan den Tiber als Godin wordt aangebeên

Van aller geesten puik, dat vurig derwaarts heen

Zich spoedt, om met doô stof het leven uit te drukken;--

Dees[2], hoe aanlokkend, kost de zinnen niet verrukken

Van onzen schilder-geest[3], die[4], in 't gemoed bestreên,

Geen doode verw vernoegt, albast noch marmersteen,

Om een ontdoken bloem in 't Nederland te plukken.

Na veel raadslagens hij 't Geheimenis[5] dus vraagt:

"Waar mag mijn êga zijn? hoe noemt men deze[6] maagd?"

"Aacht!" galmde 't Heiligdom; dies, om nu uit te kiezen

Van duizend Aachten één, keerde onze bruîgom thuis,

En zocht zijn troost, zijn helft, zijn bruid, met druk en kruis,

En in midzomer[7] vond zijn Aacht in 't Hof der Friezen.

[1] Doopsgezind predikant te Leeuwarden.

[2] Nam. de straks vermelde Schilderkunst.

[3] L. Jsz. was als talentvol schilder bekend.

[4] Thans _dier_.

[5] Gelijk reeds meer voor _orakel_.

[6] Versta: _die_.

[7] Thans ongelukkig verloren, voor Sint Jan in den zomer; verg.

Shakspere's _midsummernightsdream_.

Gebed, uitgestort tot God

OVER

MIJN GEDURIGE KWIJNENDE ZIEKTE, A^o. 1621.

Gij die de ziekte kweekt, en doet ze weêr verdwijnen,

Aanziet een Kristen hert, belegerd met veel pijnen;

O, Vader alles troosts! gij weet en ik beken,

Dat ik een aarden vat, en broos van stoffe ben!

Aanziet de zwakheid dan van uwen armen dichter,

Mijn rouwe wonden zalft, en maakt mijn kwalen lichter;

Of, zoo 't u dus behaagt om onzer zonden schuld,

Zoo wapent mijne borst bestendig met geduld:

Dit harnas eischt den[1] nood, want jaren zag ik enden,

Maar nooit mijn zwarigheên en dagelijksche ellenden.

Dit maakt mij 't leven zuur, en mat de geesten af,

En doet ons hemelwaart vaak zuchten om het graf.

Als ik de zwaluw zie geherbergd aan de gevel

Van 't overlenend[2] huis: "o, die van d' aardsche nevel

Ontslagen," spreek ik dan, "mocht nestlen, daar 't gestarnt,

Daar 't goud in 't blaauw torkois zoo flonkerende barnt!"

Gij weet het, goede God! hoe vierig uwen zieken

Naar een gezonder locht, door 't roeyen van zijn wieken,

Opstijgen wil gezwind, of dat een van uw boôn[3]

Hem op zijn pennen draagt in uwen rijken troon.

Als ik, om tijd-verdrijf, met mijne stem ga paren

Den weêr-klank van mijn luit en zangerige snaren,

Dan dunkt mij, dat uw geest met mijnen geest getuigt,

Hoe 't heilig heerschaar Gods daar boven speelt en juicht.

Dees lust tot 't hoogste goed, dit Goddelijk verlangen,

Uit dees kwellagie wordt geboren en ontvangen.

Wij nemen dan in dank den tijdelijken druk:

Laat ons, o Heer! slechts niet bezwijken onder 't juk;

Noch laat de ellende niet te zeer ons broosheid tergen,

Noch meer als[4] het vermag, wilt niet uw schepsel vergen;

Zoo zal mijn zangeres u roemen onder maan,

En 's werelds duistre nacht en schaduwen versmaân

Om[5] 't zalig licht, tot dat de geest, van 't lijf gescheyen,

Zal weerdig zijn bekend[6], te juichen met uw reyen.

[1] Eerste naamval.

[2] _vooroverhellend_.

[3] _Engelen_.

[4] Thans _dan_.

[5] _voor_.

[6] _erkend_.

Gebed.

Uw zegen, Heer! daal op ons allen:

Bewaar ons, dat wij tot geen kwaad vervallen!

Ons zorge zoek' het rijk daar boven meest!

Nu, in den naam van Vader, Zoon, en Geest,

Genuttigd, met een dankbaar hart, te gader,

Al wat ons wordt gejond van God, den Vader!

Zijn milde hand verleent ons drank en spijs:

Men geef hem lof, en dank, en eer en prijs!

Opdracht

DER

AFBEELDINGE VAN PRINS WILLEMS GRAF[1],

AAN DE

STATEN DER VEREENIGDE NEDERLANDEN.

Voorstanders van dit land, vol weeldige[2] onderzaten,

Ontvangt, naar uwe gunst, doorluchte Heeren Staten!

De grafsteê, toegewijd aan d' asschen van den vorst,

Die streng, als Herkules, gemoedigd had zijn borst

Met haat van dwinglandije, en, op manhafte tochten,

Uitschudde 't harrenas der Westersche gedrochten[3],

Verdadigde al uw recht, en, dapper van gemoed,

Bezegelde den schat des vrijdoms met zijn bloed.

[1] Het in 1620 voltooide grafgesteente van den Zwijger.

[2] _welvarende_.

[3] _De Spanjaarts_.

Op HENRIK DE KEYZER,

DOORLUCHTIG BEELD- EN STEENHOUWER[1] VAN AMSTERDAM.

Hier leeft, die leven gaf aan marmer en metaal,

Ivoor, albast, en klei; dies laat zich Utrecht[2] hooren:

"Is Rome op keizers prat en keizerlijke praal,

De keizer van de kunst is uit mijn schoot geboren."

[1] De bouwmeester o. a. der Noorder-, Zuider- en Wester-kerk te

Amsterdam, die den 15en Mei 1621 overleed.

[2] De Keyzers geboortestad.

OP HET METALEN PRONKBEELD,

TE ROTTERDAM OPGERECHT, TER EERE VAN DEN

GROOTEN ERASMUS.

Wat wijsheid Latium en Grieken hiel besloten,

Begreep gansch Kristenrijk, zoo ras Erasmus kwam,

En schonk, met zijnen naam, aan 't nedrig Rotterdam

Een naam, naardien hij was uit haren schoot gesproten.

De stad, verheugd om de eer van zulk een zoon genoten,

Zijn rottende gebeent noch stuivende assche nam,

Maar rechtte een steenen beeld. De Nijd spoog vier en vlam,

Om haren zuigeling van 't hoog altaar te stooten[1]:

Dan och! die groote keert zich niet aan nijd noch spijt.

Geen graf bestulpt[2] zijn faam. Hij heldert[3] met den tijd.

Zijn krans groent onverwelkt en bloeit, voor afgunst veilig.

Die onlangs was van steen, nu glinstert van metaal,

En zoo de nijd zich steurt aan 's helds verdiende praal,

Wij gieten licht van goud dien Rotterdamschen Heilig.

[1] Zinspeling op het getier der kerkelijke ijveraars (Ds. Jacob de

Leeuw c. s.) tegen 't oprichten van 't beeld; waarover desbelust zie

_Passchier de Fijne, naar zijn leven en schriften_ (Den Bosch, 1853);

bl. 119 en volgg.

[2] _bestolpt, bedekt_.

[3] _neemt toe in glans_.

GEDACHTENIS VAN DESIDEER ERASMUS.

ROTTERDAMMER, AAN DEN HEER

PIETER SCHRYVER[1].

O, hooggeleerde Schrijver!

Wat kwist ge tijd en ijver,

Om op te doen 'tgeen levendig gelijkt

Den grooten Desideer, die niemand wijkt.

Hou op van printeziften;

Een stapel wijze schriften

Is d' afdruk van den held, die eeuwig leeft,

En d' aardboôm met de pen veroverd heeft.

Zijn pen dreef voor zich henen,

Uit Rome en uit Athenen,

't Barbarisch heer, een schandelijken hoop,

En oneer van den Kristelijken doop;

De zieletyrannijen,

Met gierigheids harpijen,

Den woesten krijg, de plompheid dom en doof,

De gulzigheid, en 't blinde bijgeloof.

Zijn hand die gaf de mate

Aan beiderleyen state,

Aan 't wereldlijk en ook aan 't geestlijk hof:

Zij hief de nutte kunsten uit het stof.

De doode graven hooren,

Dat Cicero herboren,

Tot onversierden[2] roem van Maas en Rijn,

Den Tiber leert zijn lang verleerd Latijn.

Wat jongen en wat ouden

Zijn niet in hem gehouden[3]!

Een bron van wijsheid vloeit uit zijnen mond,

Den gouden tolk van 't heilig nieuw Verbond.

De lang bewolkte waarheid

Herschept haar oude klaarheid,

Na roestige eeuwen, uit dit Hollandsch licht;

De doling krijgt een schaamrood aangezicht.

Zijn ziele walgt van 't werren.

Zij kiest geen dop voor kerren[4].

Al wat zij op den vasten grondsteen bouwt,

Is dier gesteent, fijn zilver, en rood goud.

Hij sticht vervallen steden,

Door Godgeleerde zeden

En tempering van wetten, glad hersmeed

Met zijne tong, die diamanten kneedt.

Om pais[5] is al zijn bidden;

Voorzichtig houdt hij 't midden,

En staroogt op 't Apostoliek gestarnt;

Daar hier Charybd en ginder Scylle barnt.

De Roomsche myterkroone

Haar allerliefsten zone

Erasmus stadig, met ontvouwen schoot[6],

Milddadig tot d' eerwaardigste ampten noodt.

Gekroonde koppen wenken[7]

Zijn gunste, door geschenken

En tittels: maar zijn veder, even vrij,

Om Kristus wraakt gehuurde slavernij.

Geen baatzucht maakt hem eigen[8],

Ook zwicht hij voor geen dreigen;

En die, zijn kruis omhelzend, eere vlugt,

Vervult met eere de ongemeten lucht.

De redelijksten zoeken

Zijn schaduw in zijn boeken;

Waarop de harteknaagster Haat-en-nijd

Belachelijk haar stompe tanden slijt.

Al is de Rotterdammer

Verlost van 't Kristen-jammer,

Zijn troostleer wischt nog vele tranen af.

De zegen Gods bedauw' zijn zalig graf!

[1] De bekende dichter en oudheidkenner P. Scriverius, die (naar 't

schijnt) zich met het zoeken naar een welgelijkend portret van Erasmus

had bezig gehouden.

[2] _onverdichten_.

[3] _aan hem verplicht_.

[4] _kern, pit_.

[5] _vrede_.

[6] _met open armen_.

[7] Rijmshalve voor _bejagen_.

[8] _eigen koning, slaaf_.

Op Erasmus.

Dus leeft Erasmus nog in schijn:

De vader van 't hervormd Latijn.

Davids Lijkklacht

OVER

SAUL EN ZIJN ZONEN.

De braafsten, die gij hebt gedragen,

O Isrel! leggen nu verslagen

Op uwe bergen. Wat geweld

Of 't puik der mannen hebb' geveld?

Verhaalt dit niet aan onz' misgonners

Te Gath, noch meldt toch d' Ascalonners

Op hunne straten 't ongeval,

Door uw luidruchtig lijkgeschal:

Om niet de maagdelijke reyen

Des Filistijns ten dans te leyen:

Dat 's onbesnedens dochters niet

Gaan lachen over ons verdriet.

O Gilboa! dat dauw noch regen

Voortaan uw hooge toppen zegen

Met loof en gras, noch d' akker draag

Zijn tiende, die Gods hut behaag:

Want op uw hoogte en open velden

Ontzeeg de schild en 't hart der helden:

De schild van Saül in den strijd;

Als had hem God nooit ingewijd.

De boog van Jonathan en 't snedig[1]

Geweer[2] van Saül kwam nooit ledig

In 't hof, maar vuil van vijands bloed

En 't vet der dappren, trotsch van moed.

Die Jonathan, die Saül minnelijk,

En beide schoon en onverwinnelijk,

Terwijl ze leefden, kon de dood

Niet scheiden, in den jongsten nood.

Geen arends vleugels waren sneller,

Geen kies noch klaauw van leeuwen feller.

Och, Abrams dochters! schreit op 't lijk

Van Saül, fluks[3] nog vorst van 't rijk:

Die u met purperen gewaden

Bekleedde, en 't kleed met puikcieraden,

Gesteente en goud te sieren plag.

O, onvergetelijken slag!

Hoe stortten daar de vroomste koppen!

O Gilboa! op uwe toppen

Viel d' onversaagdste en stoutste man,

Die grootste krijgsheld Jonathan.

Och, Jonathan, mijn zoet vertrouwen!

Mij zoeter dan de min der vrouwen,

Mijn broeder, dus verongelukt!

Nu voel ik, hoe uw dood mij drukt!

Geen moeders hart had zoo verkoren

Het eenig pand, uit haar geboren,

Als ik uw ziel, o heldenheer!

Hoe kwaamt gij om met uw geweer[4]!

[1] Hier voor _snijdend_.

[2] _wapen_.

[3] _korts, kortelings_.

[4] _in uwe wapenen_.

Mozes' Gezang.

O, Hemel! hoor naar mijne reden,

Het aardrijk geef mijn stem gehoor,

Mijn leering druipe in ieders oor,

Gelijk de wolken naar beneden;

Ik wensche, dat de woorden vloeyen,

Uit mijnen mond, als dauw en vocht;

Gelijk de regen uit de locht

Het kruid, en druppels 't gras besproeyen:

Dewijl mijn tong den naam des Heeren

Verheffen wil, gelijk 't behoort.

Geef Gode alleen den prijs! komt voort,

En helpt zijn majesteit vermeeren!

Gods wonderwerken zijn volkomen,

En al zijn paden loopen recht.

God is getrouw: geen valschheid hecht

Op dien rechtvaardigen en vromen.

Die zich geenszins als kinders droegen,

Maar schendig tegen 's Hemels stem

Zich zelfs vergrepen, gaven hem

Niet weinig stof van ongenoegen.

Verkeerd geslacht, bedorve[1] ranken!

Onwetend volk, te dwaas en snoô!

Bejegent gij de Godheid zoo?

Is dit den Allerhoogsten danken?

Is Hij dan niet uw rechte Vader,

Uw eigen Voogd en wettig Heer,

Die u bootseerde[2] tot zijne eer,

En 't wezen gaf, en schiep te gader?

Gedenk aan de overoude dagen,

En loop met uw gedachten vrij

Door alle huizen, op een rij;

Ga hene, ga uw vader vragen,

Hij zal u al 't voorleden mellen,

En wat er is gebeurd voorheen.

Ga, vraag uwe ouders naar 't voorleên:

Zij zullen 't u in 't lang vertellen.

Toen d' Opperste elk zijn land ging toonen,

Toen Adams afkomst wierd verspreid,

Hij elk zijn deel heeft toegeleîd,

Naar 't juist getal van Jacobs zonen.

Gods volk is 't eigendom des Heeren,

En Jacob blijft zijn errefpand;

Hij vond hem in verwilderd land,

Daar schrik en eenzaamheid verkeeren;

Hij voerde hem omher[3], bewogen

Van liefde, en gaf dien zone een wet:

Bewaarde hem voor ramp en smet,

Gelijk den appel van zijne oogen.

Gelijk een arend vlugge vogels

Tot vliegen port, rondom hen zweeft,

Spreidt God zijn pennen uit, en heeft

Hem opgenomen op de vlogels.

De ware God alleen geleidde

Hem op dien tocht: geen Heidensch God,

Of uitheemsch Ongod, brocht zijn lot

En erfdeel door woestijn en heide.

Hij zette het met zijne veder

Op hooge landen, in een lucht

En veld, vol spijze en akkervrucht

En weelige gewassen, neder.

Daar zogen de uitgekore[4] lippen

Aan honigdauw het hart gezond;

Aan olie, die hun in den mond,

Kwam vloeyen van de harde klippen;

Aan boter van de gladde koeyen,

De schapemelk, 't gemeste lam,

En Bazans bok en vetten ram

De tarwebloem, zoo schoon in 't bloeyen.

God schonk hem rustig van den klaren

En rooden wijn: aldus gemest

En zat, begon de zoon in 't lest

Weêrspannig achter uit te varen.

De zoon werd glad, en vet, en grover,

Verliet de Godheid, die hem schiep,

Ontviel de Godheid, die hem riep,

En zette aan[5] vruchtbre beemden over.

Zij tergden God, door vreemde Goden,

Ontstaken 's Hemels Majesteit

Tot gramschap, door de gruwzaamheid

Der afgoôn, hun zoo streng verboden.

Zij offerden den Goôn der beemden,

En niet den God, die hen verbond.

Zij dienden, los en zonder grond,

Den onbekenden en den vreemden,

De nieuwe en onbekende altaren,

Bij uwe vaders nooit ge-eerd.

Gij loochent God, die u bootseerd',

En laat uw Heer en Schepper varen.

Dat zag d' Almachtige uit zijn tronen,

Ontsteken van verbolgenheid,

Getergd door 't schendig onbescheid

Van zijne dochteren en zonen.

Hij sprak: "ik wil voor deze bozen

Mijn aanschijn dekken met een wolk,

En zien den uitgang van dit volk,

Verkeerde kinders, trouweloozen.

Men durf[6] door Ongoôn mij vergrammen,

Mij tergen door afgoderij;

Ik wil een ander volk aan mij

Verbinden, buiten Jacobs stammen;

Ik wil verwekken dwaze volken,

Ten trots van hunnen wreevlen moed;

Mijn gramschap zal, gelijk een gloed,

Ontsteken 's afgronds diepste kolken,

Al 't land met zijne vruchten blaken,

Der bergen grond in asch vertreên,

De rampen stapelen op een,

En hen met al mijn pijlen raken.

De honger zal hun vleesch verzwelgen;

't Gevogelt om hen pikt en zwiert,

De felle slang en wreed gediert

Zal hen, in stof gesleept, verdelgen.

Het zwaard van binnen, schrik van buiten,

Zal teffens al wat mij mishaagt

Bederven, jongeling en maagd,

Den ouden man en teêre spruiten.

Dan wil, dan wil ik schimpwijs vragen:

Waar zijn ze nu in rook en wind?

Ik wil ze, waar men menschen vindt,

Uit elks gedachtenisse vagen.

Doch om geen vijand stof te geven

Tot lastren, schortte ik deze straf,

Eer zij hun haatren voedsel gaf,

Om trotscher mij te wederstreven."

Zij mochten licht uit hoogmoed stoffen:

"Ons hand is sterk, daar 't al op stuit!"

Hun Godheid voerde dit niet uit,

Noch heeft ze door haar macht getroffen.

O radelooze' en zinneloozen!

Och, was dit volk toch wijs en vroed,

En zag 't nog tijdig te gemoet

De aanstaande straf en plaag der boozen!

Hoe kan een enkle duizend jagen,

En twee, tien duizend op den tocht?

Is 't niet, omdat hen God verkocht,

En dreef in 't net, om hen te plagen?

Ons Godheid slachtte nooit[7] de Goden

Der vijanden; dat boos geslacht

Kan zelf getuigen van de macht,

Waar voor alle afgoôn hene vloden.

De wijnstok, die ons haters pootten,

Is, als der Sodomieten rank[8]

En Gomorreeschen akkerdrank,

Een bittre wijn, vol gal gegoten.

Hun wijn is gal van felle draken,

En doodlijk addrengift. En broedt

Dit niet al stil, in mijn gemoed

Bezegeld, als een schat van wraken?

Ik hou de weêrwraak voor mijn eigen[9],

En wil 't vergelden, op zijn tijd,

Opdat ze sneuvlen in den strijd.

De dagen naken, die hun dreigen.

De tijd, beschoren tot hun schade,

Is voor de hand. De Hemel zal

De boosheid brengen tot een val,

Zijn dienaars troosten, uit genade.

Zij zullen zien, hoe die hem haten

In kracht vermindren en getal;

En hoe ze smilten, die op wal

En sterke muren zich verlaten.

Dan roept ge: waar zijn nu hun Goden,

Hun toevlucht, en hun toeverlaat,

Van welker offer zij verzaad

En vet geworden zijn, gevloden?

Van welker offerwijn zij nutten?

Zij geven nu zich zelfs eens bloot,

En redden u, in dezen nood.

't Is tijd, dat zij u nu beschutten.

Nu merkt, aan 'tgeen er is bedreven,

Dat ik alleen de Godheid ben,

En, neffens mij, geene andren ken.

Ik ben de Heer van dood en leven.

Ik kwetse en zalve aan alle zijden,

En geen geweld, noch geene kracht,

Kan iemand rukken uit mijn macht,

Noch voor mijn hand zich zelf bevrijden.

Ik hef mijn rechte hand naar boven,

En zweere bij mijn Majesteit:

"Ik leef alleen in eeuwigheid,

Die alle machten kan verdooven.

Indien ik koom' mijn zwaard te wetten,

Tot dat het als een bliksem straal',

En mijne hand, met schittrend staal

Gewapend, zich in 't recht ga zetten;

Zoo wil ik me aan mijn haters wreken,

Vergelden hunnen wreevlen moed.

Mijn pijlen zullen, rood van bloed

En dronken, druppelen en leken.

Mijn zwaard zal 's vijands vleesch verslinden,

En 't bloed der dooden, in den slag,

's Gevangens vleesch, die met geklag

Bloots hoofds zich boeyen liet en binden."

Dat allerhande volk en tongen

Gods vollek loven; want hij boet[10]

Zijn dienaars schade, en wreekt hun bloed,

Uit wrake tot dees straf gedrongen.

Hij zal het onrecht van zijn zonen

Uit ijver wreken naar zijn macht,

Maar Jacobs erfdeel en geslacht

Genadig vallen, en verschoonen.

[1] Naar de reeds herhaaldelijk gewraakte Hollandsche wanspraak voor

_bedorven_.

[2] _vormde, schiep_.

[3] Germ. (_umher_) voor _rond_.

[4] Verg. boven, aant. 1.

[5] _naar_.

[6] Voor _dert, waagt het_.

[7] _leek nooit op_.

[8] _wijnrank_.

[9] _mij zelf_, gelijk nog in de volkstaal.

[10] _vergoedt_.

Babylonische Gevangenis

PSALM CXXXVI.

Toen wij, te Babylon geketend, daaglijks droever,

Ons harpen hingen aan de wilgen, die den oever

Der onverzoenbre Eufraat beschaduwden met groen;

En aan Jeruzalem en 't vaderland gedachten,

En aan d' altaren, daar wij God te dienen plachten,

En Levi ons met mann' des Godsdiensts plag te voên:

Toen scheen ons aangezicht van droefheid te verouden.

De boezem zuchten loosde, en de oogen parlen douwden;

Want d' overwinners ons beloegen[1] in ons kruis,

En spraken: "weest getroost, gij 's Hemels uitverkoren,

Nu laat ons eens een lied en blijden lofzang hooren,

En zingt eens, zoo gij placht, in uw godsdienstig huis!"

"Och!" spraken wij, "wien zou gelusten nog te zingen,

Nu wij, zoo veer van huis, bij woeste vreemdelingen,

Zijn ieders tijdverdrijf, en guichelspel, en hoon!"

Jeruzalem, eer gij in mijn gemoed zult sterven,

Eer zal mijn rechte hand haar zoete snaren derven;

Eer zal mijn schelle harp mij weigren haren toon.

Gewijde vloeren, en gij schoon gebouwde bogen,

En heiligdommen, die nog glinstert in onze oogen;

Och, Sion! eer gij laat te zijn ons hoogste goed,

Ons weelde, ons vrolijkheid, ons vaarzen, en gezangen;

De tong zal eer verdroogd in 't mondgehemelt hangen,

Eer dat van elders vreugd verrijze in ons gemoed.

Gedenk, o Heer! gedenk de razende Edomieten;

Die, in 't verdelgen van den roem der Isralieten,

Vast kreten: "af, rein[2] af, tot op den lesten steen!

Verwoest, en brandt, en blaakt; brengt ijzer aan, en vuurwerk:

Men draag geen kerk ontzag! verloopen is haar uurwerk;

Men trap haar, die u zoo balddadig heeft getreên!"

Bloeddorstig Babylon! hoe stout gij u durft roemen,

Men zal in 't ende den verdelger zalig noemen,

Die u vergelde al 't wreede, ons aangedane kwaad;

Dan zal men roepen; "o, gelukkig zijt gij, Perzen!

Die Sions onrecht wreekt, en die de teedre hersen[3]

Van Babels zuigeling op rotsen klitst[4] en slaat."

[1] Thans _belachte_; verg. vroeger.

[2] Germ. voor _zuiver, heelendal_.

[3] _hersenen_.

[4] _klatst_, anders _kletst_; even als _smilt_, bij Vondel, voor

_smelt_.

Op de Geboorte van

ONZE HOLLANDSCHE SAFFO

ANNA ROEMERS[1].

Als 't heilig noodgeheim[2] wat zeldzaams ons woû jonnen,

En zaligen onze eeuw, doen kwam in 't licht der zonnen

Dees kunstrijke Anna, wien den Hemel had bezind[3].

Zoo haast de Goden en Godinnen dit vernamen,

Zij, met de Muzen, uit haar hooge zetels kwamen,

Om te begroeten en te zegenen het kind.

Zij lag in 's voêsters schoot, en sloeg de teedre lichten[4]

Op d' ommestaanden rei van blinkende aangezichten;

Een heilge glans, zoo 't scheen, zweefde om haar edel brein.

De rei der Hemelliên schiep een te zonderlingen[5]

Genoegen, en bestond eenstemmiglijk te zingen,

En heil te wenschen 't kind, dat meer was als gemein:

"Groeit," zongen zij, "en bloeit! ontluikt, o bloem der bloemen!

O roem van uwe tijd, daar Roemer op mag roemen!

Eer van uws vaders huis, en pronk van uwe stad!

Gedurende de lent' van uwe onnoozle jaren

Moet u noch leed, noch ramp, noch onspoed wedervaren,

Dien d' Hemel opgeleid heeft als een weerde schat.

De tijd genaakt, dat, om den lofkrans te bejagen,

Gij nog Arachne[6] met uw naaldwerk uit zult dagen:

Nature met 't pinceel, graaf-ijzer[7], kole, en krijt:

Polymnia[8] met zang: Erato[8] met uw snaren:

De schrijvers met uw pen, die in elk een zal baren

Verwondering, als gij der schrijvren Fenix zijt.

Der kunstbemindren oog zal gaan de muren vrijen[9],

Die rijklijk zijn bekleed met uwe schilderijen:

De spiegelglazen[10], die te cierlijk zijn vermaald:

De boeken gestoffeerd met duizenderlei dingen,

Vol kunst, vol printen, en verscheiden teekeningen:

De zijde-stoffen, die gezield zijn van uw naald.

Maar dit zal 't minste zijn, wanneer de faam zal loven

Uw rijm en proze, dat zijn ziel ontving van boven,

Als Grotius verstomt, als Cats zoo bril[11] toekijkt,

Als Hooft verwonderd staat, als Heyns[12] met zijnen Schrijver[13]

Uw gulde veerzen leest, en d' een uit grooten ijver

Bij Pallas, d' ander u bij Saffo vergelijkt:

Wanneer gij met uw dicht verdient de lauwerbladers,

En ciert de Poppen en uitbeeldingen uws vaders,

Die u in wijsheids school van jongs heeft opgekweekt;

Wie dan uw spreuken en uw rijmen komt t' erkouwen[14]

Zal roepen: "dit 's geen maagd, noch van 't geslacht der vrouwen,

't Is Maro, die hier zingt, 't Is Cato, die hier spreekt.

Wast op, gelukkig kind! wast op in goede zeden,

Die van 't verwondren[15] nog zult worden aangebeden,

Vermits uw oordeel, en uitstekende verstand;

Wast op, gelukkig kind! cieraad van uwe tijden!

Den Hemel u beschutt' voor al die u benijden!

Wast tot een wonder van het prachtig Nederland!"

Zoo eindigde de groet en zegening der Goden,

Die haar geschenken mild de jonge vrucht aanboden,

En met een hemelsch spook[16] verdwenen uit 't gezicht.

De spruit nam toe, en hoe zij meer bestond te bloeyen,

Te meer de wijsheid met haar jaren scheen te groeyen,

En 'tgeen eerst minder was, dat wierd een grooter licht.

Ten lange lesten moet de nijd nu zelf belijen,

Dat in haar zijn vervuld der Goden profecijen,

Dat 's Hemels schatten zijn te recht aan haar besteed;

Geestrijke jonkvrouwe! o, wat zullen wij u wijen?

De nymfen van ons Y haar in uwe eer verblijen,

En staan tot uwen dienst wilveerdig en bereed.

Maar, uitgelezen maagd! vermits der grooten gunste,

En 's levens ijdelheid verdwijnt met alle kunste,

Vergaapt u niet aan 'tgeen, dat schielijk zal vergaan.

Wilt met uw schrandre geest niet hier beneden marren,

Maar altijd hooger gaan, en zweven naar de starren,

En Hemelwaarts 't gezicht, als een Sibylla[17], slaan.

[1] Roemer Visscher's welbekende oudste dochter, en uitgeefster van

haars vaders _Sinnepoppen_, wier tweede druk hier meê versierd werd.

[2] _noodlot_; zie vroeger.

[3] _bedacht_.

[4] _blikken_.

[5] _zeer bijzonder_.

[6] De bekende Atheensche maagd der Grieksche overlevering, die om haar

borduurwerk door Pallas benijd en in een spin veranderd werd.

[7] Anders _graveerstift_.

[8] Twee der Muzen; zie desbelust mijn _Aesthetica of

Schoonheidskunde_, blz. 70.

[9] _opzoeken_.

[10] _kristallen roemers_.

[11] _vreemd_.

[12] De Leidsche Hoogleeraar en dichter Daniël Heinsius.

[13] _P. Scriverius_; zie vroeger.

[14] _herkaauwen_.

[15] _uit bewondering_.

[16] _geestverschijnsel_.

[17] _profetisch bezielde_.

Klinkert

OP

D. WILLEBRORDUS SNELLIUS,

MATHESEOS PROFESSOR

IN DE HOOGE SCHOLE TOT LEIDEN.

Wat _snel_gewiekte bood' brengt ons den gulden tak?

't Is Snellius, die _snel_ van geest, van zinnen wakker,

Dien _snellik_ plukken liet op Ramus'[1] vetten akker

En _snel_ dees spruite gaf een kracht die haar ontbrak.

Veel _sneller_ zal men nu gaan meten 's werelds dak,

O, _snellen_ Snellius, Euclides'[2] weerdsten makker!

Gij vliegt de kunst voorbij in _snelheid_; want men sprak er

Nooit _sneller_ af met reên eer Snel het hoofd opstak.

Gij, _snelle_ Geesten! volgt en _sneller_ op wilt merken

Vermids u Snel gaat voort met _snelle_ en lichte vlerken,

Of giert hij u te _snel_, zoo trekt een _snelle_ schacht

Uit zijn gezwinde wiek, zoo spoedig, langs hoe _sneller_,

En hoe gij _sneller_ stijgt, hoe haar de meetkunst heller[3]

En _sneller_ op zal doen, tot in haar volle kracht.

J. V. VONDELEN.

[1] De wijsgeer P. Ramus, wiens 27 boeken over de Meetkunst Snellius

verklaard had. Zie het meêgedeelde bij Van Lennep II, bl. 138.

[2] De beroemde Grieksche wiskundige.

[3] _klaarder_.

TOT LOF

VAN DE

KUISCHE EN GODVRUCHTIGE MARTELARESSE

ST. AGNES.

GEZANG.

Dat Room der Heiligen gebeent

Bewaart, meer luisters haar verleent

Als zoo veel koninklijke graven,

En tomben van gekroonde slaven.

Naast andre daar ze moed[1] op draagt,

De grafsteê van de kuische maagd,

Agnes, ooit was de vreugd en 't wenschen

Van ijverende Kristenmenschen.

Vermits dees groote martelaars'[2]

Verstrekte Kristus' kerke een kaars

En heldre fakkel, door haar lijden,

Geheugelijk[3] tot allen tijden.

Jeugd, schoonheid, adel, munten uit,

En bloeyen in een zelve spruit;

En als dees worstlen met malkander

Verwint Godvruchtigheid al d' ander.

Want door haar acht ze 't zaligst meest,

En heiligt Gode lijf en geest;

Als gants verrukt de zinnen vielen

Op Jezus, Bruidegom der zielen.

Vergeefs, vergeefs haar d' ijdelheid

Bekoren wil en strikken breit;

Vergeefs men tracht haar te verlokken.

Zij is te Hemelsch opgetrokken.

Als d' Overste Symfronius

Dingt na haar kuischheid, spreekt ze aldus:

"Heer rechter! houd vrij op van smeken[4],

Geen goud en kan mijn opzet breken.

Geen minnevlam mijn ziel besmet;

Ik ben verloofd aan 't bruilofsbed,

Dat de Engelen in den Hemel spreyen

Voor d' Heilge maagdelijke reyen.

Zoo[5] loflijk gij uw zoon verheft,

Mijn Bruidegom hem overtreft:

Wiens schoonheid, als hij voort komt treden,

De zon kan van zijn glans ontkleeden.

Indien ik slechts standvastig hier

Bewaar het Godlijk zuiver vier,

Noch wulpsch mijn reinigheid laat schaken,

En dien hem met gebeên en waken.

Gesteenten van veel klaarder schijn

Als al uw diamanten zijn,

En rijker peerlen zal hij geven,

Die[6] hier volstandig is gebleven."

Des minnaars vader door dit woord

Verwonderd staat, en roept verstoord:

"Nu zuldy kiezen een van beiden:

Men zal u naar 't bordeel toe leiden,

Of dadelijk Vesta, met 't gemoed

En gaven, offeranden doet."

Daar op zij haar geweldig[7] trekken,

Om 't kleed haars maagdoms te bevlekken.

Maar een gewiekt gezant van God

Met glans verschijnt in 't hoerekot,

Juist als de schennis, vuil van oogen,

De maagd het kleed had uitgetogen.

Agnes omringd wordt met een licht

Van bliksem, 't welk het aangezicht

Der goddeloozen slaat met stralen,

Die angstig als in schaduw dwalen.

Zij knielt van blijdschap, en gespreed

Vindt voor haar een gesterrend kleed,

Waar meê zij dekt de naakte leden,

En looft den Hemel met gebeden.

De minnaar, met een schaar verzeld,

Smaalt op het licht, en wordt geveld

En van Gods Engel neêr gesmeten.

Het lijk luidruchtig wordt bekreten.

Maar als Agnes aandachtig knielt,

God weêr het doode lichaam zielt.

De faam des daads, als uitgelaten,

Vervult te Romen alle straten.

De priesters, die het outer voên,

En plichtige offeranden doen,

Van boosheid zwellen ongeduldig,

En achten haar der straffe schuldig.

Men grijpt de onnoozle maagd, die stout

En vrolijk, op 't gestapeld hout,

Gods naam aanroept, als, met vergrammen,

De beuls 't vier kweeken en doen vlammen.

Maar onverschrokken van gemoed

Zij, in het midden van de gloed,

Geen haar verzengt door Gods ontfarmen,

En van malkandren strekt haar armen.

De rechter, moê van 't lang vertrek[8]

Des doods, verwijst haar teêre nek.

Zij sterft eer dan ze smart kan voelen,

De ziel vertrekt na hooger stoelen[9].

En langs een wit en zuiver pad

Gezwind zij reist naar 's Heeren stad,

En ziet de maan beneên haar voeten,

Als de Englen vrolijk haar ontmoeten.

Die haar geleyen onbezurgd

En voeren[10] hoog in 's Hemels burcht:

Daar zij, bevrijd van ongelukken,

Een dobbel kroon haar pruik laat drukken.

Heldin van adelijken stam!

Die, als een kuisch en zuiver lam,

Uw reinigheid woudt Gode schenken,

Met vreugd wij, jaar op jaar, gedenken

Aan uwen strijd hier uitgestreên,

Aan uw verwinning ongemeen;

Gij port ons aan, om op te stijgen,

En zulken palmtak te verkrijgen.

Uw leerlijke gedachtenis

De kerke een lieflijk wyrook is.

Uw sterk geloof doet ons ervaren,

Dat het niet leit[11] in 't tal der jaren.

Ter dood gij stapte met meer moeds

Als bruid ooit na haar bruilofts-koets;

Het schreit er al, gij uitgezonderd,

Den ouderdom uw jeugd verwondert.

Elk bleek, gedoodverwd met beklag,

De rozen op uw wangen zag.

't Aanminnig uitzicht in het strijen

Uw vijand trof met medelijen.

Heer Jezus! geeft ze kracht altijd,

Die u geheel zijn toegewijd!

Geeft, dat zij op dit voorbeeld merken,

En wilt haar[12] heilig opzet sterken.

En gij, die leeft bij God verhoogd,

Hoe veel[13] gij met gebeên vermoogt,

Verwerft ze zegen en genade

En komt ze met uw gunst te stade!

Maar hem[14] bij naam[15], die met dit dicht

Zijn Duitsche[16] wereld heeft gesticht:

Opdat hem voor dit zoete schrijve[17]

Een eeuwig loon ten Hemel blijve.

Want ander loon (naar dat ik raam)

En wil hij niet, omdat zijn naam

Alhier, op hoop van meerder zegen,

Zoo ganschelijken is verzwegen.--Amen.

J. V. V.

[1] _trots, roem_.

[2] Voor _martelaarse_; thans met verfranschten uitgang _martelares_;

verg. vroeger.

[3] _denkwaardig_.

[4] _vleyen_.

[5] _Hoe_.

[6] _Aan wie_.

[7] _met geweld, gewelddadig_.

[8] _vertraging_.

[9] Voor _zetels_; verg. boven, bl. 122.

[10] Zoo lees ik voor het onzinnige _weren_, dat wel niet anders dan

een drukfeil zijn zal.

[11] _legt_, thans _ligt_.

[12] _hun_.

[13] Voor _zooveel als_.

[14] De dichterlijke priester Stalpert van der Wiele, in wiens

_Vrouwelijck Cieraet van St. Agnes versmaet_ (Den Bosch, 1622)

Vondels gedicht het licht zag, en over wien verg. Alb. Thijm in den

_Volksalmanak voor Ned. Kath._ 1853 en 1854.--De R. Katholieke toon van

't gedicht bewijst niets meer voor Vondels overhelling tot dien 17

jaar later door hem aangenomen godsdienst, dan de versregels, waarmede

wij hem (boven, bladz. 34a) zijn R. Katholieken zwager De Wolf zagen

begroeten.

[15] _met name, in de eerste plaats_.

[16] Voor _Nederduitsche, Nederlandsche_.

[17] Voor _schrijven_.

UITBREIDING OVER DEN 19 PSALM DAVIDS,

VERVATENDE DE

UITNEMENDHEID VAN DE WET DES HEEREN.

I.

Geen schepsel zoo gering,

Of 't predikt zonderling

Zijns Scheppers lof en prijs,

Meer of men luidkeels riep:

Die alle dingen schiep

Is machtig, goed en wijs;

Doch, onder alle die,

Voornamelijk ik zie

Der Heem'len kring uitdrukken,

Hoe groot en wonderbaar

Is dezen konstenaar,

Vol kloeke meesters-stukken.

II.

Het uitgebreid gewelf

Mij tot den Schepper zelf

Met zoo veel lichten trekt,

En tuigt van 't ware Licht,

Dat zijn schoon aangezicht

Daar achter houdt bedekt.

Nu weid, mijn ooge! weid:

Der Heemlen Majesteit,

Vol schoonheid ingegoten,

De schoonheid mij verbeeldt

Van 't nooit-geschilderd beeld,

Tot nog voor ons gesloten.

III.

Naauw gistren daalden neêr

Den morgen meldde 't weêr

Geduriglijk voorts aan:

Den eenen duistren nacht

Het tot den andren bracht;

Gods lof nooit stil bleef staan,

't Schoonst, dat ooit daaglijks blonk,

Ons 's daags zijn stralen schonk,

Te helder[1] nog van verren:

En als het onderdook,

Den duistren nacht ons ook

Kwam lichten met haar sterren.

IV.

Geen tongen, volk, of steê,

Hoe uitheemsch, over zee,

Of leeren ongewend[2],

Of in hoe duistren hoek,

Dat niet uit 's Hemels boek,

Als 't wil, den Schepper kent:

Elk sterretjen gewis

Een gulden letter is.

Wie dees boek-staven[3] t' zamen

Onzichtelijken stelt,

Daar merkelijk uit spelt

Gods wonderlijke name.

V.

Van derwaarts is[4], dat trotsch

Den bliksem onzes Gods

Den sterflijken verschrikt;

Zij vlieden al haar best,

Als hij, van 't Oost in 't West,

In ieders oogen blikt.

Wat plaats, wat hoek, wat oord

De donder niet en hoort,

Wanneer hij die wil zenden?

Hij berst ten wolken uit,

Met eiselijk geluid,

Tot aan des werelds enden.

VI.

In 't driftig veld[5] om hoog

Heeft God des werelds oog,

De zon, een hut vergund,

Waar uit hij toebereed

Als eenen bruidgom treedt,

Die in cieragië uitmunt,

Die uit zijn slaap-zaal gaat,

En blinkt in zijn gewaad

Van heldre diamanten.

Met minder luister niet

Ons 't licht zijn fakkel biedt,

En straalt aan alle kanten.

VII.

Zoo haast zij 's morgens rijst

Op dees aardbodems lijst[6],

Der sterren glans verdooft:

Gelijk een moedig held

Hij zich tot loopen stelt,

En toogt[7] zijn glanzig hoofd:

Den gulden vlammendrig[8]

Alle oogen trekt tot zich

Van menschen en van dieren;

't Gevogelt algelijk

Hem groet met wilt-muzijk,

En vrolijk tierelieren.

VIII.

Verwonderd ik aanzag,

O, vader van den dag!

Hoe snel gij 't al verklaart[9],

Hoe vlug gij henen schrijdt,

Ja, in zoo korten tijd

Volbrengt uw Hemel-vaart:

Des Hemels blaauwe tent

Gij dagelijks omrent

Met uw gevlerkte paarden:

Uw hett' breekt alzins door,

En niets en blijft er voor

Gescholen op der aarden.

IX.

Schoon[10] 's hemels aangezicht,

En alderschoonst het licht[11],

Waar door de wereld ziet,

Nog schoonder 's Heeren wet

Die, rein en onbesmet,

Nooit ziel haar vlekken liet.

Hoe blinkt der starren troon

En alderklaarst ten toon

De goud-geel zonne luistert[12]:

In klaarheid, waar zij straalt,

Gods wet nog prijs behaalt,

Voor wien al 't licht verduistert.

X.

't Uitbreidsel wonder net:

De zonne 's levens wet,

Wordt aldernetst geacht;

Doch netter nog bekleef

De wet, die God voorschreef

Het menschelijk geslacht:

De wet, die aangemerkt

Wel neiging daadlijk werkt

Ten goeden, van den kwade,

Vermits zij zwaarder weegt;

Waardoor men God beweegt

Tot gunst en tot genade.

XI.

De leek[13] zij wederbaart[14]

En zijnen wulpschen aard

In wijsheid grijzen doet,

Wanneer zij, wel beoogd,

Zoo onderscheidlijk toogt

Het ware en 't valsche goed.

Wie, heilig en geschikt,

Dees hoogste reden[15] wikt,

Die zal ze oprecht belijden,

En d' onderhouder werd

Ervaren, hoe zij 't hert

Zoo zeer in God verblijden.

XII.

O, welken heldren glans,

In d' oogen des verstands,

Van 's Heeren wet afschiet!

Waardoor, Heer! uwen knecht,

Naar uw behagen recht

't Een lieft en 't ander vliedt.

De vreeze, die steeds vreest,

Met eenen kindschen geest,

Des hoogsten toorn, is heilig;

Dies 't lot, dat zij verhoopt,

Niet met der tijd verloopt,

Maar in Gods schoot rust veilig.

XIII.

Rechtvaardig is 't gericht,

Dat ieder zijnen plicht

Aanteekent en verklaart,

Wijl 's Hemels wetten dan

Geen tong volprijzen kan,

Hoe schoon zij zijn en waard.

Noch goud, noch eêl gesteent

Heeft Ofir ooit verleend,

Zoo dierbaar in mijn oogen:

Noch nimmer honigbie

Konfijtten[16] honig, die

Zoo zoet heeft smaken mogen.

XIV.

Uw knecht heeft, 'tgeen hij weet,

Alsteeds met doen bekleed,

Steeds hield hij zich vermaand,

En, nimmer ijver zat[17],

Speurt, hoe zij hem den pad

Ter hoogster eeren[18] baant.

Zoo ooit mijn ziel verleid

Wierd door onwetendheid,

Wie kan die feilen mijden?

Erinnert mij, o Heer!

Al 'tgeen, waardoor wij d' eer

Uws heilgen naams ontwijden.

XV.

Ontslaat derhalven mij

Der trotscher[19] heerschappij,

Zoo blijve ik onbevlekt

En onbezoedeld van

Al 'tgeen den vromen man

Tot schuld en onheil strekt:

Alsdan zal Davids mond

Ontdekken 's harten grond

Met heilige gedichten.

Mijn scherm-heer, troost, en schild!

Die mij verlossen wilt,

En al mijn kruis verlichten!

[1] _heller_.

[2] _onbeschaafd, zonder kennis_.

[3] _letterteekens_.

[4] _is het_.

[5] _het drijvend zwerk_.

[6] _rand, kim_.

[7] Verouderd voor _toonen_; verg. vroeger.

[8] _vlammendrager_; verg. vroeger.

[9] _verheldert_.

[10] Versta: _schoon is_.

[11] _der zon_ (verg. de tweede helft van 't coeplet).

[12] _schittert_.

[13] _den gewonen mensch_.

[14] _doet herboren worden_.

[15] _redenen_ (der wet).

[16] Voor _konfijtte_.

[17] _met onverdroten ijver_.

[18] Thans _hoogste eer_.

[19] _van de trotschen_; verg. vroeger.

Lijk-dicht,

OP HET OVERLIJDEN[1] VAN

D. COENRADUS VORSTIUS,

GEWEZEN PROFESSOR DER H. GODHEID, TOT LEIDEN.

Nu rust hij, die versmaad in ballingschap moest leven,

En bonsde van 't altaar den Afgod[2] van Geneven,

Dien grouwel, die 't vergift schenkt uit een goude kroes,

En 't lieflijk aanschijn Gods afschildert als de Droes;

Als hij de afloting[3] van zoo menig duizend stammen

Ter Helle stuurt, en pijnt met eindelooze vlammen,

Nadat ze zijn tot kwaad genoodzaakt buiten schuld,

Opdat, kwansuis, haar maat rechtvaardig werd'[4] vervuld.

Dit kon geleerdheids roem niet lijden zonder straffen,

Als hij den Cerberus driehoofdig hoorde blaffen,

Doen smeedd' hij ketenen, opdat hij temmen mocht

Den uitgelaten vloek van 't lasterlijk gedrocht.

Der Hellen afgrond woedt, en staat geweldig tegen,

Braakt dampen uit zijn kolk, die, Hemel-hoog gestegen,

Bezwalken dik de lucht; opdat 't genade-rijk,

Dees goedheid, niet, gemeen, bestraal' een iegelijk.

De Vorst[5], nu afgestreên, gedwongen te vertrekken,

Voor broeder Esau vlucht, en kiest uitheemsche plekken:

En volgt des waarheids spoor, op 't redelijke pad:

Geeft God zijn ziel, zijn lijf de Vrederijke stad[6].

[1] 29 Sept. 1622, te Tonningen in Holstein, waar hij, als

Remonstrantsch balling, kort te voren was aangekomen.

[2] Het door Calvijn voorgestane Godsbegrip, met den, als "gruwel" door

Vondel gebrandmerkte leerstelling der eeuwige verkiezing en verwerping.

[3] _nakomelingen_.

[4] _worde_.

[5] Klankspeling op _Vorstius'_ naam.

[6] Het bekende toevluchtsoord der Remonstrantsche ballingen,

Frederikstad aan de Eider, waar V. (den 2den Oct.) begraven werd.

Op Jacobus Arminius[1].

Dit 's 't aanzicht van Armijn, die 't zij hij schreef of sprak,

Het heilloos noodlot van Calvijn gaf zulk een knak,

Dat Lucifer nog beeft voor 't dondren van zijn lessen,

En d' afgrond zwoegt en zweet, om stoppen deze bressen:

"Sus, kraamvrouw!" sprak hij, "sus! scheî vrij gerust van hier,

God worpt geen zuigeling in 't eeuwig Helsche vier."

[1] Gomarus' bekende tegenstander. Wij lasschen, als van gelijke

strekking en onderwerp, en eer vroeger dan later gedicht, dit en beide

volgende bijschriften hier in.

Op Johan Uytenbogaert[1].

Dit is de wijze mond, die menig met verwondren

Hoorde onder 't grof geschut van Nassouws leger dondren[2];

Een, die voor 't vaderland te sterven was bereid,

Werd hatelijk vervolgd en 't vrije land ontzeîd.

[1] De bekende Remonstrantsche Godgeleerde en balling.

[2] Als 's prinsen hofprediker.

Op Simon Episcopius[1].

Bisschoppelijke praal en pronk van Godgeleerdheid,

Die Leiden vrijen woudt van twist en schoolverkeerdheid,

Gij wikt het al met reên, en zulk een regel wraakt,

Die God verschept[2] en tot den slimsten Duivel maakt;

Uw tong den lastermond van Bogerman[3] kon snoeren,

Die 't Dordtsch besluit met macht geweldig uit most voeren.

[1] Of _Bisschop_, de bekende Remonstrantsche geleerde.

[2] _misvormt_.

[3] De beruchte voorzitter der Dordtsche Synode.

MISBRUIK DES KERKELIJKEN BANS.

Klink-dicht.

De complete werken van Joost van Vondel. Davids Lofzang van Jeruzalem · 第 1 / 5 段