HOOFDAFDEELING IV. WEEKDIEREN.

Deze hoofdafdeeling, tot welke de oesters, slakken, inktvisschen

behooren, wordt gevormd door ongelede dieren zonder geraamte,

welker lichaam in aanleg altijd tweezijdig symmetrisch is, hoewel

het bij sommige soorten gedurende den verderen groei in sterke

mate zich vervormt. Vooral is dit het geval bij die slakken (de

"huisjesslakken"), welke in een spiraalvormig huisje zijn ingesloten,

en bij welke ook het grootste gedeelte van het lichaam spiraalvormig

gewonden is. De huidbekleeding der Weekdieren is zeer eigenaardig. Op

eene bepaalde plaats van 't lichaam vormt zich een grootere of

kleinere huidplooi of huidlap (de "mantel"), welke eene bepaalde

ruimte, de "mantelholte", naar de functie ook "ademhalingsholte"

genoemd, omsluit. Deze mantel zondert bij de meeste Weekdieren eene

kalkmassa af, 't zij aan den buitenkant, 't zij aan den binnenkant. Bij

de meeste Weekdieren grijpt deze kalkafzetting aan de buitenoppervlakte

plaats; zoo ontstaat eene schaal of schelp (huisjesslakken, oester). In

andere gevallen vormt zich de schaal aan de binnenzijde des mantels

(inktvisch, sommige naakte slakken), of er ontstaat slechts eene

ophooping van kalkkorrels (andere naakte slakken.)

In fig. 160 is eene schematische voorstelling gegeven van

de loodrechte doorsnede door 't lichaam van een schelpdier of

mosselachtig Weekdier. Het lichaam L wordt omgeven door de huid,

die bij m den "mantel" vormt, welke de schalen S afzondert, die bij b

met elkander bewegelijk geleed zijn. In de mantelholte bevinden zich

de kieuwen k. Aan den benedenkant van het lichaam vindt men den uit

spieren bestaanden voet V, die voor opzwelling vatbaar is en aldus

tusschen de beide schelpen door naar buiten kan treden. Deze voet is

bij de onderscheiden schelpdieren ongelijk van vorm, maar dient toch

steeds voor voortbeweging (graven, zwemmen, springen).--In fig. 161

is eene slak in doorsnede schematisch voorgesteld. In 't algemeen

onderscheidt men daar dezelfde organen als in fig. 160; maar de

mantel m is er kleiner en overdekt niet den voet (V), die aan de

onderzijde plat is en altijd voor voortkruipen dient, (m' is daar de

"mantelholte").--De voornaamste klassen der Weekdieren zijn 1º. de

Koppootigen, 2º. de Buikpootigen of Slakkken, 3º. de Schelpdieren.

De Koppootigen hebben een' kop, die scherp van de rest des lichaams is

afgezonderd, en waarop, rondom de aan den kop geplaatste mondopening,

van zuignappen voorziene vangarmen geplaatst zijn. (Vb. inktvisschen,

nautilus, papiernautilus.)

De Buikpootigen of Slakken hebben een' kop, die (ongelede) voelhorens

alsmede de oogen draagt; deze laatsten staan bij vele slakken op

den top der voelhorens. De voet is aan de buikzijde afgeplat en

dient om te kruipen. De mantel is gewoonlijk klein en bedekt slechts

de rugzijde des diers, doorgaans slechts een deel daarvan. Ook de

meestal spiraalvormig gewonden schelp ("horen") omhult dus slechts

een gedeelte van 't lichaam; echter kan toch de geheele rest van

't lichaam in dezen horen zich terugtrekken.--De slakken hebben wel

kaken; maar het hoofdorgaan voor het verbrijzelen van de aangetaste

plantendeelen is de tong, die aan de bovenzijde met eene wrijfplaat

bedekt is, welke uit talrijke, in regelmatige rijen geplaatste tandjes

bestaat. Wanneer de tong wordt uitgestoken, dan richten zich de tandjes

op; zoo vormt zich eene rasp, die door vooruit- en teruggaande beweging

de spijs fijn maakt.--De in zee levende slakken ademen door kieuwen,

welke zich in de mantelholte bevinden; de meesten der in 't zoete

water levende en alle op 't land levende soorten zijn zoogenoemde

"longslakken", bij welke de binnenwand der mantelholte (fig. 161,

m') zelf als ademhalingsorgaan fungeert.

Tot de zeeslakken behooren de wulken en de alikruiken; tot de

landslakken: de huisjesslakken (fig. 163) en de naakte slakken

(fig. 162). Tot deze laatsten behooren sommige soorten, die in

vochtige tijden onze kultuurgewassen beschadigen, vooral de jonge

planten. De grauwe veldslak is de meest beruchte soort.--

Schelpdieren. Zonder kop. De mantel scheidt twee schelpen af, die aan

de rugzijde van 't dier met elkaar geleed zijn (fig. 160). De voet is

kielvormig. De ademhaling geschiedt door kieuwen.--Oester; eetbare

mossel; de in tropische zeeën levende parelmossel; zoetwatermossel;

paalworm.

Beginselen der dierkunde · 第 23 / 28 题