Deze hoofdafdeeling, tot welke de oesters, slakken, inktvisschen
behooren, wordt gevormd door ongelede dieren zonder geraamte,
welker lichaam in aanleg altijd tweezijdig symmetrisch is, hoewel
het bij sommige soorten gedurende den verderen groei in sterke
mate zich vervormt. Vooral is dit het geval bij die slakken (de
"huisjesslakken"), welke in een spiraalvormig huisje zijn ingesloten,
en bij welke ook het grootste gedeelte van het lichaam spiraalvormig
gewonden is. De huidbekleeding der Weekdieren is zeer eigenaardig. Op
eene bepaalde plaats van 't lichaam vormt zich een grootere of
kleinere huidplooi of huidlap (de "mantel"), welke eene bepaalde
ruimte, de "mantelholte", naar de functie ook "ademhalingsholte"
genoemd, omsluit. Deze mantel zondert bij de meeste Weekdieren eene
kalkmassa af, 't zij aan den buitenkant, 't zij aan den binnenkant. Bij
de meeste Weekdieren grijpt deze kalkafzetting aan de buitenoppervlakte
plaats; zoo ontstaat eene schaal of schelp (huisjesslakken, oester). In
andere gevallen vormt zich de schaal aan de binnenzijde des mantels
(inktvisch, sommige naakte slakken), of er ontstaat slechts eene
ophooping van kalkkorrels (andere naakte slakken.)
In fig. 160 is eene schematische voorstelling gegeven van
de loodrechte doorsnede door 't lichaam van een schelpdier of
mosselachtig Weekdier. Het lichaam L wordt omgeven door de huid,
die bij m den "mantel" vormt, welke de schalen S afzondert, die bij b
met elkander bewegelijk geleed zijn. In de mantelholte bevinden zich
de kieuwen k. Aan den benedenkant van het lichaam vindt men den uit
spieren bestaanden voet V, die voor opzwelling vatbaar is en aldus
tusschen de beide schelpen door naar buiten kan treden. Deze voet is
bij de onderscheiden schelpdieren ongelijk van vorm, maar dient toch
steeds voor voortbeweging (graven, zwemmen, springen).--In fig. 161
is eene slak in doorsnede schematisch voorgesteld. In 't algemeen
onderscheidt men daar dezelfde organen als in fig. 160; maar de
mantel m is er kleiner en overdekt niet den voet (V), die aan de
onderzijde plat is en altijd voor voortkruipen dient, (m' is daar de
"mantelholte").--De voornaamste klassen der Weekdieren zijn 1º. de
Koppootigen, 2º. de Buikpootigen of Slakkken, 3º. de Schelpdieren.
De Koppootigen hebben een' kop, die scherp van de rest des lichaams is
afgezonderd, en waarop, rondom de aan den kop geplaatste mondopening,
van zuignappen voorziene vangarmen geplaatst zijn. (Vb. inktvisschen,
nautilus, papiernautilus.)
De Buikpootigen of Slakken hebben een' kop, die (ongelede) voelhorens
alsmede de oogen draagt; deze laatsten staan bij vele slakken op
den top der voelhorens. De voet is aan de buikzijde afgeplat en
dient om te kruipen. De mantel is gewoonlijk klein en bedekt slechts
de rugzijde des diers, doorgaans slechts een deel daarvan. Ook de
meestal spiraalvormig gewonden schelp ("horen") omhult dus slechts
een gedeelte van 't lichaam; echter kan toch de geheele rest van
't lichaam in dezen horen zich terugtrekken.--De slakken hebben wel
kaken; maar het hoofdorgaan voor het verbrijzelen van de aangetaste
plantendeelen is de tong, die aan de bovenzijde met eene wrijfplaat
bedekt is, welke uit talrijke, in regelmatige rijen geplaatste tandjes
bestaat. Wanneer de tong wordt uitgestoken, dan richten zich de tandjes
op; zoo vormt zich eene rasp, die door vooruit- en teruggaande beweging
de spijs fijn maakt.--De in zee levende slakken ademen door kieuwen,
welke zich in de mantelholte bevinden; de meesten der in 't zoete
water levende en alle op 't land levende soorten zijn zoogenoemde
"longslakken", bij welke de binnenwand der mantelholte (fig. 161,
m') zelf als ademhalingsorgaan fungeert.
Tot de zeeslakken behooren de wulken en de alikruiken; tot de
landslakken: de huisjesslakken (fig. 163) en de naakte slakken
(fig. 162). Tot deze laatsten behooren sommige soorten, die in
vochtige tijden onze kultuurgewassen beschadigen, vooral de jonge
planten. De grauwe veldslak is de meest beruchte soort.--
Schelpdieren. Zonder kop. De mantel scheidt twee schelpen af, die aan
de rugzijde van 't dier met elkaar geleed zijn (fig. 160). De voet is
kielvormig. De ademhaling geschiedt door kieuwen.--Oester; eetbare
mossel; de in tropische zeeën levende parelmossel; zoetwatermossel;
paalworm.