Wormen zijn tweezijdig-symmetrische (bl. 32) dieren, die als buitenste
bekleeding een' huidspierzak hebben. Onder de opperhuid namenlijk,
die niet verhard is, bevindt zich eene laag, welke niet uitsluitend uit
de leerhuid bestaat, maar aan welker samenstelling steeds spiervezels
deelnemen, die aan de binnenzijde van de huid zijn gelegen. De wormen
bewegen zich voort door de verschillende afdeelingen van den aldus
gevormden huidspierzak samen te trekken en weer te ontspannen.
Bij sommige wormen werken tot deze voortbeweging ook pootjes mee, bij
anderen niet; maar in elk geval spelen deze pootjes, welke altijd
ongeleed zijn, daarbij eene ondergeschikte rol. Sommige wormen
bezitten zuignappen, waarmee zij zich vastzuigen, en het lichaam
bijtrekkend, zich voortbewegen.--Er zijn gelede wormen (regenworm,
lintwormen) en ongelede (spoelwormen, leverbot). Bij de gelede wormen
is de graad van zelfstandigheid der leden zeer verschillend. Bij vele
lintwormen kan men ieder lid als een zelfstandig dier beschouwen; want
ieder lid leidt een' tijd lang een zelfstandig leven. Zóó groot is de
zelfstandigheid der leden van een' regenworm niet; deze leden blijven
altijd een geheel uitmaken.--Tot de Wormen behooren verscheiden, zeer
uitéénloopende groepen. Ik vermeld slechts de klassen der ringwormen,
spoelwormen en platwormen.
Klasse Ringwormen.
Gelede wormen met een rolrond lichaam en met voetstompjes,
welke langere of kortere borsteltjes dragen; echter kunnen ook
de voetstompjes ontbreken en dan zitten de borstelbundeltjes in
groeven. Dit laatste is 't geval bij de regenwormen, bij welke alleen
bij vergrooting de borstelbundeltjes zichtbaar zijn. De regenwormen
zijn hermaphrodiet; d. i. men vindt mannelijke en vrouwelijke
geslachtsorganen bij één en 't zelfde individu. De regenwormen komen
hoofdzakelijk op eenigszins waterhoudenden humusgrond voor, althans
niet op zeer armen zandgrond en in leem. Nu en dan komen zij met hunne
gangen aan de oppervlakte, om de stoffen, welke onverteerd uit de door
hen ingeslikte aarde en uit de door hen opgenomen plantendeelen zijn
overgebleven, in den vorm van eigenaardige hoopjes weer af te geven. De
gangen loopen meestal scheef, bij uitzondering ook wel recht naar
beneden in den grond, tot op eene diepte van 2 1/2 Meter en meer. Zij
eindigen in eene verwijding, waarin de worm ineengerold, den winter
doorbrengt, nadat hij de uitmonding van den gang met een prop van
bladeren, takjes, stroo of papier heeft dichtgestopt.--De regenworm
voedt zich hoofdzakelijk met de organische stoffen, welke zich in
humusrijken grond bevinden; maar hij neemt ook bladeren van kool, uien
en andere planten, vooral van kiemplantjes (in 't bijzonder die van
bieten) op. Hij trekt deze plantendeelen ongeveer 5 cM. diep in zijne
gangen, en bevochtigt ze daar met eene zure, door hem uitgescheiden
vloeistof, waardoor ze eenigszins worden aangetast alvorens te worden
opgenomen. Wèl doen de regenwormen, doordat zij aldus kiemplanten
vernielen, eenige schade, maar gewoonlijk zeer plaatselijk. In ieder
geval weegt die schade op verre na niet op tegen het nut, dat zij
teweeg brengen door het graven van hunne gangen. Daardoor toch kan
de lucht veel beter in alle deelen van den grond binnendringen, wat
voor het plantenleven van het hoogste gewicht is. Nog op andere wijze
worden de regenwormen in den grond voor het plantenleven nuttig,
vooral door hun groot getal. Darwin heeft uitgerekend dat in vele
streken elk jaar op iedere Hektare gronds een gewicht van 25000
Kgr. aarde het lichaam der regenwormen passeert en aldus uit de
diepte naar de oppervlakte wordt gebracht; zoodat de geheele aan de
oppervlakte liggende, humus bevattende laag in weinige jaren hunnen
darm gepasseerd heeft. Zij praepareeren aldus op uitstekende wijze
den bodem voor den plantengroei, daar zij de verschillende deelen
er van telkens weer met de lucht in aanraking brengen. Zij brengen
alle steentjes naar beneden, want zij brengen de door hen opgeworpen
aardhoopjes naar boven; en deze bevatten natuurlijk alleen steentjes,
die klein genoeg zijn om den darm der regenwormen te passeeren. Zij
mengen, evenals de tuinman, de bovendeelen goed dooréén, en zij
begraven in minder tijd dan men zou kunnen vermoeden, de voorwerpen,
welke aan de oppervlakte mochten liggen (beenderen, schelpen, doode
dieren, bladeren), uit welke spoedig weer plantenvoedsel gevormd wordt.
Klasse Spoelwormen.
Lichaam ongeleed, rolvormig, naar de uiteinden toe versmald. Geen
pootjes en borstels aanwezig.--Onder de Spoelwormen heeft men groepen,
welker vertegenwoordigers allen in dieren parasiteeren; andere,
die in den grond of in planten leven. De in dieren parasiteerende
Spoelwormen ontwikkelen zich allen met verhuizing; d. i. één en
dezelfde worm brengt niet zijn geheele leven in 't zelfde dier door,
maar gaat--wanneer het dier, waarin hij leeft, door een ander wordt
opgegeten, in dit laatste over, of brengt een deel zijns levens in
't water door om later parasiet te worden. Het spreekt van zelf,
dat zulke spoelwormen, die zich met verhuizing ontwikkelen, veel
kans hebben, dat zij niet terecht komen juist in de diersoort,
waarin zij kunnen leven; zal de soort niet uitsterven, dan is dus het
voortbrengen van een groot aantal eieren noodig.--De in planten levende
spoelwormen verhuizen hoogstens van den bodem naar de plant, die erop
groeit en van deze terug naar den bodem; de kans van te verdwalen,
zoodat zij niet tot verdere ontwikkeling zouden kunnen geraken, is
veel geringer. Uit het bovenstaande zal dus duidelijk zijn geworden,
waarom de in dieren parasiteerende spoelwormen een groot getal eieren
leggen, die dus zeer klein moeten zijn, terwijl de in planten of in
den grond levende soorten een kleiner getal betrekkelijk groote eieren
leggen. Vermeerderen zich de in planten woekerende soorten sterk,
dan is dit vooral toe te schrijven aan het groote aantal generatiën,
dat elkander per jaar opvolgt, niet zoo zeer aan het buitengewoon
groote aantal eieren, door ieder dier gelegd.
Ik noem hier slechts enkele belangrijke soorten.
a. Spoelwormen, die in dieren parasiteeren: vele soorten van
darmspoelwormen bij den mensch en bij vele huisdieren;--de spoelworm,
die in de luchtpijp der schapen en die, welke in de luchtpijp der
runderen leeft;--de trichine, die als larve in de spiervezels van het
varken gevonden wordt, en dus, wanneer een mensch zulk met trichinen
besmet rauw of onvoldoend gekookt varkensvleesch eet, in den darm van
den mensch overgaat. Daar, in den darm, wordt de trichine volwassen
en plant zij zich voort; de jonge trichinen, die bij duizenden worden
voortgebracht, doorboren den darmwand en vestigen zich later in de
spieren van den mensch. De trichine kan oorzaak worden van eene zeer
gevaarlijke ziekte bij den mensch.
b. Spoelwormen, die in planten woekeren: het stengelaaltje (oorzaak
van eene eigenaardige ziekte in rogge, haver, uien, boekweit, klaver,
enz.);--het tarweaaltje (oorzaak dat zwartwandige gallen ontstaan
op de plaats, waar bij een normale plant de tarwekorrels in de aar
zitten);--het bietenaaltje (oorzaak van eene ernstige ziekte in de
suikerbieten, in haver en eenige andere planten.
Klasse Platwormen.
Een plat, dikwijls bladvormig lichaam; doorgaans geene lichaamsholte:
de ruimte tusschen de inwendige organen en den huidspierzak wordt
door eene sponsachtige zelfstandigheid aangevuld.--Hiertoe brengen
wij de Lintwormen en de Zuigwormen.
Orde Lintwormen.
Den lichaamsbouw van een' lintworm kan men uit fig. 157 leeren
kennen. Men onderscheidt een zeer kleinen "kop", die zich naar
achteren toe voortzet in een' nog smalleren "hals",--verder een zeer
groot aantal leden, van welke de eersten zeer smal en kort en de
volgenden grooter zijn, naarmate zij verder van den kop verwijderd
zijn. In den aanvang bestaat de lintworm uit niets anders dan den kop,
die zich met zuignappen of dergelijke organen aan den wand des darms
vasthoudt. Later groeit het achtereinde van den kop in de lengte en
vormt zóó den zoogenoemden "hals"; spoedig echter vormt zich op een'
kleinen afstand van het uiteinde van dezen hals een dwarswand. Daardoor
wordt alzoo het eerste lid afgesnoerd, dat aan den hals bevestigd
blijft, tot weer een nieuw lid, onmiddellijk vóór het eerstgevormde,
zich afzondert. Op gelijke wijze vormt zich ieder volgend nieuw
lid. Die, welke zich bevinden op den grootsten afstand van den kop,
zijn de oudste leden. Ieder lid bezit zijne eigen geslachtsorganen,
zoowel mannelijke als vrouwelijke; ieder lid groeit zelfstandig en
wordt op een' bepaalden tijd geslachtsrijp, terwijl de dichter naar den
kop toe gelegen leden dit nog niet zijn. Zoodra een lid volgroeid is,
laat het los, verlaat (gewoonlijk met de uitwerpselen) den darm van
't dier, waarin de lintworm leeft, en kruipt weg, soms over groote
afstanden; later barst het, zoodat de eieren vrij raken. Een lid van
den lintworm moet dus als een afzonderlijk dier worden beschouwd,
hoewel toch de leden, zoolang zij aan elkaar bevestigd zijn, te zamen
een geheel uitmaken.
De kop kan, gelijk blijkt uit hetgeen boven werd gezegd, in 't
geheel niet worden vergeleken met den kop van een ander dier; hij
heeft geenen mond. De lintworm heeft trouwens ook geenen darm: kop
en leden nemen ieder voor zich de verteerde voedende stoffen op,
welke in den darm, waarin zij leven, aanwezig zijn; deze voedende
stoffen dringen osmotisch door den lichaamswand van den lintworm. Aan
den top van den kop vindt men ter bevestiging aan den darmwand
zuignappen en bij sommige soorten ook een' krans van haakjes
(fig. 157, B).--Het aantal eieren, 't welk een lid voortbrengt,
kan tienduizenden bedragen. Wanneer deze eieren beginnen te rijpen,
soms reeds eerder, zondert zich het lid van de overige leden af; het
verlaat den darm, hetzij passief met de uitwerpselen, of actief door
eruit te kruipen. Zoo'n lintwormlid, naar buiten gekomen, kruipt als
eene slak verder en hecht zich dikwijls vast aan de eene of andere
plant. Nu laat het zich hooren, dat zeer licht een lintwormlid of
althans eenige door zoo'n lid afgezonderde eieren door een grazend dier
kunnen worden opgenomen. Slechts dàn wanneer een lid of de eieren van
eene bepaalde lintwormsoort in den darm van een bepaald dier geraken,
kunnen de eieren tot verdere ontwikkeling komen. Het spreekt dus van
zelf dat slechts een betrekkelijk gering aantal eieren tot verdere
ontwikkeling geraakt; maar de sterke voortplanting is de oorzaak,
dat in elk geval de soort niet uitsterft.--Wanneer nu een lid (of de
eieren van een lid) in den darm van een' geschikten hospes te recht
komt, dan worden het lid en de eischalen (of de eischalen alleen) in
de maag of den darm verteerd, en de larven komen te voorschijn. Deze
(fig. 158, a) zijn rond, glashelder, natuurlijk mikroskopisch klein,
en bezitten drie paar haakjes, met behulp van welke zij alras den
darmwand doorboren, zoodat zij spoedig in de bloedvaten komen; de
bloedstroom voert ze dan naar alle mogelijke deelen des lichaams. Al
naar de soort van lintworm, waarvan de larve afkomstig is, vestigt
zij zich in 't eene of het andere orgaan van den hospes. Zoo kan de
larve van de eene soort slechts tusschen de vezels van eene spier
tot verdere ontwikkeling komen, die van eene andere soort nergens
anders dan in hersenen of ruggemerg.--Komt zij in een orgaan terecht,
dat voor hare verdere ontwikkeling niet geschikt is, dan blijft zij
daar klein en sterft weldra; maar komt zij in een geschikt orgaan,
dan ondergaat zij de volgende veranderingen. Zij verliest daar hare
haken en verandert in eenen van binnen hollen "blaasworm", die groeit,
tot hij de voor de soort normale grootte heeft bereikt. Intusschen
vormt zich eene instulping aan de binnenzijde van den blaasworm
(fig. 158, b), die in ieder opzicht op een' lintwormkop gelijkt;
zij heeft zuignappen, bij sommige soorten ook een' hakenkrans,
maar aan de binnenzijde in plaats van aan den buitenkant. Later--'t
zij reeds in den door den blaasworm bewoonden hospes, 't zij nadat
de blaasworm met diens vleesch in den darm van een ander dier is
overgebracht--trekt zich de blaas eenigszins samen; zij kan dus niet
meer de vloeistof bevatten, waarmee zij gevuld is, en zoo wordt de
instulping omgestulpt, als een vinger van eenen handschoen, zoodat de
zuignappen aan den buitenkant komen. Zoo is dan de kop van den lintworm
ontstaan, waaraan nog alleen maar de blaas bevestigd is (fig. 158,
c). Deze laatste wordt spoedig verteerd; de kop beweegt zich met
behulp van de zuignappen aan den binnenkant van den darm, groeit in
de lengte en snoert weldra zijn eerste lid af, 't welk spoedig door
een tweede gevolgd wordt, enz.--Zoolang het dier, waarin de blaasworm
leeft, niet door een ander dier wordt opgegeten, blijft de blaasworm,
zonder het vermogen tot verdere ontwikkeling te verliezen, soms jaren
lang op denzelfden ontwikkelingstrap staan.--De levensgeschiedenis
van sommige lintwormen verschilt in bijzonderheden eenigszins van die,
welke boven werd beschreven. Steeds echter heeft iedere lintwormsoort
twee diersoorten noodig om hare geheele geschiedenis te doorleven. Zoo
leeft de lintworm Taenia solium in den darm van den mensch; de
blaasworm, die er bij behoort, leeft tusschen de spiervezels van
het varken en veroorzaakt bij dit dier de zoogenaamde "gortigheid"
of "vinnigheid";--. de lintworm Taenia saginata leeft insgelijks in
den darm van den mensch, maar de daarbij behoorende blaasworm in 't
vleesch van 't rund;--de lintworm Taenia Coenurus leeft in den darm
van den hond, de daarbij behoorende blaasworm in de hersenenholte
van het schaap, dat door dezen parasiet de "draaiziekte" krijgt.
Orde Zuigwormen.
Plat, tong- of bladvormig, ongeleed; parasiteerend in dieren of ook
wel buiten op dieren (in dit geval echter uitsluitend op visschen of
schaaldieren). Aan de buikzijde des lichaams zijn zuignappen geplaatst;
bij de in andere dieren parasiteerende soorten nooit meer dan 1 of
2.--Een darm, die zich in twee takken verdeelt, welke blind eindigen en
bij sommige soorten zelven weer blindzakken hebben; in ieder geval geen
anale opening.--Bijkans alle zuigwormen zijn hermaphrodieten, die zich
zelven bevruchten.--De levensgeschiedenis van de meeste zuigwormsoorten
is nog meer samengesteld dan die der lintwormen; zij geschiedt ook met
verhuizing.--Ik noem slechts ééne zeer bekende soort, nl. de leverbot,
die in de galgangen van schaap en rund (minder van paard en varken)
parasiteert en daardoor oorzaak wordt dat geen gal in den darm komt,
zoodat de spijsvertering en dus de voeding der inwendige deelen niet op
voldoende wijze plaatsgrijpen, waardoor soms duizenden schapen sterven.