II. Gelede Dieren 127-130

I. Insekten 130-167

II. Duizendpootachtigen 167

III. Spinachtigen 167-169

IV. Schaaldieren 169

III. Wormen 169-177

IV. Weekdieren 177-180

V. Stekelhuidigen 180

VI. Holtedieren 181

VII. Protozoën 182

I. BEKNOPT OVERZICHT VAN DEN BOUW EN DE LEVENSVERRICHTINGEN VAN

HET DIER.

Tusschen de verschillende dieren bestaat groot onderscheid; men

vergelijke slechts met elkaar een paard, een koolwitje, eene slak en

een' bloedzuiger. Wanneer ik hier een denkbeeld wil geven van den

lichaamsbouw van een dier, dan heb ik daarbij vooral op 't oog het

lichaam van den mensch en dat van de huiszoogdieren, zooals paard

en rund.

Het lichaam van mensch, paard en rund bestaat uit hoofd (kop), hals,

romp en ledematen. De bovenste ledematen heeten bij den mensch armen,

de benedenste beenen. Bij paard en rund, die op alle vier ledematen

gaan, spreekt men natuurlijk niet van bovenste en benedenste, maar

van voorste en achterste ledematen; bij 't paard spreken landbouwers

en paardenliefhebbers van voorbeenen en achterbeenen; de ledematen

van het rund noemt men, even als die van de andere dieren, voorpooten

en achterpooten.

De ledematen bestaan, van buiten naar binnen, uit huid, vleesch en

beenderen. Aan het hoofd, den hals en den romp kan men eveneens huid,

vleesch en beenderen onderscheiden; maar deze omsluiten gezamenlijk

eene holte, de "lichaamsholte", die weer verschillende lichaamsdeelen

("organen") bevat, welke niet overal met den uit huid, vleesch en

beenderen bestaanden "lichaamswand" zijn verbonden. Hiernevens is

in fig. 1 eene overlangsche doorsnede door den romp, in schets,

afgebeeld. De huid is er door eene streep aangeduid, het vleesch en

de inwendig gelegen vliezen zijn gestreept, terwijl de beenderen

zwart zijn aangeduid. De laatstgenoemde deelen (huid, vleesch,

beenderen) vormen te zamen den lichaamswand. Deze wand omsluit

aan de buikzijde eene lichaamsholte (O), welke bij den mensch,

het rund en het paard weer door het zoogenoemde middenrif (Mr),

als door een tusschenschot, in twee holten, borstholte en buikholte,

is ingedeeld. In de borstholte (Boh) bevinden zich de longen en het

hart, ook de slokdarm (het bovenste gedeelte van het darmkanaal). De

buikholte (Bkh) bevat de rest van het vele malen heen en weer gebogen

darmkanaal, 't welk zich op eene bepaalde plaats verwijdt en aldus de

maag (M) vormt; ook vindt men in de buikholte verschillende met den

darm samenhangende deelen, als de lever, verder o.a. de nieren en de

milt.--Borst- en buikholte worden aan hare rugzijde door de wervelkolom

of ruggegraat begrensd, welke uit vele platte beenstukken, de wervels,

bestaat. De bovenste wervel draagt den schedel, welke de schedelholte

insluit; deze zet zich voort in de reeks wervelholten, die in de

verschillende wervels aanwezig zijn. De verschillende wervelholten

vormen te zamen de ruggemergsholte. Schedelholte en ruggemergsholte

vormen eigenlijk met elkander één geheel, nl. eene lichaamsholte aan

de rugzijde (fig. 1, A), in tegenstelling van de lichaamsholte aan

de buikzijde (fig. 1, O), waarvan boven sprake was. De lichaamsholte

aan de rugzijde bevat de hersenen en het ruggemerg (fig. 1, CZ). Zie

ook fig. 2 en de verklaring.

Ik ga thans de voornaamste deelen des lichaams ieder afzonderlijk

bespreken. Vooreerst behandel ik de beenderen, die te zamen een geheel

vormen, dat wij het geraamte of skelet noemen (fig. 3, 10 en 11).

De as van het skelet wordt gevormd door de wervelkolom of

ruggegraat, die uit platte beenstukken, de zoogenoemde wervels,

is samengesteld. Elke wervel bestaat in hoofdzaken uit de volgende

deelen: 1º. het wervellichaam (fig. 4. a), 't welk naar de buikzijde

gekeerd is, 2º. den boog, die geplaatst is als eene poort op het

wervellichaam, en zich met zijnen top naar de rugzijde des diers

keert. Deze boog omgeeft de wervelholte. Op het midden van den boog

bevindt zich het dorenvormige uitsteeksel (c), terwijl naar links

en rechts de dwarsuitsteeksels (b) zich uitstrekken; en een paar

geledingsuitsteeksels dienen voor de verbinding met den volgenden

wervel, zooals een ander paar geledingsuitsteeksels voor de verbinding

met den vorigen wervel dienst doen.

De verschillende wervels zijn èn in grootte èn in bouw onderling

ongelijk. Onder den schedel vindt men vooreerst een aantal halswervels;

vooral bij den mensch zijn deze betrekkelijk klein. Men vindt bij

den mensch, het paard en het rund, en bij de verdere zoogenoemde

"zoogdieren" een zevental halswervels; hoe langer de hals is, des te

langer zijn de halswervels; hun getal is altijd zeven. Deze wervels

zijn gewoonlijk tamelijk bewegelijk met elkander verbonden. Op de

halswervels volgen de ruggewervels, aan welke de ribben, bewegelijk

geleed zijn. De mensch heeft twaalf ruggewervels en dus ook twaalf

paar ribben; bij de verschillende zoogdieren is dit getal niet even

groot. Bij de zoogdieren, welke op alle vier pooten gaan en een

dikken, zwaren kop hebben, zooals bij het rund en het paard, zijn de

ruggewervels, vooral de voorste, van zeer groote dorenuitsteeksels

voorzien. (Fig. 10 bij s, fig. 11 bij Rw). Aan deze dorenuitsteeksels

is een taaie, elastische band bevestigd, die zich uitstrekt tot

de voorste halswervels en het achterhoofd, en die den kop helpt

dragen. Op de plaats, welke men bij onze huisdieren "de schoft" noemt,

vindt men deze lange dorenuitsteeksels der voorste ruggewervels.--Op

de ruggewervels volgen de lendewervels, bij den mensch ten getale van

vijf aanwezig. De wervels worden bij den mensch van boven naar beneden

toe geleidelijk dikker en steviger, zoodat de lendewervels steviger

zijn dan de ruggewervels en deze weer dan de halswervels. Dit feit

vindt zijne verklaring in de omstandigheid dat de halswervels alleen

het hoofd te dragen hebben, terwijl de volgende wervels des te meer

moeten dragen, naarmate zij lager gelegen zijn.

Hals-, rugge- en lendewervels zijn ten opzichte van elkaar

bewegelijk. Op de lendewervels echter volgen bij den mensch vijf

onbewegelijk met elkaar verbonden wervels, die te zamen het heiligbeen

of kruisbeen vormen, en waaraan de heupbeenderen onbewegelijk zijn

vastgegroeid. Het aantal wervels, 't welk aan de samenstelling van

het heiligbeen meewerkt, is ook al weer niet bij alle zoogdieren even

groot. De ruggemergsholte en het daarin aanwezige ruggemerg strekken

zich uit tot in den eersten heiligbeenwervel; in geen geval bevindt

zich dit laatste in de laatste heiligbeenwervels, en ook niet in de

daarop volgende staartwervels. Van deze laatsten zijn er bij den mensch

vier, die echter zeer klein zijn en alleen uit een wervellichaampje

bestaan; zij vormen te zamen een naar voren gebogen beenstukje, 't welk

onder den naam "stuit-" of "staartbeen" bekend is. Bij vele zoogdieren

zijn er een grooter aantal staartwervels, die te zamen den bewegelijken

staart vormen, in welken zich echter het ruggemerg niet voortzet.

Gelijk reeds boven werd gezegd, zijn aan de ruggewervels de ribben

bewegelijk verbonden. De mensch heeft, er een twaalftal paren. Iedere

rib bestaat uit een achterste gedeelte, dat uit been en een voorste

gedeelte, dat uit kraakbeen bestaat. Van de voorste ribben (de

zoogenoemde "ware ribben") is het kraakbeengedeelte bewegelijk aan

't borstbeen verbonden; de achterste ("valsche") ribben zitten niet

aan 't borstbeen vast. De mensch heeft zeven paar ware, vijf paar

valsche ribben.

Aan het skelet van het hoofd onderscheidt men den schedel en het

aangezichtsskelet. De eerste omsluit de schedelholte, welke de hersenen

bevat. Men onderscheidt aan het schedeldak: twee voorhoofdsbeenderen,

die echter bij den mensch tot één been (fig. 5, g, fig. 6, F)

aanéén gegroeid zijn, twee wand- of kruinbeenderen (f; Pr), twee

slaapbeenderen (e) en het uit verscheiden stukken samengegroeide

achterhoofdsbeen (d; O), waarin zich het achterhoofdsgat bevindt,

aan weerskanten waarvan men een' geledingsknobbel aantreft, welke

beide knobbels het hoofd op een tweetal geledingsvlakten van den

bovensten halswervel kunnen doen bewegen. Door het achterhoofdsgat

heen hangt het ruggemerg met de hersenen samen.--De onderzijde van

de schedelholte wordt begrensd, behalve door het achterhoofdsbeen,

door het wiggebeen (fig. 6, S) met zijne aanhangselen, alsmede,

boven de neusholte, door het zeefbeen (fig. 6 E).

Het aangezichtsskelet bestaat uit de beenderen, die den mond omgeven,

en omsluit verder, ten deele in verbinding met eenige beenderen van

den schedel, de oogholten en de neusholte. Men vindt daaraan vooreerst

twee bovenkaaksbeenderen en het tusschenkaaksbeen (fig. 36, Tkb.). Het

laatste (waarin de snijtanden geplaatst zijn) is bij den mensch

met de beide bovenkaaksbeenderen (waarin de hoektanden en de kiezen

zitten) tot één enkel beenstuk, de bovenkaak (fig. 5, b), vergroeid;

bij de meeste zoogdieren (bijv. paard en hond; fig. 33 en 36) blijft

het tusschenkaaksbeen altijd van het bovenkaaksbeen door een' naad

gescheiden. Verder bestaat het aangezichtsskelet uit de neusbeenderen

(a), de traanbeenderen, het ploegschaarbeen, de neusschelpen (inwendig

in de neusholte verscholen), het neusmiddenschot, de jukbeenderen,

het verhemeltebeen en het onderkaaksbeen (c), welk laatste been ook

oorspronkelijk uit twee gelijke helften bestond.

De bovenste (voorste) en benedenste (achterste) ledematen zijn geheel

naar hetzelfde plan gebouwd; zij bestaan dus uit gelijksoortige

deelen. Het laat zich gemakkelijk inzien, dat de beide paren

ledematen meer op elkaar gelijken, naarmate zij meer voor de zelfde

verrichtingen dienen. Bij 't rund en het paard, waar de beide paren

ledematen in dienst van de voortbeweging zijn, is dan ook hunne

onderlinge overeenkomst grooter dan bij den mensch, waar het eene

paar voor grijpen, het andere voor loopen dient; bij den vogel, waar

het bovenste paar voor vliegen, het benedenste paar voor loopen is

ingericht, is de overeenkomst nog minder groot.

Aan de beide paren ledematen onderscheidt men vooreerst twee

samenvoegingen van beenderen ("gordels" van beenderen), welke ze aan

het skelet van den romp vasthechten. Men noemt deze "beengordels":

schoudergordel en bekkengordel; zij bestaan beide uit drie beenderen.

In de volgende tabel vermeld ik aan de linkerhand de deelen van den

arm des menschen met de beenderen, welke ze samenstellen; aan de

rechterzijde heb ik die deelen van het skelet van 't been geplaatst,

welke met de bedoelde deelen van 't armskelet te vergelijken zijn.

Arm. Been.

I. Schoudergordel, bestaande uit: I. Bekkengordel, bestaande uit:

Schouderblad, Heupbeen,

Sleutelbeen, Schaambeen,

Ravenbeksuitsteeksel. Zitbeen.

II. Opperarm: II. Bovenbeen:

Opperarmbeen. Dijbeen.

III. Benedenarm: III. Benedenbeen:

Ellepijp, Scheenbeen,

Spaakbeen. Kuitbeen.

IV. Hand: IV. Voet:

2 rijen handwortelbeenderen. 2 rijen

voetwortelbeenderen.

Eene rij middelhandsbeenderen. Eene rij

middelvoetsbeenderen.

5 vingers, ieder bestaande uit 5 teenen, ieder bestaande

drie "vingerkootjes", behalve uit drie "teenkootjes",

de duim, die uit twee kootjes behalve de groote teen,

bestaat. die uit twee kootjes

bestaat.

De verschillen tusschen arm en been des menschen vinden hunne

verklaring in het verschillende gebruik, dat ervan wordt gemaakt. De

beenderen van de beenen, die den geheelen romp moeten dragen, zijn

steviger en dikker, maar minder bewegelijk aan elkaar verbonden,

dan het geval is met die van de armen, welke bij den mensch tot

grijpen zijn ingericht. Vooral is de bekkengordel met het skelet van

den romp veel steviger, maar ook veel minder bewegelijk verbonden

dan de schoudergordel. Heupbeen, zitbeen en schaambeen toch zijn

met elkander tot één beenstuk vergroeid; en daar waar deze drie

beenderen samenkomen, bevindt zich de holte ("de gewrichtspan"),

waarin de bovenste knobbel (de "gewrichtsknobbel") van het dijbeen

kan draaien (fig. 3). Verder zijn de heupbeenderen met het heiligbeen

tot een onbewegelijk stuk vergroeid. Dit heiligbeen vormt met de aan

weerskanten daarvan geplaatste heup-, zit- en schaambeenderen, het

"bekken", aldus genoemd, omdat deze beenderen a. h. w. een bekken (kom

of schotel) vormen, waarin bij 't staan en 't zitten de ingewanden

van den mensch rusten. Bij de dieren, die op vier ledematen gaan,

rusten de ingewanden niet in dit "bekken", vandáár ook de andere vorm

der bekkenbeenderen. Bepaaldelijk de heup- of darmbeenderen zijn

bijv. bij paard en rund langwerpig, niet schotelvormig (vergelijk

fig. 3 met fig. 10 en 11). En dat de naam "zitbeen" voor deze dieren

eigenlijk zeer ongepast is, springt in het oog.

De schouderbladen (fig. 7, b) zijn in 't algemeen platte beenstukken,

die los op de rugzijde der ribben gelegen zijn, en er alleen door de

omgevende spieren tegenaan worden gedrukt. Over het schouderblad loopt

eene verhevenheid, een "kam". Een uitsteeksel van het schouderblad

is bewegelijk aan het sleutelbeen bevestigd, dat op zijne beurt weer

bewegelijk verbonden is met het borstbeen. Dicht bij de plaats,

waar het sleutelbeen aan 't borstbeen geleed is, bevindt zich

eene eenigszins uitgeholde vlakte, waarin de bovenste knobbel

(de "geledingsknobbel") van het opperarmbeen draaien kan. Het

ravenbeksuitsteeksel is een beenstukje, dat bij den mensch van

weinig of geen beteekenis is; bij de vogels is het grooter. Daar

het opperarmbeen kan draaien ten opzichte van het schouderblad,

en dit laatste ten opzichte van het sleutelbeen bewegelijk is, het

sleutelbeen evenzeer ten opzichte van het borstbeen, het borstbeen

ten opzichte van de ribben, terwijl de ribben aan een bewegelijk

gedeelte van de wervelkolom bewegelijk verbonden zijn,--zoo is het

gemakkelijk genoeg in te zien, dat de arm veel bewegelijker aan

den romp bevestigd is dan het been. Ook bij de viervoetige dieren

zijn de achterste ledematen veel vaster met den romp verbonden

dan de voorste; bij velen, zooals bij paard en rund, is zelfs

geen sleutelbeen aanwezig. Wèl gaan deze dieren op de beide paren

ledematen, maar het achterste paar wordt toch bepaaldelijk gebruikt

om de voortbeweging tot stand te doen komen, terwijl het voorste paar

meer dient, om er op te rusten. (Denk bijv. aan een paard, dat een'

zwaren last tegen eene hoogte optrekt!) Die viervoetige diersoorten,

welke met hunne voorste ledematen iets moeten aangrijpen of oplichten,

hebben wèl sleutelbeenderen; zoo bijv. de mol, die met de voorpooten

aarde verplaatst.

Bij den mensch kan het spaakbeen om de ellepijp draaien. De ellepijp

(fig. 3, f) is het been, dat aan zijn achtereinde in een' knobbel (de

"elleboog") eindigt; het spaakbeen (g) is het dikst aan het uiteinde

vlak bij de hand, en de hand is er dan ook aan bevestigd, zoodat,

wanneer het spaakbeen zich draait, de geheele hand wordt omgekeerd. Het

plotselinge omdraaien van de hand maakt dit lichaamsdeel voor het

aangrijpen van de meest verschillende voorwerpen geschikter. Het

spreekt echter van zelf, dat eene dergelijke bewegelijkheid van den

voet, door draaiing van 't kuitbeen om 't scheenbeen, niet alleen

voor niets nuttig zou zijn, maar zelfs zeer schadelijk voor het

goed neerzetten van den voet. Bij de viervoetige dieren, die hunne

voorpooten niet gebruiken om te grijpen, is dan ook het spaakbeen

niet om de ellepijp draaibaar; zelfs zijn bij vele dieren deze twee

beenderen voor een deel aan elkander vastgegroeid. Op de plaats, waar

het dijbeen en de beenderen van het benedenbeen aan elkaar verbonden

zijn, vindt men de knieschijf, niet slechts bij den mensch, maar

ook bij alle dieren van gelijksoortigen lichaamsbouw. Op de plaats,

waar boven- en benedenarm aan elkander verbonden zijn, wordt geen

dergelijk beenstuk aangetroffen.

Aan den menschelijken voet zijn de teenen kort, de middelvoetsbeenderen

en voetwortelbeenderen lang; van deze laatsten is er een, nl. het

hielbeen, bijzonder sterk naar achteren gegroeid. Op deze wijze wordt

het ondersteuningsvlak van den voet groot en deze dus geschikter om

er op te staan. Aan de hand zijn daarentegen de vingers in verhouding

tot de andere deelen bijzonder lang; daardoor zijn zij voor grijpen

beter geschikt. Vooral ook is dit het geval doordat de punt van

den duim tegen de vingerspitsen kan worden gebracht. Bij de apen,

die zoowel met de voeten als met de handen grijpen, zijn de kootjes

der teenen bijzonder lang, en de groote teen kan er tegen de toppen

der andere teenen worden gebracht.

Het aantal vingers en teenen is bij de zoogdieren hoogstens vijf;

bij vele dieren echter is het kleiner. Het paard heeft slechts éénen

vinger aan ieder der ledematen (fig. 10); het rund twee (fig. 11) met

nog twee uiterst klein gebleven teentjes daarachter; het varken heeft

aan elken poot twee groote en twee kleinere teenen (fig. 29); de hond

heeft vijf teenen aan de achterpooten, vier aan de voorpooten (fig. 8).

De mensch gaat op zijne geheele voetzool; sommige andere dieren, zooals

hond en kat, alleen op de teenen (fig. 8); weer andere, zooals paard,

rund en varken, loopen op den top der teenen (fig. 10, 11). Bij den

mensch vindt men een groot gedeelte van de rugzijde der vingers en

teenen met eene horenachtige bekleeding bedekt, welke men den "nagel"

noemt; is zoo'n nagel niet (zooals bij den mensch en den mol) plat

en aan het uiteinde stomp, maar daarentegen zijdelings samengedrukt

en aan 't vooreinde spits (fig. 39), dan spreekt men van een' klauw

(hond, kat, konijn). Bij de dieren, welke op den top der teenen gaan,

strekt zich de horenbekleeding van het laatste kootje niet slechts

over de rugzijde maar ook over den top der teenen uit, dien zij als

een schoen omkleedt (fig. 9); men spreekt dan van een' hoef (paard,

rund, varken). Toch noemt de landbouwer de hoeven der runderen,

schapen en varkens meestal "klauwen". (Zoo noemt men eene ziekte,

die den top der teenen aantast, het "klauwzeer".)

Bij verscheiden dieren (zooals rund, paard, varken) zijn het

opperarmbeen en het dijbeen in den romp opgenomen, zoodat de uitwendig

zichtbare ledematen dezer dieren moeten worden vergeleken met die

gedeelten van menschenarm en been, welke beginnen met benedenarm

en benedenbeen. Vergelijkt fig. 3 met fig. 10 en fig. 11. Ik wil

daar nog bijvoegen, dat men aan de voorste ledematen van paard,

rund, schaap en varken het gewricht bij de handwortelbeenderen

(natuurlijk onjuist) noemt: de "voorknie"; dat men het hielbeen

met den naam "hak" bestempelt, dat men de middelhandsbeenderen en

middelvoetsbeenderen "pijpen" noemt. Bij het paard, dat aan elk been

slechts ééne "pijp" en één' teen heeft, vindt men achter deze pijp

twee dunne middelvoetsbeentjes, waaraan geene teenen bevestigd zijn;

deze laatste middelvoetsbeentjes noemt men "griffelbeentjes". (Fig. 10,

achter mh; fig. 30.)

Uit hetgeen wij boven bespraken, volgt reeds dat de beenderen op zeer

verschillende wijze aan elkander kunnen zijn bevestigd. Sommige

beenderen zijn zoodanig aan elkaar vastgegroeid, dat zelfs

geen naad meer te zien is; dit is bij den mensch met de beide

voorhoofdsbeenderen het geval, ook met het bovenkaaks- en het

tusschenkaaksbeen. Andere beenderen vertoonen op de plaats van

aanééngroeiing eenen naad (de meeste schedelbeenderen van den

mensch; tusschenkaaksbeen en bovenkaaksbeen van het paard.) Twee

beenderen kunnen verder op zeer verschillende wijze bewegelijk

met elkander verbonden zijn. Vooreerst kan zich tusschen de beide

beenderen bevinden eene eenigszins veerkrachtige, rekbare massa, die

slechts eene geringe beweging veroorlooft. Zoo zijn twee op elkaar

volgende wervels door kraakbeen met elkander verbonden.--Zijn twee

beenderen niet anders dan met een zeer rekbaar bandje aan elkander

vastgehecht, dan is de onderlinge bewegelijkheid grooter; en dan

spreekt men van een gewricht. Men onderscheidt scharniergewrichten

en kogelgewrichten. Bij de eerstbedoelde wijze van verbinding kan

het eene been zich ten opzichte van het andere tamelijk vrij bewegen,

maar steeds slechts in één vlak, zooals het eene been van een' passer

zich kan bewegen ten opzichte van het andere. Zóó is het opperarmbeen

verbonden aan de beenderen van den benedenarm, en het dijbeen aan die

van het benedenbeen.--Kan het ééne been ten opzichte van het andere

in allerlei richtingen draaien, dan spreekt men van eene verbinding

door middel van een kogelgewricht. Het eene been vertoont dan eene

uitholling, die men de "pan" van 't gewricht noemt. Daarin kan zich de

kegelvormige knobbel, waarin het tweede been eindigt, rondbewegen. Zóó

is de verbinding van het dijbeen met de beenderen van den bekkengordel;

zóó ook die van het opperarmbeen met het schouderblad.

Het beenvlies, dat elk stuk been als een dun vliesje bekleedt,

verandert op de plaats, waar het ééne been met het andere verbonden is,

in een' stevigen, niet zeer rekbaren band ("beursband"), die de beide

beenderen bij elkaar houdt. De binnenste laag van dezen beursband

scheidt eene vloeistof af, die de kraakbeenachtige binnenbekleeding

van de gewrichtspan zoowel als die van de gewrichtsholte bedekt,

aldus de beweging gemakkelijker maakt en afslijting voorkomt. Men

kan dus zeggen, dat het gewricht wordt "gesmeerd".

De beenderen zijn gewoonlijk omgeven door vleesch. Dit laatste bestaat

uit verschillende stukken, die door eene rekbare, taaie massa met

elkander verbonden zijn. De verschillende stukken noemt men "spieren";

elke spier bestaat weer uit een zeer groot aantal draadvormige deelen,

die men "spiervezels" noemt, en die alle in de lengterichting van de

spier loopen. Een spiervezel heeft het vermogen zich samen te trekken,

d. i. plotseling korter en tevens dikker te worden. Wanneer nu alle

vezels van eene spier zich te gelijk samentrekken, dan wordt de geheele

spier korter en dikker. Door haar vermogen, zich samen te trekken en

te ontspannen, kan eene spier weer andere deelen in beweging brengen.

De meeste spieren zijn namenlijk met hare beide uiteinden aan

lichaamsdeelen bevestigd, die zij door hare samentrekking in beweging

brengen. Men onderscheidt huidspieren en skeletspieren, alnaarmate de

spieren aan de huid (met het eene einde ook wel aan haren of veeren)

of aan de beenderen zijn vastgehecht. De dikke spierlaag, waarvan

de egel gebruik maakt, wanneer hij zich samenbalt, is eene sterk

ontwikkelde huidspier. Zoo zijn het ook huidspieren, door welker

samentrekking een vogel zijne veeren opricht. Er zijn vele dieren,

zooals slakken, insekten en wormen, die, daar zij geene beenderen

hebben, geene andere dan huidspieren bezitten.

Eene skeletspier is met hare beide uiteinden aan een been

verbonden. Als nu zoo'n skeletspier zich samentrekt, dan wordt het

meest bewegelijke been naar het minder bewegelijke toe bewogen. Wij

willen de werking van eene skeletspier duidelijk maken, door

eene bepaalde spier als voorbeeld te nemen. In fig. 12 zijn het

opperarmbeen van den mensch en de benedenarm afgebeeld. Alle rondom

den opperarm gelegen spieren zijn weggenomen op ééne spier na. Deze,

in nevensgaande fig. A door 2 afgebeeld, is in haar midden het dikst

en loopt aan hare uiteinden in dunne gedeelten uit, die bovendien

anders van geaardheid zijn dan de eigenlijke spier. Men noemt deze

dunne uiteinden, waarmee eene spier aan de beenderen bevestigd is,

de pezen. (De spier 2 eindigt van boven in twee pezen, van beneden in

ééne pees.) Terwijl nu de spier uit vele fijne vezels bestaat, die

het eetbare "vleesch" vormen, zijn de pezen opgebouwd uit eene zeer

taaie stof, die bij koking in lijm kan overgaan. Slechts het vleezige

gedeelte van eene spier bezit het vermogen, zich samen te trekken,

d. i. korter en tevens dikker te worden. (Vergelijk m' met m in B

en met 2 in A.) Door deze samentrekking wordt het eene been met al

wat daarmee in verbinding staat, naar het andere been toe bewogen;

de beenderen van den benedenarm worden daarbij in het gewricht c

(fig. 12 B) gedraaid. Dit gewricht is een scharniergewricht, zoodat

de beenderen van den benedenarm naar die van den bovenarm toe worden

bewogen als het eene been van een' passer naar het andere.--Er zijn

spieren, die niet aan de huid of aan beenderen zijn bevestigd; dat

zijn de zoogenoemde "holle spieren", die in zich zelven terugkeeren,

en dus eene holte omsluiten. Eene zoodanige spier kan door hare

samentrekking de binnen die holte aanwezige voorwerpen (vaste lichamen

of vloeistoffen) voortbewegen. Zoo bewegen de holle spieren, die in den

wand van den slokdarm aanwezig zijn, brokken spijs van de keelholte

naar de maag; zoo zorgen de holle spieren van den hartwand voor de

voortbeweging van het bloed.

De bewegingen, welke door spieren worden in 't leven

geroepen, onderscheidt men in willekeurige en onwillekeurige

bewegingen. Onwillekeurig noemt men ze, wanneer zij buiten den wil om

tot stand komen, zooals de bewegingen der spierwanden van het hart,

waardoor het bloed door 't lichaam wordt voortgestuwd. Willekeurig

noemt men die bewegingen, welke onder den invloed van den wil

geschieden.

Wil men aan eene spier het vermogen van zich samen te trekken ontnemen,

dan is het juist niet noodig, dat men de spier zelve beleedigt. Iedere

spier staat met eene zenuw in verbinding, die hare fijne vertakkingen

zendt naar al de verschillende spiervezels, waaruit de spier

bestaat. Snijdt men deze zenuw door, dan heeft de spier dadelijk het

vermogen om zich samen te trekken verloren. De zenuw nu heeft haren

oorsprong bij den mensch en bij vele andere dieren in de hersenen of

het ruggemerg. Wij kunnen dus zeggen: de spier verliest het vermogen om

zich samen te trekken, wanneer de verbinding tusschen haar zelve en het

ruggemerg of de hersenen op de eene of andere plaats door doorsnijding

van de zenuw wordt opgeheven. De oorzaak van de beweging der spier

ligt dus in het ruggemerg of de hersenen. Er komt in de laatstgenoemde

lichaamsdeelen eene verandering tot stand--van welken aard deze is,

weten wij niet--, die zich door de zenuw naar de spier voortbeweegt en

de samentrekking van deze laatste veroorzaakt. Wij kunnen ons van wat

er in dezen plaatsgrijpt, de volgende voorstelling maken (fig. 13):

in de hersenen of het ruggemerg wordt als 't ware last gegeven tot het

volvoeren van eene beweging; die last wordt overgeseind door de zenuw

heen en wordt daarna door de spier tot uitvoering gebracht. Hersenen of

ruggemerg zijn dus a. h. w. het middelpunt (het centrum), waarvan het

bevel tot beweging uitgaat; men noemt ze middelpuntsdeelen of centrale

deelen van het zenuwstelsel. De zenuwen, welke van de centrale deelen

naar de spieren loopen, heeten bewegingszenuwen.

Er bestaat echter nog eene andere soort van zenuwen, die men

gewaarwordingszenuwen noemt. Deze ontspringen in de zintuigen

(huid, tong, neus, oor, oog) en geleiden de indrukken, die zij door

tusschenkomst van deze zintuigen uit de omgeving opnemen, naar de

middelpuntsdeelen van het zenuwstelsel toe, waar zij tot bewustzijn

komen.

Als er een voorwerp, waarvan licht uitstraalt, vóór ons oog staat,

dan zien wij het. Wij zien het met ons oog, zoo zegt men gewoonlijk;

maar eigenlijk is dat onjuist; wèl dient het oog om de lichtindrukken

van buiten op te nemen; maar het eigenlijke zien geschiedt niet met

het oog. Aan den achterkant komt uit het oog de gezichtszenuw te

voorschijn, die naar de hersenen loopt. Snijdt men deze zenuw door,

dan is het met het zien gedaan, hoewel het oog zelf ongeschonden is

gebleven. De indruk, dien het verlichte voorwerp op het oog maakt,

wordt door de gezichtszenuw naar de hersenen overgebracht en komt

dààr tot bewustzijn. Hoe dat geschiedt, is ons een raadsel.

De huid (fig. 13) is uit twee lagen samengesteld; de buitenste laag

is de opperhuid, die bloedloos is, zooals duidelijk blijkt, als

men zich op eene plaats snijdt, waar zij bijzonder dik is ("eelt"

onder de voeten, aan de binnenzijde der handen). Onder de opperhuid

is de bloedroode leerhuid gelegen, aldus gekleurd door het vele bloed,

hetwelk er doorheen stroomt. (Van de leerhuid maakt men leer). In deze

leerhuid vindt men de uiteinden van zenuwen.--Raakt men de opperhuid

van een' der vingers met een of ander voorwerp aan, dan voelt men

dat zij wordt aangeraakt, en tevens verneemt men, hoe de vorm en de

warmtegraad van dit voorwerp zijn. Maar snijdt men de zenuw door, die

van den vinger naar het ruggemerg loopt, dan voelt men de aanraking van

een voorwerp niet meer. De indruk, dien een voorwerp op de huid teweeg

brengt, wordt dus door de zenuwen voortgeleid naar het ruggemerg,

en komt daar tot bewustzijn; hoe--dat weten wij alweer niet.

Uit het bovenstaande zien wij dat de voorwerpen buiten ons zoodanig

op ons inwerken, dat wij hunne aanwezigheid vernemen, dat hunne

aanwezigheid bij ons tot bewustzijn komt. Zoodanige inwerking van de

voorwerpen op ons noemen wij in 't algemeen gewaarwording. Deze kan

bij den mensch en ook bij de huisdieren op vijf verschillende wijzen

tot stand komen: door voelen, proeven, ruiken, hooren en zien. Men

noemt het gevoel, den smaak, den reuk, het gehoor en het gezicht

de vijf zinnen van den mensch. Vele dieren hebben minder zinnen;

bij zulke dieren werkt de omgeving op minder dan vijf verschillende

wijzen in. De lintworm bijv. is blind.

De zenuwen, welke de indrukken, die de buitenwereld op ons

maakt, naar hersenen en ruggemerg voortgeleiden, noemt men

gewaarwordingszenuwen. Men mag dus wel de hersenen en het ruggemerg

de middelpuntsdeelen of centrale deelen van het zenuwstelsel noemen,

want zij zijn het middelpunt, waarheen de van de buitenwereld ontvangen

indrukken worden voortgeleid, en van welke ook tevens de aanleiding tot

elke spierbeweging uitgaat. In de bewegingszenuwen geschiedt, blijkens

het bovenstaande, de voortgeleiding in een' zin, precies tegengesteld

aan dien, waarin deze plaatsgrijpt in de gewaarwordingszenuwen.

Fig. 13 geeft eene schets van eene doorsnede dwars door 't lichaam

van een dier. Vergel. de verklaring. Hoe de onderscheiden deelen van

't zenuwstelsel ten opzichte van elkaar liggen, is in fig. 14 te zien,

waar het zenuwstelsel van den hond is voorgesteld.

Menschen en dieren, die geen spijs opnemen, verminderen in

lichaamsgewicht. Dit komt daar vandaan, dat eenige stoffen het lichaam

òf als gassen (koolzuur door de longen) òf als vloeistoffen (urine door

de nieren, zweet door de zweetklieren) verlaten, zonder dat voor die

stoffen iets anders in plaats komt. Op den duur zou een menschelijk

of dierlijk lichaam het niet uithouden zonder opneming van nieuwe

stoffen. De stoffen, welke opgenomen worden, noemt men, alnaarmate zij

vast of vloeibaar zijn, spijzen of dranken. Deze spijzen en dranken,

welke met weinig uitzonderingen (zouten, water) uit het dierenrijk

of het plantenrijk afkomstig zijn, kunnen echter niet als zoodanig

de plaats innemen der voortdurend verdwijnende lichaamsstoffen. Ten

eerste bevatten zij stoffen, die in 't lichaam in 't geheel niet

bruikbaar zijn, en die met de uitwerpselen worden verwijderd. Maar

ook de bruikbare zelfstandigheden worden in de planten en dieren voor

't meerendeel niet in zoodanigen vorm aangetroffen, in welken zij

dadelijk kunnen worden gebruikt. De spijsvertering nu dient om de

spijzen voor het lichaam bruikbaar te maken en tevens om de onbruikbare

stoffen af te zonderen van de wèl bruikbare, en ze daarna uit het

lichaam te verwijderen. Deze spijsvertering grijpt in het darmkanaal

plaats. Het darmkanaal is eene buis, die op verschillende plaatsen

eene zeer verschillende wijdte heeft, doorgaans in allerlei bochten

en windingen in de lichaamsholte gelegen is en zich van den mond tot

de aarsopening uitstrekt. Terwijl de spijzen in het darmkanaal zijn,

worden er verschillende vochten ("verteringsvloeistoffen", zooals

speeksel, maagsap, gal, enz.) mee vermengd, welke er de bruikbare

stoffen uittrekken en deze in den vereischten vorm omzetten. Zoodanige

inwerking van vochten kan des te beter geschieden, naarmate de spijzen

in kleinere stukken verdeeld zijn. Voor het fijnmaken der spijzen

dienen bij de zoogdieren de tanden; bij de vogels dient daarvoor eene

bepaalde afdeeling van het darmkanaal ("de spiermaag"), welke aan de

binnenzijde met harde, scherpe lijsten bekleed is.

Zoolang de voedende stoffen, al zijn zij ook in een' volkomen

geschikten vorm gebracht, in den darm blijven, baten zij het lichaam

niets. Immers het verlies van lichaamszelfstandigheid grijpt in

alle deelen des lichaams plaats, en het is dus noodzakelijk dat de

voedingsstoffen na de vertering in een' toestel worden gebracht,

die ze naar alle deelen des lichaams heen voert. Deze toestel wordt

de bloedsomlooptoestel genoemd.

De bloedsomlooptoestel is gevuld met bloed, eene ongeveer kleurlooze

vloeistof, die een uiterst groot aantal zeer kleine roode schijfjes

(de "bloedlichaampjes") bevat, en daardoor rood gekleurd is. In het

bloed worden de voedingstoffen uit den darm opgenomen.

Het bloed stroomt door het lichaam heen door eene menigte buizen. In

de natuurwetenschappen is men gewoon, buizen met den naam van

"vaten" te bestempelen. Wij spreken dus ook van "bloedvaten",

wanneer wij de buizen bedoelen, waardoor het bloed in 't lichaam

stroomt. Deze bloedvaten vertakken zich herhaaldelijk, tot uit

hunne vertakkingen eindelijk de mikroskopisch kleine "haarvaten" (=

capillairen) ontstaan. Met uitzondering van de opperhuid en de deelen,

welke zich uit deze vormen (haren, veeren, schubben), vindt men in

elk deel des lichaams haarvaten. Deze hebben uiterst dunne wanden,

waardoor gemakkelijk verschillende voedingsstoffen heentrekken, welke

te goede komen aan die kleine deeltjes des lichaams, welke tusschen

de haarvaten zijn gelegen.

Het hoofdwerktuig voor de beweging van het bloed is het hart, een

verwijd en van dikke, samentrekbare wanden voorzien gedeelte van den

bloedsomlooptoestel. Door samentrekking van de holle spieren in den

hartwand wordt het bloed uit het hart geperst; het stroomt dan door

eene buis (de slagader) weg, die zich in verschillende takken splitst,

welke laatsten zich weer splitsen, enz. enz., zoodat ten slotte de

haarvaten ontstaan. Uit de vereeniging van de haarvaten worden weer

adertakjes gevormd, die zich tot eene ader (of tot een paar aders)

vereenigen, welke het bloed weer naar 't hart terugvoeren. Hetzelfde

bloed stroomt dus voortdurend door 't lichaam rond, en men mag dus

met recht spreken van een' bloedsomloop (circulatie). In fig. 16 is

eene voorstelling gegeven van een' zoo eenvoudig mogelijk ingerichten

bloedsomlooptoestel.

Daar het bloed gedurende zijnen omloop aan de verschillende deelen

des lichaams een deel van zijne voedingsstoffen afgeeft, zou het op

den duur voor de voeding des lichaams onbruikbaar worden, wanneer

het geene nieuwe voedingsstoffen uit den darm opnam. Maar nog om

andere reden zou het bloed, en wel zeer spoedig, onbruikbaar worden;

dit zou nl. het geval zijn, wanneer het niet geregeld door de longen

en de nieren en langs de in de huid gelegen zweetklieren stroomde.

Het is algemeen bekend, dat een mensch of dier zonder lucht--of

eigenlijk zonder eene bepaalde in de lucht aanwezige gassoort, de

zuurstof,--niet kan leven. Deze zuurstof moet tot in de kleinste

lichaamsdeelen kunnen doordringen; en door den bloedstroom wordt zij

dan ook overal heen gevoerd. De scheikunde leert, dat verbranding

van eene stof niets anders is dan hare verbinding met zuurstof,

waardoor eene geheel nieuwe stof gevormd wordt. In alle deelen nu van

't lichaam grijpt eene verbinding van lichaamszelfstandigheid met

zuurstof plaats, m. a. w. eene verbranding of oxydatie; echter eene

zoodanige, waarbij geen vlam ontstaat, hoewel er toch wel degelijk

warmte bij ontwikkeld wordt. Zij is de bron der "dierlijke warmte",

die wij bij den mensch en bij vele dieren gemakkelijk dááraan merken,

dat deze eene temperatuur hebben, hooger dan die der omgeving. Maar

niet alleen wordt door deze verbranding, die in alle deeltjes van

't dierlijke lichaam plaatsgrijpt, warmte opgewekt. Men weet dat

eene stoommachine, zoolang er steenkolen in worden gebrand, niet

slechts warmte ontwikkelt, maar ook arbeid kan verrichten; en hoe

meer steenkolen er worden verbrand, des te meer arbeid kan er worden

verricht. Die arbeid komt neer op het verplaatsen van voorwerpen. Ook

het dierlijk lichaam verricht arbeid; bijv. als een dier eene last

voortsleept, maar ook als het zich eenvoudig van de eene plaats naar de

andere begeeft. Het dierlijke lichaam wordt tot deze arbeidsverrichting

in staat gesteld door de verbranding, welke daarbinnen plaatsgrijpt.

Wanneer nu het bloed naar een bepaald lichaamsdeel stroomt en zich

uit de slagadertakjes in de haarvaten begeeft, dan trekken door de

wanden dezer laatste niet slechts voedingsstoffen heen, maar ook

zuurstof. Wanneer nu echter het bloed uit de haarvaten in de aders

overgaat en aldus het bedoelde lichaamsdeel weer verlaat, dan is het

niet alleen armer aan voedingsstoffen, maar ook armer aan zuurstof

geworden; om bij eene volgende rondstrooming de lichaamsdeelen

behoorlijk van zuurstof en voedende stoffen te voorzien, bevat het

daarvan veel te weinig. Daarentegen heeft het bloed, als het uit

de haarvaten van een lichaamsdeel weer in de aderen terugkeert,

verschillende stoffen opgenomen, die daar door de verbranding der

lichaamszelfstandigheden ontstaan zijn. Deze "oxydatieprodukten"

(vergelijkbaar met de gassen en de asch, welke bij de verbranding

van steenkool in eene stoommachine ontstaan) kunnen op den duur

niet blijven in de lichaamsdeelen, waarin zij gevormd werden; zij

zouden daar langzamerhand eene veel te groote ruimte gaan innemen;

en bovendien zijn sommige van deze stoffen schadelijk voor het

lichaam. Het bloed, dat langs de lichaamsdeelen stroomt, neemt de

daar ontstane oxydatieprodukten daaruit op. Als het nu later door

de longen wordt bewogen, scheidt het koolzuur en water uit, welke

stoffen in gas- en dampvorm het lichaam verlaten; tevens voorziet

het zich daar van nieuwe zuurstof. Als het bloed door de nieren en

langs de zweetkliertjes stroomt, geeft het de vloeibare en de daarin

opgeloste vaste oxydatieprodukten af, welke in 't lichaam ontstaan

zijn. De vloeistof (met vaste stoffen er in opgelost), welke de nieren

afzonderen, heet urine; die, welke de zweetkliertjes van zich geven,

zweet. Boven zei ik, dat het bloed in de longen een deel zijner

verbrandingsprodukten kwijtraakt, terwijl het daarentegen nieuwe

zuurstof opneemt. De in de longen aanwezige lucht wordt daardoor armer

aan zuurstof, rijker aan koolzuur; zij zou dus op den duur ongeschikt

worden om opnieuw zuurstof aan het bloed af te staan, ware het niet

dat telkens door de ademhalingsbewegingen nieuwe zuurstof in de longen

werd gebracht. De ingeademde lucht treedt door den neus of den mond

binnen en komt door de keel heen in de luchtpijp, waarvan het bovenste,

verwijde gedeelte het strottenhoofd heet. In de borstholte aangekomen,

splitst de luchtpijp zich in twee takken, van welke er naar iedere

long één gaat. De longen zijn bij de visschen door kieuwen vervangen;

andere dieren hebben nog weer andere toestellen voor de opneming van

zuurstof. De toestellen, die voor de opneming van zuurstof dienen,

worden "ademhalingstoestellen" genoemd.

Daar in 't lichaam voortdurend verbranding van lichaamszelfstandigheid

plaatsgrijpt, dus voortdurend stoffen aan 't lichaam ontnomen worden,

moet het lichaam wel in gewicht afnemen, zoolang het geleden verlies

niet weer door de opneming van spijzen gedekt wordt.

Fig. 15 geeft eene voorstelling van de spijsverterings-, bloedsomloops-

en ademhalingsorganen in hunnen onderlingen samenhang. Zie de

verklaring.

In fig. 17 is een hond afgebeeld, welks borst- en buikholte geopend

zijn. Men kan dus daar de meeste lichaamsdeelen, welke boven werden

besproken, zien liggen. (Vergel. de verklaring).

In het lichaam van een dier grijpen, blijkens hetgeen boven

werd meegedeeld, allerlei werkingen of verrichtingen plaats; de

lichaamsdeelen, welke deze verrichtingen doen tot stand komen, kan

men dus werktuigen of, met een vreemd woord, organen noemen. Een dier

en eene plant noemt men een bewerktuigd lichaam of een organisme,

omdat hun lichaam uit werktuigen of organen bestaat. Steenen zijn

onbewerktuigde lichamen.

Beginselen der dierkunde · 第 6 / 28 题