Op al mijn zwerftochten in het land der Opgaande Zon, werd ik door
Japanners vergezeld, die mij alles uitlegden. In Kioto brachten zij mij
eens in een hoogere jongens- en meisjesschool en daar woonde ik in
verschillende klassen het onderwijs bij in geografie, rekenen,
Engelsch, teekenen en handenarbeid. Toen wij binnenkwamen stond de
geheele klasse op en een kleine dreumes of een klein meisje trad naar
voren en zeide: „Wij verheugen ons zeer, u te kunnen verwelkomen en
hopen, dat u van onze school een goede gedachtenis naar uw land zult
meenemen.” Daarop antwoordde ik, dat het mij een vreugde was de
Japansche kinderen te leeren kennen, en dat ik hoopte, dat zij door
ijverig werken op school, tot degelijke burgers van het machtig rijk
zouden opgroeien, welks zonen en dochters zij waren. Daarna liep ik de
school rond en streek hen over het haar, terwijl zij elkaar guitig
aankeken en in hun schoolbanken giechelden. Ten slotte verzamelden zich
de 450 leerlingen der school op het ruime plein, stelden zich daar in
klassen op, en toen ik langs het front liep, hieven zij een luid
„Banzai” of „lang zal hij leven”, of „hoera!” aan. Ik moest als
aandenken eenige bewijzen hunner vaardigheid mede nemen, waaronder twee
kaarten van Japan, die zij zelf hadden geteekend en die mij aan mijn
eigen schooltijd herinnerden. Daarna werd van ons allen een groote
fotografie genomen; daar zit ik met twee kleine meisjes op schoot, een
dozijn jongens zitten en liggen voor mij en een gansche bloementuin van
frissche jeugd om mij heen.
En dan de brieven, die deze kinderen mij schreven! Dagelijks ontving ik
een heel pakket en had onmogelijk tijd ze alle te beantwoorden. Zij
waren op lange strooken zacht papier met penseel en Oost-Indischen inkt
geschreven en de inhoud was dikwijls zoo vroolijk, dat men bijna in
lachen zou uitbarsten. De vaststaande vragen waren: „Hoe oud zijt gij?
Hoe bevalt u Japan? Zijn de Japanners aardig jegens u? Welke streek van
Japan vindt gij het ’t schoonst? Zijt u in Nikko geweest? Wanneer zult
gij weer naar Japan komen? Wilt u mij een Zweedsche ansichtskaart
zenden als gij weer tehuis zijt?”—Andere kinderen vertelden van hun
bezigheden, en toekomstplannen, en deze plannen waren gewoonlijk zeer
grootsch.
Op een anderen keer,—het was in Tokio—werd mij verzocht een voordracht
voor de studenten te houden. Ik stond op een verhoogde plaats in het
park der universiteit en rondom mij stonden vier duizend studenten.
Gemakkelijk was het niet mij overal verstaanbaar te maken, daar
Jinrikschas op de wegen ratelden, en stoomfluiten aan alle zijden
weerklonken, maar wat deed het er toe, als mijn stembanden op dat
oogenblik sprongen, tegenover al de geestdrift, die mij in de galmende
banzaikreten der studenten ombruiste! Welk een overstroomend leven,
welk een opgewektheid en frischheid in deze jeugd! Toen ik naar hen
toeging om de voorsten de hand te drukken, drongen zij van alle kanten
nader en zouden mij verdrukt hebben als niet eenige sterke jongens, mij
als een burcht hadden omringd. Met moeite bereikte ik mijn wagen, maar
ook deze werd omringd. De paarden werden schuw en moesten bij den toom
geleid worden.—Bij den ingang, onder de Zweedsche en Japansche
vaandels, het gele Kruis en de roode Zon, zouden wij bijna zijn blijven
steken. Tot ver op de straat volgden de studenten het rijtuig in dichte
scharen en riepen steeds weer: „banzai, banzai!”
Dikwijls zag ik een straat feestelijk getooid met kleine vaandels en
lantaarns van gekleurd zijden papier. Als ik dan vroeg of hier een
bruiloft of een dergelijk feest plaats vond, was het antwoord, alsof
het vanzelf sprak: „Neen het is voor twee rekruten in ons kwartier, die
vandaag naar het leger gaan.” Bloedverwanten en vrienden huldigen hen
nu reeds als helden, en zij beschouwen het als hun grootste eer, aan
dit Nippon hunner voorvaderen, ook hun kracht te mogen schenken. Daarom
worden er liederen gezongen als zij uittrekken, en versiert men ’s
avonds de straten met brandende papieren lantaarns en overdag met
vaandels en rijksbanieren. En daardoor is Japan overwinnaar, als het
door vijanden wordt bedreigd. In dit wonderlijk land doet elke knaap,
elke jongeling, elke man geestdriftig zijn plicht. De daglooner
volvoert getrouw zijn plicht, en de soldaat beschouwt het als een geluk
wanneer de oorlog hem ter verdediging van zijn vaderland oproept.