In de diergaarde te Calcutta loopt een geweldige koningstijger met
groote, geluidlooze passen op en neer. Zijn vel is roodbruin, aan de
zijden donker gestreept en bij de buik wit. Zijn bewegingen zijn
bewonderingswaardig zacht en buigzaam, als geschapen voor sluipenden
overval en sprong. Bij de wanden draait hij zich snel en bevallig om,
springt nu en dan vlug op de plank tegen den binnenmuur en glijdt zijn
hol binnen. Maar spoedig is hij er weer, springt op den grond der kooi
en begint opnieuw zijn heen en weer loopen. Naast mij staan voor zijn
kooi eenige koperkleurige Hindoes en twee blanke missen uit Amerika,
met den Baedeker in de hand. Maar de tijger let niet op ons. Zijn gele
oogen, waarin een verterend vuur fonkelt, kijken over onze hoofden naar
de palmen en mangoboomen van het park. „Was ik daar maar,” denkt hij,
„hoe gemakkelijk sloop ik in het duister van den nacht weg en terug
naar de moerassen aan de delta van den Ganges!”
Op een porceleinen plaat tegen de kooi staat: „Menschendooder. Deze
tijger heeft veertig menschen verscheurd.” Eindelijk geraakte hij in
een net of in een kuil en nu is de koning van het kreupelhout een
levenslang gevangene.
Naar de wijze van hun jagen en naar hun smaak, zou men drie soorten
tijgers kunnen onderscheiden, de eene leeft in de moerassen en wouden
van wild, de andere zoekt tam vee als buit, en de derde is slechts met
menschenvleesch te verzadigen! De laatste soort is tamelijk zeldzaam.
In het algemeen gaat de tijger voor laf door, evenals de dieren der
moerassen hem, zoo vreest hij de menschen.
Het meest verbreid is de tijger, die in de moerassen wilde zwijnen,
herten en antilopen najaagt; hij vergenoegt zich echter ook met
kleinere dieren en kan, als het moet, lang honger verdragen. Oude
tijgers zijn loomer en houden zich uit gemakzucht aan tam vee. In
eenige streken steelt de veetijger elken vijfden nacht een koe of een
kalf en richt daardoor natuurlijk groote schade aan. Hij is sterk
genoeg om een dier, dat 180 kilogram zwaar is, eenige honderden
schreden door dicht kreupelhout te sleepen, en zijn honger is pas door
ongeveer 30 kilogram vleesch gestild. Als de tijger een stuk vee heeft
gehaald, sleept hij zijn buit, naar het dichtste riet en vreet zich
zat. Onder den maaltijd drinkt hij ook graag water en als hij genoeg
heeft gaat hij nog eens naar het water, alsof hij zijn mond wil
spoelen. Daarna verstopt hij zich in dicht en eenzaam kreupelbosch. Hij
gaat op de zijde liggen, strekt zijn vier pooten uit, en slaapt den
ganschen dag, maar niet zoo vast, dat het geringste kraken der struiken
of van het riet, hem niet de ooren zou doen spitsen. Zijn gehoor is
ongelooflijk scherp ontwikkeld; op een afstand van eenige meters hoort
hij den kever langs een bamboeblad klimmen, en hij kan alle verwijderde
en nabijzijnde klanken van het kreupelbosch juist onderscheiden. In z’n
veilige schuilplaats beluistert hij den tred van het vee, het grazen
van het schaap en hoort hij op verren afstand het zingen van den
herder.
Den volgenden nacht komt hij langs hetzelfde spoor terug om de rest van
zijn maaltijd te halen, hij gebruikt altijd de wegen, waarlangs de
herders gaan. Deze gewoonte van hem kennen de jagers, en als zij hem
met zoo min mogelijk gevaar te lijf willen, leggen zij een grooten,
ijzeren val op z’n weg, die zoo is samengesteld, dat spitse ijzeren
tanden boven den klauw samen klappen, zoodra de tijger in den ijzeren
ring stapt.
Als de tijger uitgeslapen is, staat hij op, kromt rug en staart als een
kat, rekt zich uit, zoodat de nagels van de voorste klauwen in de aarde
graven en geeuwt met wijd opengesperden muil en uitgestrekte, sterk
gespannen tong. Als hij diep adem haalt, is het alsof een dof gebrul
door het woud gaat. Hij schudt de aarde af, poetst zich schoon met de
tong en likt den grooten, stijven knevel. Daarna gaat hij zacht en
voorzichtig door het kreupelhout, met wijd geopende oogen die in het
donker als groene lichten schitteren. Het riet breekt onder zijn
klauwen. Een nachtuil huilt in een boom boven hem; een vos hoort hem
komen en staat dadelijk stil met opgeheven voorpoot.
Nu is de tijger het kreupelhout uit en sluipt onder de boomen door.
Dikwijls blijft hij luisterend staan en ademt zoo zacht, dat men het
niet zou hooren, ook al legde men het oor tegen zijn muil. Nu slaat hij
een pad in, dat naar de rest van zijn buit van gisteren voert. Maar
dezen keer leidt zijn weg naar den dood. Met den linkervoorpoot stapt
de tijger midden in den valring, de ijzeren tanden vallen samen en
dringen boven den klauw tot op het gebeente in het vleesch. Razend van
schrik en pijn springt het beest als een stalen veer in de hoogte, maar
het kan den klauw niet wegtrekken. Nu hurkt de tijger ineen, want hij
vermoedt een naderende hinderlaag. Menigmaal heeft hij uit zijn donkere
schuilhoeken, in het kreupelhout, de herders met hun kudden zien
trekken, en hij weet het, zij zijn zijn vijanden. Nu zullen zij hem
overvallen. Indien hij zijn leven wil redden, dan moet hij weg. Het
bloed druipt van den klauw, hij spant al zijn krachten in, de ijzeren
tanden laten niet los, maar hij kan den val meesleepen. Hij gaat
achteruit en trekt hem mede. De klauw wordt koud, het bloed druppelt
langzamer en hij lekt het met de tong af. Steeds dieper kruipt hij in
het kreupelhout, en hier ligt hij steunend en jammerend als de zon
opgaat.
Nu weet de jager, dat zijn vijand vastzit, maar hij waagt het nog niet
hem te volgen. Het dier is in elk geval den dood gewijd, want het moet
verhongeren, omdat het ijzer hem verhindert op buit uit te gaan. Het
spoor van het ijzer is duidelijk genoeg en pas na verscheidene dagen
nadert de jager met gespannen geweer en te paard, om te kunnen vluchten
als het beest zijn laatste krachten tot den sprong verzamelt. Bij zijn
nadering richt de uitgeputte tijger zich op; spieren en huid rondom den
geopenden muil zijn verwrongen, de oogen fonkelen groen van haat en hij
sist dreigend, want hij weet, dat zijn laatste uur is gekomen. De
schoten weergalmen in het bosch, en doodelijk getroffen zinkt hij over
het vangijzer neer.
In Midden-Azië waar ik de sporen van den tijger bij het Lop-nor en den
Tarim, dikwijls heb gezien, is hij niet zoo gevaarlijk voor de
menschen, maar in Indië zijn tijgers, die mijlen in den omtrek schrik
en dood verspreiden. Een volwassen tijger is gemeten van den neus tot
het einde der staart drie meter lang. De menschendooder is gewoonlijk
een tijgerin; misschien heeft eens een toeval haar tot dezen smaak
gebracht, of het was haar, toen zij jongen had, die zij niet graag
alleen liet, gemakkelijker herders, houthakkers, postboden enz. te
overvallen, nog liever vrouwen en kinderen, want dezen gaan ongewapend
en bijna naakt en hun huid is zachter. Als de tijger een mensch aanvalt
slaat hij hem de hoektanden in den strot, draait hem met de klauwen het
hoofd om, en breekt zoo zijn wervelkolom. Bij zijn sprong stoot hij een
korten, doffen, hoestachtigen klank uit, welke het weerloos slachtoffer
het bloed in de aderen doet stollen. Eenige jaren geleden doodde men
een tijgerin, die 132 menschen, mannen, vrouwen en kinderen, had
opgegeten; een andere verscheurde er 127. In het jaar 1886 zijn in
Indië bijna 1000 menschen ten offer gevallen aan deze wildste en
bloeddorstigste van alle roofdieren, en 1400 tijgers werden door
menschen gedood. Geheele dorpen werden verlaten, als zich in de
nabijheid een menschendooder had gevestigd, die op vastgestelde
tijdstippen een slachtoffer haalt. Men verlegt wegen en voetpaden, voor
zulke beesten en waagt zich slechts, sterk gewapend en in grooten
getale in het bosch. De bevolking van zulke dorpen zweeft voortdurend
in doodsgevaar. Als een alleen zijnde jager plotseling tusschen de
grashalmen het gestreepte ondier op den loer ziet liggen, heeft hij
geen tijd meer zijn geweer op te heffen en te mikken. Daarom jaagt men
liever op den tijger van den rug van een olifant, vanwaar men het
kreupelhout beter kan overzien, neemt groote voorzorgsmaatregelen, en
roept een menigte menschen en honden op. Een goede hulp voor de jagers
zijn de kraaien en kleine vogels, die door angstig geschreeuw voor het
naderend ondier waarschuwen. Maar de beste speurders zijn de apen, want
zij razen en schreeuwen en schudden de takken, als een tijger onder hun
boom sluipt.
De moedigste tijgerjager, dien ik ooit heb ontmoet, was de Engelsche
generaal Gerard in Indië, hij waagde zich geheel alleen met zijn geweer
met dubbelen loop in de kreupelbosschen en de tijgerjacht was zijn
lievelingssport hij sprak er over alsof het de eenvoudigste zaak ter
wereld was. Hij maakte verre reizen om met zijn kogel een dezer
roofdieren te vellen, dat de menschen in het een of ander dorp
verontrustte. Hij placht de tijger in zijn eigen schuilhoeken op te
zoeken en kroop als het moest, op handen en voeten door de struiken.
Bukte de tijger zich, zijn krachten voor den sprong verzamelend, dan
mikte hij met ongelooflijke koelbloedigheid op het hart van het dier en
nooit miste hij zijn doel al had hij den tweeden patroon ook steeds in
reserve. Op deze moedige en gevaarlijkste jachttochten had hij alleen
216 tijgers gedood.
Veel veiliger is de jager natuurlijk als hij list te baat neemt. Zulk
een jacht heeft een Engelschman mij eens beschreven. Vroeg in den
morgen had een tijger een koe gehaald, maar geen tijd gehad zich zat te
eten, en nadat hij zijn buit in het struikgewas had verborgen, ging hij
naar zijn schuilplaats om gedurende den dag te slapen. Het was dus
zeker, dat hij den volgenden nacht zou terugkeeren. De jager bond nu in
de nabijheid der doode koe, een os aan een paal en verborg zich drie
meter boven den grond tusschen de takken van een boom, die de paal
overschaduwden.
Te vijf uur in den namiddag nam hij zijn plaats in; de zon ging onder,
de schemering kwam en de nacht brak aan. Maar de maan verspreidde eenig
licht. Diepe stilte heerschte in het rond, de os stond te slapen, en de
jager wachtte, zonder geluid te maken in zijn schuilhoek.
Daar klonk in de verte een dof, schor geluid, daarna werd het weer
stil. Spoedig toonde de os de grootste onrust, en de jager waagde het
ook ternauwernood adem te halen, want hij had het roofdier reeds
opgemerkt, het zat eenige schreden verwijderd, en staarde onafgebroken
naar den os, die zoo ver was teruggeweken als het touw hem toeliet.
Geruimen tijd zat de tijger onbeweeglijk, alsof hij een hinderlaag
speurde; het was zoo doodstil, dat hij het kloppen van het hart van den
jager en den os moest hooren. Geen blad bewoog zich, de maan scheen nu
helder, maar de dampen van den Indischen nacht lagen zwaar op den
aardbodem. De jager verkeerde in een koortsachtige opwinding.
Nu richt de tijger zich op en gaat even geluidloos, als hij is gekomen
op den os toe. Daar zijn slachtoffer gebonden is, kan hij den sprong
wagen. Hij is nu nog slechts een voet breed verwijderd,—daar heft de
jager zijn geweer met dubbelen loop op en mikt. Het geringe geluid is
voldoende, om den tijger te waarschuwen. Alsof hij getroffen werd door
een electrischen schok bukt hij zich, richt zijn oogen naar den boom,
en zou onmiddellijk in de struiken zijn verdwenen indien de eerste
kogel hem niet had gedood. De geredde os begon nu een waanzinnigen
vreugdedans rondom zijn paal en sprong met elke rondte over den dooden
roover!
De inboorlingen wagen het zelfs den tijger zonder vuurwapenen te jagen.
Zij nemen twee meterlange bamboesperen, die in een tweesnijdend zwaard
uitloopen. In grooten getale omsingelen zij den tijger in het
kreupelhout waarin zij hem hebben gedreven. In de nauwe, open paden
zijn netten uitgezet; hier en ginds een uitweg zoekend, verwikkelt de
tijger er zich in. Dan snellen de mannen toe en stooten hem hun wapen
in het hart.
In het noord-oosten van Azië wagen de inboorlingen het zelfs niet den
naam van den tijger uit te spreken, want hij is voor hen een voorwerp
van godsdienstige vereering; als iemand van den tijger spreekt, dan
gelooven zij, dat hij het hoort en dadelijk zal komen! Op zijn spoor in
het bosch worden offeranden gelegd. Wie een tijger doodt, zal, zeggen
de Toengoezen, onder de klauwen van een tijger sterven. In Siam en
Korea eet men zijn vleesch om daardoor zijn woeste kracht deelachtig te
worden. Vorsten en rijke lieden op Java richten gevechten aan tusschen
een buffel en een tijger; schouwspelen, die niet minder ruw zijn dan de
stierengevechten in Spanje. De beide strijders worden te samen in een
groote kooi gezet en een van beiden moet het leven laten. Het komt
echter voor, dat de beide tegenstanders, als de tijger zich reeds heeft
vastgebeten aan de ooren van den buffel, of zijn klauwen in diens nek
heeft gezet en de buffel zich weer heeft bevrijd en hem op de horens
heeft genomen, den strijd moede worden en er van afzien, alsof zij een
stilzwijgende overeenkomst hadden gesloten, zich niet meer door ruwe
menschen tegen elkaar op te laten zetten!
Nog een bijzonder soort tijgers, dat in Tibet inheemsch is, moet hier
herdacht worden. Marco Polo, de beroemdste reiziger van de
Middeleeuwen, vertelt reeds van de vele roofdieren, tijgers en beren,
die het land overstroomden, toen de Mongolen het land hadden verwoest,
en tegen welke men zich slechts kon verweren door het aansteken van
groote vuren van bamboeriet. Het bamboeriet, zoo vertelt hij, springt
met zulk een geweldigen knal uit elkaar, dat de roofdieren verschrikt
de vlucht nemen, en dat zelfs de menschen in onmacht vallen. Dat zal de
goede Marco Polo voor 630 jaar wel een beetje hebben overdreven en
tegenwoordig komt het roofgedierte niet meer zoo veelvuldig voor. Veel
griezeliger zijn de tijgers, die door de Tibetanen aan de ingangen van
hun witgepleisterde, steenen huizen zijn geschilderd, om booze geesten
te bannen. Zij hebben afschuwelijke klauwen en sperren den muil open,
alsof zij een os met huid en haar zouden kunnen verslinden; daarbij
zijn zij x-beenig en over het geheel zeer merkwaardig.