Toen ik den eersten keer naar Indië reisde, vergezelde mij een
bediende, een Russische kozak, uit Oost-Siberië. Hij had nog nooit een
olifant gezien, en zijn verbazing was dan ook grenzenloos, toen wij in
een Indische stad een heele troep van deze grijs-zwarte kolossen
tegenkwamen.
„Heer, zijn dat werkelijk levende dieren?” vroeg hij verbluft.
„Ja, gij ziet toch, dat zij loopen en gehoorzaam hun drijvers volgen?”
„Ik meende werkelijk, dat het een soort locomotieven waren, die door
een inwendige machine in gang werden gebracht.”
„Neen, neen, het zijn olifanten, die eens wild in de bosschen leefden,
maar gevangen en getemd, als rij- en lastdieren uitnemende diensten
bewijzen. Let op, ik zal u toonen, dat zij ook kunnen eten.”
Bij het eerstvolgende vruchtenkraampje kocht ik een bundel suikerriet
en hield een der olifanten een riet voor. Hij nam het langzaam en
sierlijk uit mijn hand, hield het dwars in den muil, schilde met den
snuit eenige verdroogde bladeren en de wortelvezels af en at het
overige op.
„Ja,” zeide mijn kozak nadenkend, „het zijn echte dieren; maar zoo iets
merkwaardigs heb ik in mijn geheele leven nog niet gezien.”
De geboorteplaatsen der wilde olifanten zijn de wouden van Indië, het
Achter-Indische schiereiland, Ceylon, Sumatra en Borneo. Een ander
soort wordt in Afrika gevonden. Zij leven in kudden, meestal van dertig
of veertig, en elke kudde vormt een staat op zichzelf. Het opperhoofd
is een volwassen mannetje, met groote, sterke stoottanden, aan wien al
de andere gehoorzamen en dien zij slechts met de grootste
onderdanigheid naderen. Op den zwerftocht door de wouden of op de
vlucht is echter een wijfje steeds de leidster der kudde en bepaalt de
snelheid, al naar de snelheid, waarmede de jongen kunnen loopen. Reuk
en gehoor zijn bij de olifanten zoo fijn ontwikkeld, dat hij een vijand
op den grootsten afstand speurt en het is volkomen doelloos, een kudde
olifanten van de windzijde te willen naderen. Mijlen ver hooren zij het
getrompet hunner soortgenooten en verstaan het heel precies, want de
olifanten hebben verschillende tonen om welzijn of verdriet,
waarschuwing of lokking, vrees of woede uit te drukken. Breken zij ten
aanval door het kreupelhout, dan schalt het geluid gillend als een
trompet uit hun snuit.
De snuit is hun gevoeligst en nuttigst lid. Hij is buitengewoon
beweeglijk en buigzaam en bestaat uit 40000 gedeeltelijk lang
uitgerekte, gedeeltelijk ringvormige spieren. Daarmede rukken zij de
takken van de boomen, schillen handig de bast af, rollen de bladeren
tot een bal ineen en steken dien in den muil. Hun bewegingen zijn
langzaam en log en hun kleine oogen zijn zonder eenige uitdrukking,
alsof zij geen aandacht schonken aan de omgeving. Gedurende de warme
uren van den dag gaan zij liggen, of rusten staande op hun ronde,
plompe pooten. Met den snuit zuigen zij het water op en sproeien het in
hun muil.
Als een kudde wilde olifanten verschrikt wordt, slaat zij ijlings op de
vlucht. Meestal volgt ze oude, uitgetreden paden door het kreupelhout,
maar ook als nieuwe gebaand moeten worden, gaan de dieren, als de
ganzen, met opgerolden snuit achter elkaar, opdat de eersten den weg
banen. Het dichtste struikgewas van bamboesriet versplintert als glas
onder hun gewicht en langs hun zijden kraken de geknakte takken en
neergetrapte stammen. De grijs-roode jongen loopen tusschen de vier
pooten der moeder, en deze passen zorgvuldig op, dat zij hun jongen
niet trappen. Snelstroomende rivieren zijn voor de olifanten geen
hinderpaal; zij gaan rustig in het water en als zij geen grond meer
voelen zwemmen zij; de geheele kudde laat zich op den stroom afdrijven,
maar nadert daarbij gelijkmatig den anderen oever. Tegen hun borst
kabbelt het water als tegen een stoomboot. De pasgeboren jongen worden
door de moeder onder het zwemmen met den snuit ondersteund; de grootere
klimmen op haar rug. Zoodra de dieren grond hebben, heffen hun zwarte
ruggen zich uit het water en dan gaat het in langzamen draf door nieuw
struikgewas heen.
Stooten zij op bewoonde streken, groote open plekken in het woud, waar
de Hindoes hun akkers hebben, dan is het voor de inboorlingen dikwijls
moeilijk zich tegen de dieren te verweren. Want bebouwde akkers zijn
hun heerlijkste weide. Bij aanplantingen, die dikwijls worden bezocht
door kudden olifanten staan daarom voortdurend wachters, die met
trommels geraas maken, schreeuwen en razen, en als dat niet helpt
groote stapels bamboesriet aansteken, om de dieren op de vlucht te
jagen. Dikwijls kennen de olifanten deze list reeds en laten zich niet
storen. Overigens zijn het goedhartige, vreedzame en schuwe dieren, die
zich zoo gauw mogelijk uit de voeten maken als zij onraad bespeuren,
zij zijn daarom niet gevaarlijk voor de menschen, maar de mensch is hun
ergste vijand.
Men vangt in Indië de wilde olifanten, temt ze en richt ze af voor den
arbeid. Gewoonlijk bedient men zich van tamme olifanten om de wilde te
naderen. Handige vangers verbergen zich zoo goed als het gaat op den
rug van hun tamme dieren en jagen ze naar een kudde van hun wilde
verwanten. Zoodra een volwassen mannetje van zijn kudde is gescheiden,
grijpen de jagers het van alle kanten aan, houden het bezig en maken
het bang om het zoo te verhinderen met z’n makkers te ontvluchten en om
het af te matten. Het kan tweemaal vier en twintig uur duren, voordat
het zoo afgemat is, dat het zich onverschillig voor zijn verder noodlot
moet nederleggen. Dan glijden de Indiërs snel van hun tamme dieren af,
binden den afgematten olifant riemen om de achterpooten en binden hem
dan aan den naastbijzijnden boom vast.
Op Ceylon zijn er zelfs buitengewoon handige vangers die met hun tweeën
en zonder hulp van tamme olifanten hun buit opzoeken. Zij volgen een
gevonden spoor, door bosschen en kreupelhout, weten precies den
ouderdom van elk spoor, het getal van de hier doorgetrokken olifanten
en de snelheid van hun gang. Het geringste teeken aan den weg, dat een
vreemdeling nooit zou opmerken geeft hun aanwijzingen, en als zij de
kudde hebben bereikt, volgen ze haar geruischloos, als schaduwen
sluipen zij langs de paden in het woud zoo voorzichtig en zacht voort
als een luipaard, zij raken nooit een ritselend blad, of een krakenden
tak, zoodat de olifanten ondanks hun fijnen reuk en scherp gehoor geen
vermoeden van hun nabijheid hebben. In het diepst van het woud, waar de
olifanten slechts langzaam voortkunnen, komen zij nader, werpen een lus
van ossenlederen riemen voor de achterpooten van hun slachtoffer en
trekken ze op het juiste oogenblik aan. Als de olifant het gevaar
bemerkt en zich met woeste trompetstooten tot den aanval gereed maakt,
dan glippen de vervolgers als boschmuizen door het kreupelhout, maar
komen spoedig weer terug om de lussen steeds weer te versterken, totdat
de olifant vast zit.
In Indië vangt men ook wel heele kudden olifanten opeens, en deze jacht
is wel het meest grootsche en wonderbaarlijkste, wat men zich van jagen
kan voorstellen. Vele honderden inboorlingen worden opgeroepen en
zooveel tamme olifanten als maar mogelijk is. Zoodra de plek bekend is,
waar zich de kudde, misschien uit honderd dieren bestaande, bevindt,
wordt er rondom een keten van verscheidene kilometers omvang gemaakt en
zoo snel en zacht mogelijk een heining van bamboesriet opgesteld. Na
ongeveer tien dagen worden de olifanten onrustig en beproeven door te
breken, maar waarheen zij zich ook keeren, overal worden zij met kreten
en geroep, schoten en zwaaiende, brandende fakkels ontvangen. Eindelijk
schikken zij zich in hun lot en blijven in het midden van den kring
staan, waar zij het minst gehinderd worden.
Intusschen heeft men van vier meter hooge palen een sterke afsluiting
gemaakt van hoogstens 50 meter middellijn. De vier meter breede ingang
kan door een groote valdeur in een oogenblik afgesloten worden en van
de posten der deur loopen twee lange planken heiningen, die naar buiten
steeds verder van elkaar verwijderd zijn. Nu nadert de groote kring van
drijvers de kudde meer en meer, en jaagt ze, onder geraas en
geschreeuw, in deze breede, steeds nauwer wordende gang en daar de
olifanten geen anderen weg vrij vinden, stormen zij in de stevige
omheining, de deur valt achter hen dicht en zij zijn in den val
gevangen. Zij beproeven de omheining wel te vernielen, maar deze is te
sterk, en de drijvers jagen ze van buiten af steeds weer terug.
Nu laat men de dieren acht en veertig uur met rust, en dan begint pas
het gevaarlijkst en moeilijkste deel van de jacht. De ervarenste en
handigste vangers rijden op goed-gedresseerde, tamme olifanten de
afsluiting binnen; zij zijn handig als katten en bij al hun
vermetelheid toch zeer op hun hoede. De tamme olifanten zijn van
strikken voorzien, waaraan de ruiter zich vasthoudt en, als hij wordt
aangevallen, zich laat afglijden. Deze rijdieren worden door hun heer
met een kleinen ijzeren prikkel voor- of achterwaarts, rechts of links
gestuurd. Zoo nadert de ruiter een der wilde olifanten. Als deze tot
den aanval overgaat, is dadelijk een tweede tamme olifant ter plaatse,
die hem met zijn stoottanden bewerkt. Op het juiste oogenblik werpt de
ruiter zijn slachtoffer den strik om den kop, de tamme olifant helpt
met zijn snuit den strik goed leggen en het andere einde wordt om den
stam van een boom geknoopt. Dan laat de ruiter zich op den grond neer
en legt het dier een tweede en derde lus om de achterpooten. Nu is het
onschadelijk gemaakt en rukt en trekt vergeefs aan zijn boeien. Andere
ruiters hebben intusschen eveneens zijn wilde neven gebonden.
Dan worden de gevangenen, den een na den ander uit de afsluiting geleid
en in het bosch aan boomen vastgebonden. Hier moeten ze zich eerst
geruimen tijd aan het gezelschap van menschen en der tamme olifanten
gewennen en pas wanneer vrees en wildheid geheel zijn geweken, brengt
men ze naar de dorpen, waar ze worden gedresseerd om in den dienst van
hun heeren te werken.
Het is een aardig gezicht de tamme olifanten bij hun werk te zien. Zij
dragen hout voor het bouwen en balen koopwaar op de landwegen en zijn
overal, waar men groote kracht noodig heeft, in vrede en in oorlog een
nuttige hulp.
In de grijze oudheid bestond een Indisch leger uit vier afdeelingen:
olifanten, krijgswagens, ruiterij en voetvolk. Den eersten keer, waarop
Europeesche krijgers olifanten op het slagveld ontmoetten, was in het
jaar 331 voor de geboorte van Christus, toen Alexander de Groote,
koning Darius bij Arbela overwon; en toen de koning der Macedoniërs
over den Indus was getrokken, had hij in het jaar 327 aan den oever van
den Hydaspes een harden strijd met de krijgsolifanten van koning Porus
te doorstaan, die als zekere dekking voor het vijandelijke voetvolk
dienden. Maar de Macedoniërs wisten zich te helpen, zij mikten met hun
speren en strijdbijlen op den snuit en de hielen der olifanten en deze
geraakten door pijn in zulk een woede dat zij allen, zonder
onderscheid, vertraden, in de allereerste plaats de eigen krijgslieden
van Porus, die tusschen hen waren ingemetseld en niet konden ontkomen.
Toen Alexander na zijn sprookjesachtige overwinning naar Babylon
terugkeerde, zette hij aan zijn intocht een bijzonderen luister bij
door een reeks Indische olifanten. Als een zinnebeeld van onbegrensde
macht stonden zij later steeds vastgebonden om zijn tent en zijn troon
en toen hij gestorven was gingen rijk met gouden ketenen en Indische
doeken behangen olifanten met den lijkstoet mede. De praalwagen, waarop
de sarcophaag van Alexander naar Egypte werd gebracht was met beelden
van Indische olifanten versierd.
In het jaar 1398 ging de groote Tartarenkoning Timur de Lamme over den
Hindoekust en stiet voor Dehli op den koning van Hindostan. Deze had in
zijn leger honderdtwintig met pantserhemden bekleede olifanten en aan
hun slagtanden waren sabels en vergiftige speren bevestigd; op hun rug
droegen zij torens met boogschutters. Maar Timur joeg hen kudden wilde
buffels met brandende fakkels aan de horens tegemoet, zoodat de
olifanten schuw werden, rechtsomkeert maakten en de Indische troepen in
verwarring brachten. Toen Timur naar huis terugkeerde, bracht hij vijf
en negentig olifanten mede en deze sleepten de steenen voor den bouw
van zijn prachtige grafmoskee, waarvan de meloenvormige koepel nog
heden ver uitsteekt boven de stad Samarkand in Turkestan.
De groot-mogol Dschahangir bezat niet minder dan 12000 olifanten, en
toen Nadir Schah in het jaar 1739 Dehli en den pauwentroon veroverde,
moest zijn leger tegen 2000 olifanten strijden. De buitgemaakte
schatten liet hij op 10.000 kameelen, 7000 paarden en 500 olifanten
naar Perzië brengen en twaalf van de laatste schonk hij den sultan in
Konstantinopel.
Ook in de mythologie der Indiërs speelt de olifant een gewichtige rol.
Volgens de voorstelling der Hindoes rust de wereld op den rug van acht
groote olifanten, die naar de acht windrichtingen zijn gekeerd. Indra,
de God van de lucht en het onweer wordt rijdend op een olifant
afgebeeld en Ganescha, de God der wijsheid en wetenschap, heeft een
olifanten kop.
Zoo gaat de olifant door de wereldgeschiedenis en neemt deel aan den
strijd der menschen en aan haar werk.
In onze dagen, dienen de olifanten voornamelijk om den glans van
Indische vorstenhuizen en nationale feesten te verhoogen. De
Maharadscha’s van Indië zijn steeds goed voorzien van olifanten voor de
tijgerjacht en om te rijden. Bij feestelijke gelegenheden mogen deze
paradedieren nooit ontbreken en oude, goed gedresseerde olifanten die
een deftige, koninklijke houding weten aan te nemen, worden duur
betaald.
Vaak had ik gelegenheid, als gast van Indische vorsten uitstapjes te
maken op den rug van een olifant. Men klimt er met behulp van een
ladder op en vindt boven een gemakkelijk zadel dat bijna op een
leuningstoel gelijkt, en met rugleuning, voetenplank en zonnedak is
voorzien. Maar ik heb ook wel zonder zadel gereden; had dan niets
anders onder mij dan een dikken, rooden deken, met gouden borduursels
en kwasten en een soort handvatsel om mij aan vast te houden. De
bestuurder zit op den nek van het rijdier en ment het met een ijzeren
prikkel.
Als Indische vorsten of de vice-koning zelf op de tijgerjacht gaan
gebeurt dit altijd met een groot aantal olifanten. Deze vormen een
grooten kring rondom het moeras, waarin de tijger zich verschuilt en
naderen steeds meer het middelpunt, totdat zij eindelijk een dichten
muur vormen. Gelukt het den tijger door een gat in den keten te
ontsnappen, dan verscheurt hij dikwijls een der drijvers, die te voet
gaan. Maar voor den berijder van den olifant wordt hij zelden
gevaarlijk, want hij verkiest langs den grond te sluipen, als hij van
alle kanten wordt opgejaagd. Heeft men hem eindelijk gedwongen, het
kreupelhout te verlaten, dan valt hij onder de goed gemikte schoten der
jagers.
Toen de nu gestorven koning van Engeland in 1903 tot keizer van Indië
werd gekroond, hadden er groote feestelijkheden in Dehli plaats, aan
welker voorbereiding verscheiden jaren werd gewerkt. Een bepaalde
wedijver ontbrandde onder de vele Indische vorsten voor de ontplooing
van pracht en rijkdom. Voor Dehli werd een nieuwe feeststad gebouwd van
reuzengroote tenten, met woningen, straten en marktpleinen, om na
enkele dagen weer van den aardbodem te verdwijnen en op den dag van het
kroningsfeest ging een der schitterendste optochten, die de wereld ooit
heeft gezien, door de straten van Dehli. Voorop reed de hertog van
Connaught, als vertegenwoordiger van zijn koninklijken broeder, die
zelf niet aanwezig was, en de vice-koning, lord Curzon, met zijn
jeugdige gemalin, op hooge olifanten; haar zadel geleek een gouden
tempel met een koningstroon, en daarop volgden alle regeerende vorsten
en Maharadscha’s van Indië in gewaden van goudbrokaat en bezaaid met
edelgesteenten. De groote, waardige olifanten droegen hun hooge heeren
door het gewoel van vele honderdduizenden Hindoes en Mohammedanen en
boven de hoofden der toeschouwers en door een bosch van lansen en
geleken op groote, wandelende kolossen, zoodat ze de indrukwekkendheid
van den stoet verhoogden. Hun lichaam verdween bijna onder kostbare,
met goud en zilver overladen, bont geborduurde zijden kleeden, en
overal schommelden gouden ketenen en kwasten; driepuntige doeken hingen
over hun voorhoofd omlaag, tot aan de vergulde, of met metalen schubben
overtrokken slagtanden. Rijk beladen met de schatten van Indië, met
goud en diamanten, zijden kleeden uit Benares, parelen van de kusten
van Bahrein en Ceylon, liepen zij met een waardigheid verder alsof zij
wisten, hoe onontbeerlijk zij zijn, als het er om gaat een
onuitwischbaren indruk te maken op de volkeren van Indië.
De wilde olifant moet honderdvijftig jaar oud kunnen worden, de tamme
zelden meer dan tachtig. Daar men heel zelden geraamten van olifanten
vindt, gelooven de Singhalezen in Ceylon, dat de olifanten hun dooden
begraven. In enkele streken meent men zelfs, dat zij onsterfelijk zijn.
Het waarschijnlijkst is, dat de oude olifant, als hij den dood voelt
naderen, een moeilijk te bereiken plek opzoekt in het diepste van het
woud, of aan den rand van een moeras, waar hij zeker is, ongestoord van
het leven te kunnen scheiden.
Wie de tamme olifanten in Indië heeft gezien, moet ze liefhebben en hun
plichtgetrouwheid, goedigheid en geduld bewonderen. Als zij niet
werken, staan zij vastgepind op het plein of in het park onder het
dicht gebladerte der boomen; hun bewakers maken ze schoon, voeren ze en
brengen ze ’s morgens en ’s avonds naar de drinkplaatsen. Een ring
omsluit den eenen achterpoot en deze is met een ketting aan een paal
bevestigd; die massieve paal is geheel blank, want sedert tientallen
jaren heeft de olifant zijn dikke huid er reeds tegen geschuurd en in
het rond een diepe gleuf in den grond getreden. Misschien is zijn
huidige bewaker een kleinzoon van den man, die hem eens de vrijheid
benam, of een oud man, die reeds aan zijn kleinzoons toont, hoe tamme
olifanten behandeld moeten worden. Geslachten heeft zulk een olifant
voorbij zien gaan. Zou hij zich den tijd nog herinneren, toen hij in
ongebonden vrijheid met zijn kudde door de groote, donkere wouden
zwierf en aanmatigend het bamboesriet vertrad, dat zijn weg versperde?
Nu gehoorzaamt hij gedwee den bruinen man, wiens borstkas hij met één
trap van zijn poot zou kunnen verpletteren. Luistert hij wel naar de
lokkreten zijner vrije neven, als zij met opgeheven snuiten trompettend
door de bosschen stormen? Nu draagt hij het kleed van een gevangene en
wordt door andere gevangenen omgeven. Misschien verlangt hij nog steeds
naar bosch en vrijheid terug, misschien hoopt hij nog steeds, eenmaal
weer in gezelschap van vrije stamgenooten, vrij de zon te kunnen
begroeten, als ze over een vrij Indië opgaat.