In het gewoel van den bazaar hebben wij vrouwe Fatime geheel uit het
oog verloren. Nadat zij eindelijk weer buiten gekomen is, snelt zij
naar huis, naar haar vervelende kamer in den harem, en om in de
schemeruren zich niet te vervelen, laat zij danseressen komen, die met
castagnetten en kleine trommels in de handen, blootsvoets op de
tapijten moeten dansen. Dag aan dag gaat zoo haar leven even ledig en
vreugdeloos voorbij. Misschien is zij het, van wie een Duitsch dichter
vertelt, dat zij elken avond naar een fontein afdaalde, om den jongen
slaaf te zien, die daar om dien tijd placht te komen. Zij zag, hoe hij
er dagelijks bleeker en meer vervallen uit zag, en op zekeren avond
vatte zij moed, ging naar hem toe en fluisterde snel:
„Uw naam wil ik weten,
Uw geboorteland, uw maagschap”—
En de slaaf sprak: „Ik heet
Mohammed, ik kom uit Jemen,
En mijn stam is die der Asra
Die sterven als zij liefhebben.”—
Als nu eindelijk het stervensuur van Fatime zelf komt, worden priesters
in het huis geroepen, om de gebeden op te zeggen, welke de poorten van
het paradijs openen. In haar kamer geurt de wierook, en als het leven
is gevloden, worden haar oogen dichtgedrukt. Het doode lichaam wordt
met lauw water gewasschen en met kamfer ingewreven. Daarna wordt zij in
een wit laken gehuld, er wordt een doek om haar hoofd gewonden, en het
haar in twee bosjes achter de ooren bevestigd en in twee vlechten over
schouder en borst gelegd.
In den harem heerscht groote beroering. De andere vrouwen zijn blijde
de medeminnares kwijt te zijn, en zij moet denzelfden dag nog worden
begraven; want men heeft er hier een grooten afschuw van, lijken, ook
maar een minuut langer in huis te houden, dan beslist noodig is. Nu
ligt zij op de baar, de gebeden voor de dooden worden opgezegd, tegen
zonsondergang zet de lijkstoet zich in beweging en de klaagtonen der
daarvoor gehuurde klaagvrouwen weergalmen door de nauwe straten. Een
lijkdienst in een godshuis kent men hier niet; de moskeeën zijn voor de
levenden, niet voor de dooden. Haastig gaat de stoet naar de schaduw
der cypressen, waar de witte grafsteenen zoo dicht op elkaar staan als
rijpe korenaren op den akker. Het graf is niet diep, maar heeft een
kleine zijcrypta, waarin het lijk zoo wordt geschoven, dat het gelaat
naar Mekka is toegekeerd; voor de crypta worden eenige planken
bevestigd en dan vult men het buitenste graf weer met aarde. Op den
grafsteen zijn eenige herinneringswoorden of een spreuk uit den koran
te lezen.
Onbeschrijfelijke stilte en groote vrede heerschen op de kerkhoven van
Konstantinopel. Slechts hier en daar dringt het zonlicht door de
donkere cypressen. Een geschilderde fez of een in steen gemetselde
tulband versiert de graven der mannen, bladeren en bloemen die der
vrouwen. Drie steenen bloesemknoppen op een grafsteen, zeggen ons, dat
de doode drie kinderen heeft achtergelaten. Veel kinderen te hebben
gehad is de hoogste eer der vrouw.
Zulk een grafzerk bestaat gewoonlijk uit een liggenden en twee rechtop
staande steenen. Aan de hoeken van den liggenden steen bevinden zich
schelpvormige holten, hierin verzamelen zich regendroppels en dauw, en
de zangvogels komen er om te drinken en door hun gezang den slaap der
dooden aangenamer te maken. Den dag der opstanding zullen de
gestorvenen zich te voet en te paard uit den schoot der graven spoeden,
om tot de vreugde van het paradijs te worden verzameld.