Fatima Hanun speelde als kind in een der nauwe straten van Stamboel.
Toen zij tot jonkvrouw was opgegroeid, verloofden haar ouders haar met
Emin Effendi, den zoon van een aanzienlijken pascha. Zij kende hem
ternauwernood; maar hij was rijk en ging door voor een goede partij.
Zijn huis ligt aan een der groote straten in Skoetari, en bestaat uit
twee, streng van elkander gescheiden deelen. In het eene heeft de man
zijn vertrekken, in het andere wonen de vrouwen. Want Fatime is niet
zijn eenige vrouw, maar de vierde en allen worden streng bewaakt door
slavinnen en slaven.
Daarom gevoelde Fatime zich vanaf het eerste oogenblik ongelukkig met
haar man, wiens liefde haar niet alleen behoorde, en met de drie andere
vrouwen, die dezelfde rechten hadden als zij, was niet in vrede te
leven. Daardoor is haar leven zonder inhoud en vervelend geworden en
haar dagen gaan voorbij in ledigheid. Urenlang kan zij achter het
traliewerk van het hoekvenster boven de straat staan en op het gewoel
beneden neerzien. Is zij het kijken moede, dan gaat zij weer terug naar
haar niet zeer groote kamer. In het midden ervan klatert een kleine
fontein en langs de wanden staan divans. Ontstemd legt zij zich neder
en roept een slavin, die een tafel brengt, welke bijna zoo klein is als
een voetenbank. Fatime rolt een cigarette, steekt ze aan, en volgt met
slaperige oogen de blauwe rookkringetjes op hun weg naar de zoldering
der kamer. Weer roept zij een slavin. Er wordt een schaal met
zoetigheden gebracht, zij geeuwt, eet een stukje van de confituren en
rekt zich uit op het zachte kussen. Daarna drinkt zij een glas limonade
en gaat naar een met leer overtrokken kast, waarvan zij het slot opent.
Hier liggen haar sieraden, gouden armbanden, parelen, kettingen,
turkooizen, oorringen en bonte zijden doeken. Zij slaat een ketting om
haar hals, siert haar vingers met ringen, en bindt een dunnen, zijden
sluier om haar hoofd. Daarna gaat zij voor den spiegel staan en
bewondert haar eigen schoonheid, want zij is werkelijk schoon! Haar
huid is zacht en wit, haar oogen zwart, en het haar valt in donkere
golven langs haar schouders neer. Maar met de kleur van haar lippen is
zij niet tevreden. De slavin brengt een kleine porceleinen doos en met
een penseel verft Fatime zich de lippen rooder dan koralen, die de
kooplieden uit Indië in den bazaar verkoopen. De wenkbrauwen zijn haar
ook niet zwart genoeg, zij bestrijkt ze met Oost-Indischen inkt. De
slavin verzekert haar, dat zij betooverend is en schooner dan de drie
andere vrouwen, maar daarom vindt Fatime het des te vreemder, dat Emin
Effendi haar zoo lang alleen laat.
Als zij het bekijken harer eigen trekken in den spiegel moede is, bergt
zij de sieraden weer zorgvuldig op. Van haar kamer voert een trap naar
den tuin en hier wandelt zij een poos rond tusschen klaterende
fonteinen, en verheugt zich over rozen- en jasmijngeur, en over het
groote koor der zangvogels, met wie zij blijft staan praten. Daar
verschijnt een der andere vrouwen in den tuin van den harem en roept
haar toe: „Je bent zoo leelijk als een zeekat, Fatime! Je bent oud en
gerimpeld en je oogen hebben roode randen! In geheel Stamboel wil
niemand je aanzien!” Fatima antwoordde: „Indien Emin Effendi je niet
moede was, oude, wormstekige papegaai, dan zou hij mij niet in zijn
harem hebben gebracht!” En daarmede snelt zij terug naar haar kamer, om
daar den spiegel te ondervragen of haar oogen misschien toch roode
randen hebben.
Om haar ergernis te vergeten, besluit zij naar den grooten bazaar in
Stamboel te rijden. De slavin slaat haar een wijd overkleed om, in
welks plooien de witte handen met de geel-beschilderde nagels
verdwijnen. Zij glipt in de pantoffelvormige schoenen, die van voren in
een hoog omgebogen punt uitloopen en doet den sluier om, het
gewichtigste kleedingstuk. Het bovenste deel ervan omhuld kruin en
voorhoofd tot aan de wenkbrauwen, het onderste kin, mond en een deel
van den neus. Een Turksche vrouw mag geen anderen man dan haar
echtgenoot het gelaat toonen. Wel overtreden in den laatsten tijd velen
dit gebod, maar Fatime doet nog niet mede aan dit misbruik. Zij laat
slechts haar oogen zien, doch haar blik is voldoende, om de mannen op
straat te laten zien, dat zij schoon is. Maar niemand is zoo vermetel
haar gade te slaan, of toe te spreken; slechts als zij Europeanen
ontmoet, keert zij zich af.
De slavin is thuis gebleven. Aan de kade liggen de kaiks, de lange
roeibooten, en hier blijft Fatime staan. De roeiers omringen haar en
schreeuwen door elkaar, ieder prijst met woorden en gebaren de
voordeelen van zijn boot. Nadat zij haar keus heeft gedaan, stapt zij
in en laat zich neer op de kussens. De kaik is zoo smal en fijn als een
kano, wit geverfd, glimmend gevernist, en met een gouden rand langs de
verschansing. Twee sterke mannen leggen ieder een roeispaan in, en vlug
als een aal schiet de kaik over het blauwe, heldere water van de
Bosporus.
Op het midden van het water werpt Fatime een blik op de zee van
Marmara. Zij verlangt naar een kort uur van vrijheid en beveelt den
roeiers een anderen koers te nemen. De wind is frisch, zij halen de
roeispanen in en hijschen de zeilen, en met suizende snelheid glijdt de
boot zuidwaarts. Hoe gemakkelijk vergeet men hier buiten op de zee van
Marmara den tijd en al zijn zorgen! Men strekt zich gemakkelijk uit,
sluit bijna de oogen en verzinkt in een halve sluimering. Maar toch
ziet men alles: de hooggewelfde, groene Prinseneilanden, de
uitgestrekte watervlakten, de masten, meeuwen en witte zeilen, en hoort
het eentonig ruischen tegen de wanden van den kaik.
Maar Fatime is luimig; spoedig heeft zij ook genoeg van den boottocht
en geeft bevel naar de naaste kade te sturen. Daar geeft zij ieder der
bootslieden een zilverstuk, hetwelk zij aannemen zonder er voor te
danken of ten afscheid te groeten. Daarna spoedt zij zich naar den
grooten bazaar en gaat uit het warme zonlicht der straten de koele
schaduwen en schemering in.
Want de bazaars gelijken op tunnels, overdekte straten en sloppen met
gewelfde daken, en door de openingen der gewelfde koepels dringt het
daglicht slechts schaarsch door. Maar in den zomer merkt men hier de
hitte niet op, en op regendagen gaat men hier droogvoets. Men gewent
zich spoedig aan de schemering, maar men vindt moeilijk den weg, als
men niet in Stamboel is geboren of dit labyrinth reeds dikwijls is
doorgegaan. De gangen zijn tamelijk smal, maar toch breed genoeg om
rijtuigen en vrachtwagens door te laten.
De bazaar is op zichzelf een onderaardsche stad, de stad der kooplieden
en handwerkslieden. Aan beide zijden der straten is een eindelooze
reeks kleine open winkels, waarvan de vloer iets hooger ligt dan de
straat en tegelijk voor toonbank en uitstalling der waren dient. Elk
handwerk en elke waar heeft zijn eigen straat. In de straat van den
schoenmaker is allerlei schoenwerk tentoongesteld, voornamelijk
pantoffels van rood en geel leder, geborduurd en met gouddraad bezet,
voor mannen, vrouwen en kinderen, voor rijken en armen. Men kan lang
loopen, zonder iets anders te zien dan pantoffels en schoenwerk, zoodat
men blij is als het rijk der pantoffels eindelijk een einde neemt, en
de straat der rijke kooplieden zich opent, die brocaatstoffen in goud,
zilver en zijde verkoopen. Hier is het beter niet veel geld bij zich te
hebben, want hier liggen Perzische tapijten, geborduurde zijden doeken
uit Indië, kaschmir-sjaals en het prachtigste wat Zuid-Azië en
Noord-Afrika kan aanbieden. Arme Fatime! Haar man is zeker rijk, maar
hij heeft geen lust haar zijn geld in den bazaar te laten verspillen.
Met weemoedigen blik beziet zij turkooizen uit Nischapoer, robijnen uit
Badachshan en parelen van de kusten van Bahrein. Zij heeft toch reeds
een bloedkoralen collier uit de zeeën van Indië—waarom kan zij niet
nalaten nog eenige sieraden te koopen.
Spoedig heeft zij de zilverstukken, die zij bij zich droeg, uitgegeven
en zoekt nu snel een uitgang, die echter nog zeer ver is. Zij komt door
de straat der metaalarbeiders en verdwaalt in de steeg der wapensmeden.
Hier heerscht een oorverdoovend geraas van hamers en kloppers, want de
winkels zijn tegelijkertijd werkplaatsen. Weer slaat Fatime een hoek
om. Maar zij moet verdwaald zijn, hier kan zij niet verder. In deze
gang worden waterpijpen en allerhande rookgerij verkocht, en nu richt
zij zich naar een anderen kant. Reeds van verre zegt haar een
doordringende geur, dat zij de straat der specerijen kooplieden nadert.
Bijna bij elke schrede moet zij naar den weg vragen. Zij is ook nog te
jong, over eenige jaren zal zij hier wel beter den weg kennen.
Niet alleen in Konstantinopel en geheel Turkije, maar overal in de
Mohammedaansche landen koopt en verkoopt men in zulke half donkere
tunnelgangen, de bazaars, in Noord-Afrika en Arabië, in Klein-Azië en
Perzië, in Indië en Turkestan. Overal waar zich minaretten boven de
woningen van menschen verheffen en de gebedroeper zijn: „Er is geen God
buiten God”, met zingende stem verkondigt, daar geschiedt de ruil
tusschen handelswaren en klinkende munt in donkere bazaars. De groote
bazaar van Stamboel is een der rijkste, maar ook waar de bazaars klein
en onbeduidend zijn, heerscht hetzelfde leven en dezelfde
bedrijvigheid.
Een gedrang van menschen uit alle naties woelt in het halfduister. De
meesten zijn natuurlijk Turken, maar in geheele reeksen van winkels
verkoopen slechts Perzen. Hier komen Hindoes uit Indië, Egyptenaren uit
Kaïro, Arabieren van de kusten der Roode Zee, Tscherkessen en Tartaren
uit den Kaukasus en de Krim, Saren uit Samarkand en Buchara, Armeniërs,
Joden en Grieken samen, ja, het gebeurt niet zelden dat men een neger
van Zanzibar of een Chinees uit het verre Oosten tegenkomt. Het is een
bonte mengeling van verkoopers en koopers, makelaars en—dieven uit
geheel het Oosten, en een gewoel en geraas, dat niet ophoudt, zoolang
de dag duurt; een haast, een ijver en een jacht om zijn waar kwijt te
raken en geld te verdienen, een stemmengebruis, nu en dan onderbroken
door de bellen van de kameelen der karavanen, die nieuwe voorraden
brengen aan de kooplieden. Wanneer zij in de schemering verdwenen zijn,
dan volgt hun spoor een reeks muilezels. Met zeer luide stem biedt een
man druiven en meloenen aan, die hij in een mand draagt; een tweede
torst ze in een lederen waterzak. En boven al dit bont gewarrel het
onbestemde licht; slechts nu en dan valt door een der lichtopeningen
een bundel zonnestralen in deze onderaardsche stad; in de breede
lichtstreepen warrelt dicht stof, met den rook der pijpen omhoog en
binnen dezen licht- en luchtovervloed pakt zich de dampkring tot een
dichten nevel samen. De uitwaseming van menschen en dieren, de lucht
van bestoven waren, tabak, afval, sterke specerijen, frisch, sappig
fruit—alles te zamen vormt een niet te beschrijven lucht, die eigen is
aan alle bazaars van het Oosten. En vooral de zoogenaamde
„luizenbazaar”, waar afgedragen kleeren, gebruikte uniformen zonder
tressen en knoopen, gescheurde matrassen en bedden, bedorven huisraad
en meubelen, verpande en gestolen zaken te koop worden geboden, draagt
zijn naam met recht.
Aan den Noordelijken kant van den bazaar in Stamboel ligt bovendien een
rij karavansera’s, geweldige steenen gebouwen met meerdere
verdiepingen, galerijen, gangen en vertrekken, waarvan het midden
steeds door een groote binnenplaats wordt gevormd. Hier hebben de
groothandelaars hun pakkamers, en ten slotte vindt men in de
onderaardsche straten koffie- en eethuizen, badhuizen en kleine
moskeeën. Hier is voor alles gezorgd, en wie dus een dag in den bazaar
wil doorbrengen, behoeft, voordat de nacht invalt, niet naar huis te
gaan.