Een bal aan het Duitsche Keizerlijk hof—dit schouwspel is geen slechte
reiservaring, en men zal wel gaarne hooren, hoe het daar toe gaat.
Juist op tijd ben ik met mijn costuum gereed gekomen en te negen uur
rijdt het rijtuig de gewelfde slotpoort binnen. Op de met loopers
belegde treden van de stoep staan soldaten van de lijfwacht in
ouderwetsche uniform, onbeweeglijk, alsof het wassenpoppen waren, zij
bewegen niet eens de oogen, om de voorbij stroomende gasten na te zien,
laat staan het hoofd. Boven aangekomen in de feestzalen, loop ik
langzaam over spiegelgladde parketvloeren door een reeks schitterend
gemeubelde vertrekken, waar een zee van electrisch licht straalt.
Portretten van de koningen van Pruisen hangen tegen de verguld lederen
behangsels. Ten slotte bevind ik mij in de groote zaal, die haar naam
ontleent aan de zwarte adelaars tegen het plafond.
Welk een bonte menigte wacht iemand hier! Aanzienlijke dames, in
kostbare met edelsteenen bezaaide toiletten, en waarheen men de oogen
laat gaan, fonkelen en schitteren de facetten der diamanten. Generaals
en admiraals in parade-uniform, hooge ambtenaren, gezanten van vreemde
landen, waaronder ook de Chineesche en Japansche, staan daar te wachten
en buigen voor een hooge gestalte, die nu voorbijgaat. Het is de
Rijkskanselier.
Kamerheeren verzoeken nu de gasten zich langs de wanden der zaal te
willen scharen. Een heraut komt binnen, stoot met zijn zilveren staf op
den grond en roept luid: „Zijne Majesteit de Keizer.” Dadelijk houdt
elk gedruisch op. Vergezeld van zijn gemalin, de prinsen en prinsessen,
gaat Willem II door de zaal en groet zijn gasten met mannelijken
handdruk. Hij begint met de dames, gaat daarna naar de heeren, en
spreekt met ieder. De Zweedsche gezant stelde mij voor; onmiddellijk
begint de Keizer een gesprek over Azië. Hij spreekt over den veldtocht
van Alexander den Groote door West-Azië en vindt het wonderlijk, dat de
naam van een mensch gedurende eeuwen in onverminderden glans kan
voortleven. Hij vraagt mij terwijl hij naar de adelaars aan het plafond
wijst, of mij hunne gelijkenis met de Chineesche draken niet is
opgevallen. Daarna springt hij over op Tibet en den Dalai-Lama, op de
woestijnen van Azië met met hun verbazend groote eenzaamheid. Spoedig
daarop klinkt muziek en de aanzienlijke wereld, met goud en juweelen
getooid, geeft zich over aan den dans. Jonge, schoone meisjes zweven
als elfen voorbij, officieren met kortgeknipt haar en nauwen kraag
leiden haar op de tonen van den wals. Alles is vroolijk, voornaam en
gewichtig.
De eenige, die gelijkmoedig blijft is de keizer zelf. Een trek van
diepen ernst ligt op zijn krachtig gelaat; is hij niet keizer van het
Duitsche rijk met zijn vier koninkrijken Pruisen, Beieren, Saksen, en
Wurtemberg, zes groot-hertogdommen, veel hertog- en vorstendommen, het
Rijksland Elzas-Lotharingen, en de drie vrije steden Hamburg, Lubeck en
Bremen? Hij is vorst over vijf-en-zestig millioen menschen, en zijn
rijk omvat twee honderd zeven steden, die elk meer dan vijf-en-twintig
duizend inwoners hebben en zeven steden met meer dan een half millioen
zielen. Berlijn, Hamburg, Munchen, Leipzig, Dresden, Keulen en Breslau!
Door de kracht van zijn ijzeren wil heeft hij een geweldige vloot
gevormd, die in Engeland, hetwelk vroeger alleen de zee beheerschte,
bezorgdheid wekt. Hij is de opperbevelhebber van een leger, dat in
oorlogstijd zoo groot is, als de gansche bevolking van Zweden! Dat
alles moet hem al zoo ernstig stemmen, dat de tonen der muziek slechts
zelden een glimlach aan zijn lippen ontlokken.
Toen ik in het jaar 1889 voor het eerst Berlijn bezocht, had Keizer
Wilhelm juist den troon beklommen en kon men hem vaak aan het hoofd
zijner troepen zien rijden. Nu gaat hij meestal in een automobiel door
de straten en een bijzonder hoornsignaal kondigt van verre zijn
nadering aan. Hij rijdt met de snelheid van een sneltrein en boven de
automobiel wappert de Keizerlijke vlag.