Wat zij er zochten n.l. schatten, hebben zij verkregen; want

Produced by Jeroen van Luin, Peter Klumper and the Online

Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net

OUDHEID EN MIDDELEEUWEN.

VERHALEN EN SCHETSEN

VOOR DE

HOOGSTE KLASSE DER VOLKSSCHOOL,

DOOR

A. NUIVER en O. J. REINDERS,

Hoofdonderwijzers te Groningen en te Nieuwe Schans.

TWEEDE DRUK.

DE GRONINGEN, BIJ J. B. WOLTERS, 1875.

Gedrukt bij M. de Waal te Groningen.

#VOORBERICHT#.

_Slechts met enkele woorden willen we dit boekje bij het publiek

inleiden. Met deze "Oudheid en Middeleeuwen" is de reeks van

schoolboeken over de geschiedenis gesloten, die we in het voorbericht

der "Nieuwe Geschiedenis" beloofden. We verwijzen voorts ieder naar dat

voorbericht, die iets van onze denkbeelden over het onderwijs in de

geschiedenis op de lagereschool wenscht te weten._

_Ten einde dit hoekje meer te doen beantwoorden aan den aard onzer

lagereschool, hebben we de opstellen over 't geheel wat kleiner van

omvang gemaakt, dan het geval is in de "Nieuwe Geschiedenis." We hopen

dat dit boekje een even gunstig onthaal vinde als de vorige._

18 April '73.

_Bij den tweeden druk hebben we enkel te melden, dat we dit werkje

zooveel mogelijk van misstellingen hebben gezuiverd._

8 Nov. '74.

#INLEIDING#.

Door Algemeene Geschiedenis verstaat men een aaneengeschakeld verhaal

van de belangrijkste gebeurtenissen, die er op aarde sedert de vroegste

tijden hebben plaats gehad.

Eene gebeurtenis noemt men _belangrijk_, wanneer zij een grooten

invloed uitoefent op de ontwikkeling en beschaving der menschen.

Wijl het veld der Algemeene Geschiedenis verbazend uitgebreid is, heeft

men het in #drie# (soms ook #vier#) hoofddeelen en deze ieder afzonderlijk

weder in tijdvakken verdeeld. Die hoofddeelen zijn:

1. de _Oude Geschiedenis_. Zij begint met de geschiedenis van de

vroegste tijden en loopt tot den ondergang van het West-Romeinsche rijk

(476 n. C.). In deze geschiedenis is sprake van de zoogenoemde

Oostersche volken, (Perzen, Phoeniciërs, Israëlieten, Aegyptenaren enz.)

van de Grieken en de Romeinen.

2. de _Middeleeuwen_. Deze loopen van den ondergang van 't W. Romeinsche

rijk tot de ontdekking van Amerika of tot de Hervorming. (476 tot 1492

of 1517). De Germaansche volken spelen in de Middeleeuwen de hoofdrol,

evenals in

3. de _Nieuwe Geschiedenis_. Zij bevat het verhaal van de

gebeurtenissen, die sedert de ontdekking van Amerika tot op onzen tijd

hebben plaats gehad. (1492 tot heden).

De Oude Geschiedenis wordt door sommigen weer verdeeld in de volgende 4

tijdvakken:

_a._ van de vroegste tijden tot Cyrus of tot ± 550 v. C.

_b._ van Cyrus tot Alexander den Grooten (550 v. C. tot ± 330 v. C.).

_c._ van Alexander tot Augustus (330 v. C. tot ± 30 v. C.).

_d._ van Augustus tot den ondergang van 't Romeinsche rijk in 't Westen

(30 v. C. tot 476 n. C.).

De Middeleeuwen verdeelt men ook in 4 tijdvakken:

_a._ van den ondergang van 't West-Romeinsche rijk tot het verdrag van

Verdun (476 n. C. tot 843).

_b._ van 't verdrag van Verdun tot het begin der kruistochten (843 tot

1096).

_c._ van 't begin tot 't einde der kruistochten (1096 tot 1291).

_d._ van 't einde der kruistochten tot de ontdekking van Amerika (1291

tot 1492).

De Nieuwe Geschiedenis wordt in de 3 volgende tijdvakken verdeeld:

_a._ van de ontdekking van Amerika tot den Westphaalschen vrede (1492

tot 1648).

_b._ van den Westphaalschen vrede tot de Fransche revolutie (1648 tot

1789).

_c._ van de Fransche revolutie tot heden (1789 tot 1875).

Tot recht verstand van de gebeurtenissen dient men niet alleen te

weten, _dat_ en _hoe_ ze hebben plaats gehad, maar ook _wanneer_ en

_waar_ ze zijn voorgevallen. Vandaar heeft de geschiedenis twee

hulpwetenschappen in de _aardrijkskunde_ (geografie) en de

_tijdrekenkunde_ (chronologie).

De beschaafde volken van onzen tijd tellen hunne jaren _vóór_ en

_na_ Christus, den stichter der Christelijke Kerk.

De oudste geschiedenis der volken is zeer onzeker en fabelachtig;

men kende toen de schrijfkunst nog niet, en in plaats van _zekere_

berichten had men slechts de _overlevering_ of het verhaal van mond

tot mond. Vandaar komt het ook, dat wij van de eerste menschen

weinig of geene berichten bezitten.

1. EEN MERKWAARDIG VOLK.

Gaat eens voor een oogenblik heel, heel ver met mij in den tijd terug.

Zoo'n 4000 à 5000 jaren ongeveer; 't komt niet op een honderd jaar aan.

Laat uwe verbeelding nu nog eene koene vlucht nemen over de

Middellandsche zee naar den Noordoostelijken hoek van Afrika, en we zijn

waar we wezen willen n.l. in Aegypte. Een wonderlijk schouwspel vertoont

zich aan ons oog. We zien geen land maar eene groote zee, waarboven zich

talrijke steden, dorpen en alleenstaande gebouwen verheffen. We zijn al

dadelijk geneigd, 't land en voornamelijk de inwoners te beklagen, die

zooveel van 't water hebben te lijden. Ons medelijden is echter

misplaatst. Wat wij een ramp achten, wordt hier als een zegen beschouwd

en met verlangen tegemoet gezien. Dit wordt ons duidelijk, wanneer we

slechts geduld hebben. Zie, 't water zakt, wel langzaam maar toch

merkbaar. Steeds meer land wordt er zichtbaar en eindelijk ontwaren wij

een uitgestrekt dal, waardoor eene breede en majestueuse rivier hare

wateren stuwt, met tal van steden en dorpen aan hare oevers.

Eene dikke laag slib heeft de rivier overal, waar zij buiten hare oevers

is getreden, achtergelaten. Daarin wordt nu het zaaizaad geworpen, en in

ongelooflijk korten tijd zien we het ontkiemen, tot rijpheid komen en

een oogst leveren, waarvan we in onze streken geen denkbeeld hebben.

't Behoeft ons dus niet te verwonderen, dat de Aegyptenaren den

zegenbrengenden Nijl (zoo heet de rivier), als het beeld der

vruchtbaarheid, goddelijke eer bewijzen!

Nu zijn we ook in staat volk en land beter te kunnen waarnemen, en we

merken dadelijk, dat beiden al even merkwaardig zijn. 't Volk moet het

in kunsten en wetenschappen al vrij ver gebracht hebben. Dat getuigen de

dijken en kanalen, aangelegd en gegraven om van de vruchtbaarmakende

overstrooming, die jaarlijks van 't einde van Juli tot het laatst van

October duurt, zooveel mogelijk partij te trekken.

Dat zeggen ons de prachtige en groote steden als Memphis en Thebe, dat

ook de menigte groote gebouwen en beeldhouwwerken, dat de uitmuntende

wijze, waarop het land bebouwd wordt. Onder de bouwwerken vallen ons

dadelijk steenbrokken in 't oog, die den vorm hebben van eene kolossale

vierzijdige pyramide. Maar wat een gevaarte! De dom van Straatsburg met

toren en al, benevens nog eenige kleine kerken, zouden er met gemak in

geborgen kunnen worden.

Aan die groote dáár hebben dan ook 100,000 menschen niet minder dan 40

jaren lang gearbeid. Waartoe ze dienen die geweldige steenmassa's? Ja,

ge zoudt het misschien niet willen gelooven en toch is het zoo--tot

begraafplaatsen voor de koningen. 't Is trouwens alles kolossaal, wat we

hier zien. Kolossaal zijn de tempels, die zalen hebben, waarin eene vrij

groote kerk met gemak zoude geplaatst kunnen worden. Kolossaal zijn de

paleizen, waaronder één (het Labyrinth) niet minder dan 3000 zalen

heeft. Kolossaal zijn de obelisken, hooge, slanke, vierzijdige zuilen

van boven spits toeloopende, meest uit een stuk graniet gehouwen.

Kolossaal zijn de sphinxen, steenen beelden, het lichaam van een' leeuw

met het hoofd eener vrouw voorstellende.

Op al die bouwwerken bemerken wij eene menigte zonderlinge figuren. Dat

is het schrift der Aegyptenaren; het bestaat niet uit letters maar uit

teekens. 't Is ons onmogelijk dit hiëroglypenschrift (zoo heet het) te

ontcijferen. Knappe menschen is het echter na zeer veel inspanning

gelukt, en nu zij ons daardoor veel merkwaardigs over de zeden en

gewoonten, over den godsdienst en de geschiedenis der Aegyptenaars

kunnen mededeelen, willen wij onze denkbeeldige reis staken en liever

van hen vernemen, wat zij al door dat schrift en door de verhalen der

Grieksche schrijvers zijn gewaar geworden.

De oude Aegyptenaren waren een ernstig, godsdienstig volk, slaafs

onderdanig aan hun' koning of Pharao (zoon der zon), dien zij bijna als

een god vereerden. 't Volk was in kasten verdeeld, waaronder de

#priesterkaste# de voornaamste was. Deze laatste bevatte niet alleen die

lieden, welke den godsdienst regelden, maar ook de geneesheeren, de

sterrenwichelaars, de bouwmeesters, kortom, alles wat maar geleerd mocht

heeten. Naast deze was de aanzienlijkste kaste die der #krijgslieden#. Uit

deze werd de koning gekozen, maar bij de aanvaarding zijner regeering

moest hij ook in de priesterkaste worden opgenomen. Overigens had men

nog de kaste der #landbouwers#, die der #kooplieden#, der #schippers# en

der #herders#; de laagste en meest verachte was die der #zwijnenhoeders#.

Dit kastenstelsel belemmerde alle vrije ontwikkeling, daar de zoon in de

kaste zijns vaders moest blijven.

De godsdienst speelde bij de oude Aegyptenaren eene groote rol. Daaraan

was al hun denken en werken gewijd. De Aegyptenaren hadden een'

natuurgodsdienst. Zij vereerden de weldoende krachten der natuur, het

vuur, het licht, het water, de zon, den hemel enz. Deze alle stelden zij

in den vorm van personen of dieren voor, welke in verschillende streken

des lands ook verschillende namen droegen. Vele dieren werden door de

Aegyptenaren als heilig beschouwd. Daartoe behoorde in de eerste plaats

de stier #Apis#, die geheel zwart moest zijn, behalve eene witte plek van

bepaalden vorm op den rug. Zulk een beest genoot eene buitengewone

vereering: algemeene rouw gedurende 70 dagen, wanneer hij stierf;

algemeene vreugdefeesten, wanneer men zoo gelukkig was weder zulk een

zeldzaam exemplaar machtig te worden. Ook de ibis, de hond, de kat, ja

zelfs de hoogst gevaarlijke krokodil werden voor heilig gehouden en als

godheden vereerd. Wee dengene, die het waagde, een dezer dieren te

dooden of te beleedigen. Bijzonder veel zorg wijdden de Aegyptenaars aan

hunne dooden. Zij begroeven ze niet, zooals wij onze lijken doen, maar

balsemden ze, en dat zóó kunstig, dat ze honderden, ja duizenden jaren

bewaard konden blijven, voor ze tot verrotting overgingen. Zoo heeft men

in verschillende museums van oudheden nog goed bewaarde mummiën der

Aegyptenaren. Waren de lijken gebalsemd, dan werden ze in steenen kisten

gelegd en in de onderaardsche gangen der doodenstad bijgezet. Eens (zoo

meenden de Aegyptenaren) zou de ziel, na in verschillende dieren gehuisd

te hebben, zijn voormalig stoffelijk hulsel weder betrekken. Vandaar die

buitengewone zorg. De koningen kregen als heel bijzondere wezens, ook

bijzondere begraafplaatsen. Eene dikwijls 600 tot 700 voet hooge

pyramide diende hun tot grafzerk. Toch was het niet iedereen gegund,

eene plechtige begrafenis te erlangen. Wanneer iemand stierf, kwamen de

doodenrechters te zamen en hielden gericht over den doode. Was er nu

meer goeds dan kwaads van den gestorvene te zeggen, dan werd hem eene

eervolle begrafenis toegekend, zoo niet, dan werd die geweigerd. En

hiervan was niemand uitgesloten--zelfs de koning niet.

Langen tijd was dit merkwaardig land bijna ontoegankelijk voor

vreemdelingen, totdat een zeker koning, #Psammetichus#, zijn rijk voor de

Grieken openzette.

We willen ons niet verdiepen in de dikwijls vrij wat fabelachtige en

onzekere geschiedenis van Aegypte. Alleen stippen we aan, dat het rijk,

na een zeer langdurig bestaan, waarin het dan eens tot groote macht

kwam, dan weer de prooi van roofzuchtige horden werd, eerst een deel

werd van het Perzische rijk, daarna veroverd werd door Alexander den

Grooten en eindelijk in de macht kwam van de Romeinen.

2. EEN BEZOEK TE BABYLON.

In oude tijden lag aan de oevers van den Euphraat eene zeer

merkwaardige, groote stad, Babylon genaamd. Deze stad is reeds lang van

de aarde verdwenen, maar toch is er ons door oude schrijvers en geleerde

mannen, die de opschriften van de bouwvallen met veel moeite hebben

ontcijferd, zooveel verhaald, dat wij ons wel eenigszins kunnen

voorstellen, hoe zij er vroeger moet uitgezien hebben, en hoe de

bewoners leefden en werkten. Daarom willen we maar weer de stoute

schoenen aantrekken, met onze gedachten een paar duizend jaar teruggaan

en ons in Babylon verplaatsen.

We treffen in de omstreken dezer stad eenen vruchtbaren bodem aan; de

rivier de Euphraat is hier even als de Nijl in Aegypte, de groote

zegenaanbrenger. We staan dan ook verbaasd over de weelderige gewassen,

de heerlijke granen, de prachtige palmbosschen. En dat de bewoners die

vruchtbaarheid tot hun voordeel weten aan te wenden, bewijzen de met

zorg bewerkte akkers, de zware dijken, de afwateringskanalen en sluizen.

Blijkt uit dit alles, dat de inwoners met vlijt den landbouw beoefenen;

wij merken tevens, dat de handel hier tot een hoogen trap van bloei

gestegen is.

Eene menigte groote en kleine rijkgeladene schepen zien we toch koers

zetten naar de wereldstad, terwijl weder andere de voortbrengselen van

de Babylonische nijverheid naar andere oorden vervoeren. Karavanen, die

de schatten van 't verre Indië met zich voeren, trekken voortdurend de

wereldstad binnen. Maar 't wordt tijd, dat we de stad zelve eens nader

bekijken. Al dadelijk valt ons haar ontzaggelijke omvang in het oog, een

omvang, welke die onzer grootste steden verre overtreft.

De stad vormt een regelmatig vierkant, waarvan iedere zijde bijna 4 uren

lang is.

Midden er door heen stroomt de Euphraat, waarover eene prachtige brug

gebouwd is. Om de stad bevindt zich een muur van 140 meters hoogte en

van zulk eene verbazende breedte, dat daarop twee vierspannen nevens

elkander kunnen rijden. Tweehonderd en vijftig torens moeten dienen om

dien muur te verdedigen, terwijl honderd poorten met metalen deuren van

vijftig el hoogte toegang tot de stad verleenen.

't Is echter eene geheel andere stad, dan onze hedendaagsche steden.

Voor en na worden de vrij regelmatige straten afgewisseld met weilanden,

waar kudden grazen, met bouwlanden, waar koren groeit, zoodat men zich

nu eens in de stad, dan weder op het veld verbeeldt te zijn.

Babylon wordt de stad der paleizen genoemd en te recht. De huizen zijn

meest drie of vier verdiepingen hoog en ontzaggelijk ruim en

uitgestrekt. Ze zijn meest opgetrokken van tichelsteenen, terwijl het

verbindende cement uit asphalt bestaat. Bovendien zijn de muren met eene

gipslaag bedekt, waarop eene menigte beelden en spijkerschrift zijn

aangebracht.

Twee gebouwen vallen ons echter bijzonder in het oog: de reusachtige

koninklijke burcht en de tempel van Bel met zijnen kolossalen toren.

Twee geweldige muren (de buitenste is meer dan twee uren in omtrek)

omringen de trotsche burcht, waaraan niets gespaard is, wat rijkdom en

kunst kunnen aanbrengen.

Tusschen de muren en het eigenlijke paleis heeft men prachtige tuinen

aangelegd, die terrasvormig oploopen en daarom hangende tuinen genoemd

worden.

Nog meer indruk maakt echter op ons de tempel van Bel (de god des

lichts). Hij bestaat voornamelijk uit eenen zeszijdigen toren van 8

verdiepingen. Zijne hoogte bedraagt 200 el, terwijl ieder der zes zijden

ook 200 el lang is. Dat is nog een andere toren, dan die te Straatsburg

of te Utrecht, niet waar?

Maar niet alleen de hoogte des torens en zijne reusachtige afmetingen,

ook de overvloed van gouden sieraden en beeldhouwwerken verwekt onze

bewondering.

In wijde kringen slingert zich eene verbazende trap gelijk eene

monsterslang naar de spits van den toren.

Hier en daar vindt men rustbanken, waardoor men in staat is, de

reuzenstad in al hare uitgestrektheid te overzien.

Op de bovenste verdieping bevindt zich een groot bed, benevens eene

gouden tafel. Op dat bed, zou volgens de priesters, eenmaal de god Bel

komen slapen.

Er is hier dus wel wat bijzonders en moois te zien.

Gaan we echter eens het volk na in zijn doen en handelen, dan worden we

niet zoo aangenaam aangedaan.

Slaafsche onderworpenheid van het volk ten opzichte van zijn' vorst, die

als een god wordt vereerd. Groote zedeloosheid in alle standen; een

godsdienst, die bestaat in de walgelijkste en wreedste plechtigheden;

bijgeloovigheid in de hoogste mate. Ziedaar wat wij overal aantreffen.

Niet waar, we achten ons gelukkig in ons lieve vaderland en wenschen in

geen Babylon te wonen, al is het er nog zoo mooi.

3. EEN GROOT MAN EN EEN ONHANDELBAAR VOLK.

In een klein land, aan de Middellandsche zee gelegen, door de rivier de

Jordaan doorstroomd, woonde een volk, dat zich noch door kunstzin

onderscheidde, zooals de Babyloniërs, noch groote werken uitvoerde,

zooals de Aegyptenaren, noch door veroveringen zich een naam maakte in

de wereld. Toch was dat volk merkwaardig, omdat het een zuiverder

godsbegrip had dan de andere Oostersche volken. Hadden dezen dikwijls

eene groote menigte afgoden, aan wie zij allerlei menschelijke deugden

en ondeugden toeschreven: bij de Israëlieten (want dit volk hebben wij

op 't oog) bleef het denkbeeld van een eenig, heilig God (Jehova)

althans bij het beste deel der natie bewaard.

Van geen volk zijn ons meer berichten geworden dan van dit; het O. T.

kan men voor een groot gedeelte eene geschiedenis van het Israëlitische

volk noemen. De Israëlieten noemen als hun' stamvader Abraham, een

herdersvorst uit het land der Chaldaeën, die van daar vertrok en zich in

het tegenwoordige Palestina nederzette. Zijn kleinzoon Jakob (Israël)

trok met zijne talrijke familie, door een' hongersnood gedrongen, naar

Aegypte, waar zijn zoon Jozef door hoogst merkwaardige en zonderlinge

lotgevallen tot onderkoning was verheven.

De gastvrijheid, die Jakob's familie eerst mocht ondervinden, veranderde

weldra in eene drukkende slavernij, waaruit zij eindelijk verlost werd

door een' man, die in aanleg en ontwikkeling verre boven zijn volk

stond, en door zijne wetten den allergrootsten invloed, ook in het

vervolg, op de Israëlieten heeft uitgeoefend.

Volgens den Bijbel werd #Mozes#, in zijne jeugd op wonderbare wijze gered,

aan het hof van den Aegyptischen koning opgevoed en in alle wijsheid der

Aegyptenaren onderwezen. In weerwil van zijne opvoeding en leefwijze

onder de verdrukkers zijner stamgenooten, bleef hij toch met eene vurige

liefde voor dezen bezield. Het mocht hem eindelijk gelukken, zijn volk

te voeren uit het land der dienstbaarheid, hoewel niet dan na den

hardnekkigen tegenstand van den Aegyptischen koning.

Het lievelingsdenkbeeld der Israëlieten, n.l. de in bezitneming van het

Beloofde Land, het land, weleer door de aartsvaders bewoond, bleek

echter niet zoo gemakkelijk verwezenlijkt te kunnen worden.

De Israëlieten waren door de voortdurende verdrukking een slaafsch,

wispelturig en onhandelbaar volk geworden. Bij den minsten tegenspoed

morde het, werd oproerig en verlangde naar de vleeschpotten der

Aegyptenaren. Ook in den dienst van den eenigen waarachtigen God bleken

zij niet standvastig te zijn; zij hadden maar al te veel geneigdheid om

de afgoden te dienen, die zij in Aegypte hadden leeren kennen. Alleen

een man als Mozes was in staat zulk een volk in toom te houden en te

leiden naar zijn' wil. Toch zag Mozes zeer wel in, dat een volk, zoo

weinig aan krijgstucht en volharding gewoon en met zulk eenen slaafschen

geest bezield, niet in staat was een land te veroveren, dat door

krijgshaftige stammen werd bewoond.

Een nieuw geslacht, aan vermoeienissen en ontberingen gewoon, aan

krijgstucht gewend en bezield met een vrijeren geest, moest in de

woestijn opgroeien, eer Palaestina aan de krijgshaftige Kanaänieten kon

worden ontrukt. Eerst na eene veertigjarige omzwerving kon Jozua, Mozes

opvolger, het groote plan volvoeren. De edele Mozes zelf mocht het doel

van zijn werken niet beleven. In 't gezicht van het Beloofde Land stierf

hij. Vooraf echter had hij iets gedaan, waardoor hij ook in 't vervolg

den allergrootsten invloed op zijn volk kon uitoefenen.

Hij vervaardigde n.l. eene menigte wijze wetten, waarbij de

staatsregeling en de godsdienst geregeld werden. Bovendien bevatten zij

vele nuttige voorschriften, betreffende de gezondheid, de bebouwing van

den grond, de verdeeling van het veroverde land enz.

De wet van Mozes gaf aan den priesterstand, of liever aan de

priesterkaste, het bestuur des lands in handen.

Aan 't hoofd van den staat stond de hoogepriester, een telg uit het

geslacht van Mozes broeder Aäron; de priesters, allen uit den stam van

Levi, bekleedden verder even als in Aegypte de aanzienlijkste ambten.

De geschiedenis der Israëlieten na hunnen intocht en de verovering van

het Beloofde Land (Kanaän) is eene aanschakeling van oorlogen met hunne

krijgshaftige naburen (Philistijnen, Moabieten, Ammonieten), waarbij zij

dikwijls in dappere mannen, #Richteren# genaamd, moedige en ondernemende

aanvoerders hadden, die hen ook in vredestijd wel een tijd lang

regeerden (Gideon, Jeptha, Simson, Samuel).

Uit ijdelheid verwisselde het wispelturige volk dezen vrijzinnigen

regeeringsvorm niet het koningschap.

Onder zijne koningen #David# en #Salomo# beleefde het een korten,

glansrijken tijd. Onder #Rehabeam#, Salomo's zoon, werd Israël verdeeld in

twee rijken: dat van #Juda# met #Jeruzalem# en dat van #Israël# met

#Sichem# (later #Samaria#) tot hoofdstad (986). Beide beoorloogden elkander

dikwijls en hadden bovendien veel van de aanvallen der uit Midden-Azië

komende veroveraars te lijden.

Het eerst bezweek het rijk Israël, welks bewoners door zedeloosheid zeer

waren verzwakt. De laatste koning, #Hosea#, werd in 721 v. C. door

#Salmanasser#, koning van Assyrië, overwonnen. Het rijk Juda bleef langer

bestaan, maar verloor toch ook in 586 v. C. zijne onafhankelijkheid; de

laatste koning #Zedekia# werd door Nebucadnezar overwonnen.

Wel verrees later door de gunst van den Perzischen koning Cyrus een

nieuw Joodsch rijk, maar om weldra het lot te deelen van het Perzische

rijk, n.l. een deel te worden van het Grieksche rijk, door Alexander den

Grooten gesticht. Nog een enkele maal wisten de Joden onder de dappere

Maccabaeën hunne vrijheid te bevechten (167). 't Was slechts een korte

flikkering van macht. De alles overwinnende Romeinen maakten eenige

jaren voor Christus ook van Palaestina een wingewest, en toen de natie

zich tegen het Romeinsche juk poogde te verzetten, veroverden de

Romeinen de hoofdstad Jeruzalem en de Joden hielden op als natie te

bestaan (Titus, 70 j. n. C.)

4. EEN HANDELSVOLK.

Wanneer onze zeelieden tegenwoordig vreemde landen gaan bezoeken, zijn

zij voorzien van goede kaarten, kompassen en zeevaartkundige werktuigen,

en waar zij komen, vinden zij een gul onthaal. In ouden tijd was dit

echter geheel anders.

Kaarten, kompassen en dergelijke zaken waren onbekend; de landen, die

men bezocht, waren door ruwe, vijandelijk gezinde menschen bewoond.

Wij moeten dus wel bewondering gevoelen voor een volk, dat alleen met de

zon des daags en de poolster des nachts tot gids, niet alleen alle

landen aan de Middellandsche zee durfde bezoeken, maar zich door de

zuilen van Hercules (Straat van Gibraltar) een' weg baande naar de

tineilanden (Scilly-eilanden) bij Engeland, ja, dat zelfs volgens de

overlevering, niet schroomde, de Baltische zee te bezoeken en geheel

Afrika om te zeilen.

Dat onversaagde volk was het Phoenicische. Het woonde in een smal,

vochtig en ongezond, maar vruchtbaar kustland, tusschen den Libanon en

de Middellandsche zee gelegen, dat door de Grieken Phoenicië

(Palmenland) genoemd werd. De ligging van hun land aan eene zee, die

toen het meest bevaren werd en aan den Libanon, wiens cederbosschen

heerlijke en overvloedige bouwstoffen voor de schepen leverden, bracht

de Phoeniciërs er als van zelve toe hun geluk op zee te beproeven.

Wat zij er zochten n.l. schatten, hebben zij verkregen; want oude

schrijvers roemen als om strijd de pracht en weelde, die in de

Phoenicische steden #Tyrus# en #Sidon# heerschten. 't Was trouwens ook geen

wonder. De Phoeniciërs hadden toen den alleenhandel, dien zij door het

verspreiden van allerlei schrikverwekkende fabelen als van nevelzeeën,

zeemonsters, vliegende slangen, reuzenvogels en dergelijke wisten te

behouden. Zij dreven als echte kooplieden handel in alles: koren,

zilver, barnsteen, tin en niet het minst in slaven, die zij soms op zeer

vreemde manier wisten machtig te worden; want de Phoeniciërs oefenden

bij het zeer eerbaar beroep van handelaar, het alles behalve eervolle

van zeeroover uit.

Havenplaatsen zijn voor een handeldrijvend volk eene behoefte. Daarom

legden zij op verschillende plaatsen aan de Middellandsche zee koloniën

aan. Zoo ontstonden op Cyprus, op Sicilië, op Sardinië, in Spanje

(Gades=Cadix) en op de kust van Afrika (Carthago) Phoenicische

volkplantingen, die weldra tot hoogen bloei kwamen.

De rustelooze handelsgeest der Phoeniciërs zocht intusschen ook elders

handelswegen te openen en een levendige karavanenhandel met Aegypte,

Babylon en Indië was alras een gevolg van hun streven.

Zulk een ondernemend en naar winstbejag strevend volk moest ook wel op

het gebied der nijverheid vorderingen maken. Vele uitvindingen worden

dan ook aan hen toegeschreven, misschien echter niet alle met recht. Zoo

zegt men, dat de Phoeniciërs het glas hebben uitgevonden. Eenige

zeelieden wilden n.l. op de zandige Syrische kust een vuur ontsteken, en

namen, daar niets anders dadelijk voor de hand lag, een paar stukken

salpeter, om hun' ketel er op te zetten. Door de hitte smolt de salpeter

en het zand en verbond zich tot eene doorzichtige stof, het glas. Ook de

ontdekking van de purperverf wordt aan hen toegeschreven. Even als bij

de meeste uitvindingen was een toeval hiervan de oorzaak.

Een herdershond komt bij zijn' heer met een rooden muil. De herder

meent, dat zijn hond bloedt, neemt eene vlok wol en veegt hem den muil

af, maar ziet tot zijne groote verwondering, dat de roode kleur niet van

bloed, maar van iets anders komt, en dat de wol met eene fraaie, roode

stof doortrokken is. Hij merkt naderhand op, dat de hond de zich aan het

strand bevindende slakken doorbijt en vandaar den rooden muil verkrijgt,

en nu is de grondstof gevonden, waaruit de vindingrijke geest der

Phoeniciërs weldra de prachtigste kleurschakeeringen weet te voorschijn

te brengen.

Wij kunnen dus niet nalaten, bewondering te koesteren voor zulk een

ondernemend en vindingrijk volk.

Zien we het echter in zijn maatschappelijk- en burgerlijk leven, dan

bevalt het ons evenmin als de Babyloniërs.

Wij vinden dan een volk, dat geene moeite ontziet, om schatten te

verzamelen, maar slechts met het doel om ze naderhand in de

schandelijkste ongebondenheid te verkwisten.

We treffen verder bij hen een' godsdienst aan, die in zedeloosheid en

wreedheid alle godsdiensten der Oostersche volken verre overtreft.

Menschenoffers waren bij den Baäl- en Molochdienst zeer gebruikelijk.

Van een Phoeniciesch rijk kan eigenlijk geen sprake zijn. 't Schijnt,

dat iedere groote stad haar eigen koning en haar eigen bestuur had, maar

tevens, dat de eene stad soms voor eene tijdlang de oppermacht over de

andere uitoefende.

Tyrus en Sidon waren altijd de meest aanzienlijke steden.

5. CROESUS EN CYRUS.

In 't jaar 549 v. Chr. biedt Sardes, de hoofdstad van 't Lydische rijk,

ons het treurige tooneel aan van strijd en verwoesting. Vóór de muren

der stad is een slag geleverd, waarin de Lydiërs het onderspit hebben

gedolven, en nu dringen de overwinnende Perzen over de lijken hunner

vijanden in de veege stad, alles vernielende, wat hun in den weg komt en

roovende, wat van hunne gading schijnt. Tusschen die bewijzen van moord

en verwoesting zien wij een' brandstapel opgericht en een' man daarop

vastgebonden, wiens voorkomen, ook in dezen rampzaligen toestand, zijne

vorstelijke afkomst verraadt. 't Is de ongelukkige #Croesus#, weleer de

rijkste van alle vorsten van Azië, de beheerscher van het machtige

Lydië, die nu op bevel van #Cyrus#, den koning der Perzen, ter eere der

goden zal geofferd worden. De houtmijt wordt aangestoken, en reeds

stijgen de vlammen omhoog. Daar hoort men den ongelukkige tot driemaal

roepen: "O Solon! Solon! Solon!" Cyrus, verwonderd over dezen uitroep,

vraagt naar de beteekenis dezer woorden, en, nadat hij den gevangene

heeft laten afklimmen, verhaalt Croesus het volgende: "Voor eenige jaren

kreeg ik aan mijn hof een bezoek van den wijsten man uit geheel

Griekenland, die de geheele wereld doorreisde, om nog meer kennis op te

doen. 'k Liet hem al mijne paleizen, al mijne schatten zien. Ze lieten

hem onverschillig. 'k Vroeg hem nu, welke man de gelukkigste was, dien

hij op zijne vele reizen gezien had. Hij noemde mij een' burger Tellus

uit Athene, die, na een gelukkig leven geleid te hebben, hoog bejaard in

een zegevierenden slag den heldendood voor 't vaderland gevonden had.

Toen ik hem daarop vroeg, wien hij nadien Tellus als den gelukkigste

beschouwde, noemde hij twee Grieksche jongelingen, die bij gelegenheid

van een groot feest hunne oude moeder in eenen wagen naar den tempel

trokken, door 't volk luide werden toegejuicht wegens hunne kinderlijke

liefde en vervolgens door vermoeidheid overmand, in slaap vielen, om

nooit weer te ontwaken."

Toen ik, misnoegd, dat hij mijn geluk zoo gering schatte, hem vroeg of

hij mij dan niet gelukkig achtte, sprak hij deze merkwaardige woorden:

"O Croesus, niemand is vóór zijnen dood gelukkig te noemen. Als ik

bedenk, dat het leven wel eens zeventig jaren duurt, dan denk ik tevens,

hoeveel er in dien tijd veranderen kan. Deze woorden mishaagden mij

toen. Hoe ondervind ik nu echter, hoezeer de wijze man recht had." Dit

verhaal maakte op den veroveraar eenen diepen indruk. Tot nog toe had de

gelukszon hem steeds beschenen. Bij zijne geboorte reeds door zijn'

grootvader Astyages, koning van Medië, ter dood gedoemd, had eene

medelijdende herdersvrouw zijn leven weten te redden. Ook later was hij

meermalen in levensgevaar, maar telkens was het door toevallige

omstandigheden afgewend. Toen hij man geworden was, had hij zich aan 't

hoofd der Perzen, zijne stamgenooten, gesteld, en aan 't Medische rijk

en aan de regeering van den verwijfden Astyages een einde gemaakt.

Vervolgens had hij den rijksten staat van Azië vernietigd, en de

machtigste monarch van Klein-Azië stond als gevangene voor hem.

Maar zou dat geluk hem altijd blijven toelachen? Hoe licht kon de

grillige fortuin ook hem den rug toekeeren en van overwinnaar

overwonneling maken! Cyrus schonk dadelijk den gevangen vorst het leven

niet alleen, maar liet hem aan zijne tafel eten en hield hem als een

wijzen raadsman hoog in eere.

Hij liet het bij deze veroveringen niet blijven. Nadat hij de Aziatische

Grieken onderworpen had, trok hij op Babylon aan. Met geweld was echter

tegen deze reuzenstad weinig uit te voeren. Daarom trachtte hij haar

door list te nemen. Hij leidde het water van den Euphraat door een

dieper kanaal om de stad, waardoor de rivier ondieper werd, en de

soldaten konden zoodoende in de stad dringen. Juist terwijl koning

Belsasar een overdadig feest vierde ter eere van den god Bel werd de

wereldstad door de zegevierende Perzen ingenomen. (Daniël). Zijne

veroveringszucht bracht hem echter ten val. In de nabijheid van de

Kaspische zee woonde een arm, maar krachtig en vrijheidlievend bergvolk,

de Massageten. Ook dit volk moest onderworpen worden. Nu verliet hem

echter de fortuin. Cyrus werd in eene hinderlaag gelokt, 't leger werd

geslagen, hij zelf sneuvelde. Tomiris, de koningin der Massageten, liet

zijn hoofd afhouwen en in een vat met bloed dompelen, zeggende: "Drink u

nu zat, barbaar." Een ander verhaal evenwel laat Cyrus in hoogen

ouderdom eenen natuurlijken dood sterven.

Welke van deze verhalen het echte is, is moeilijk uit te maken.

6. BELEGERING EN VEROVERING VAN TROJE.

(Van ± 1194 tot 1184 v. C.)

#Paris#, de zoon van Priamus, koning van Troje (eene stad in Klein-Azië,

niet verre van de str. der Dardanellen, toen Hellespont geheeten), had

#Helena#, de vrouw van den Spartaanschen koning #Menelaüs#, geroofd en was

met haar naar zijne geboortestad gevlucht.

De verbitterde Menelaüs riep nu de voornaamste Grieksche vorsten en

helden op, tot een' krijgstocht tegen het rijke Troje.

De meeste vorsten van Griekenland gaven aan deze oproeping gehoor en

weldra togen 100,000 strijders, op 1200 schepen, naar de vijandelijke

stad.

De aanvoerder van den tocht was #Agamemnon#, de broeder van Menelaüs.

Verder worden als hoofdpersonen genoemd de sluwe #Ulyssus#, de bedaarde en

ervaren Nestor, de dappere en sterke Achilles en vele anderen.

Troje was echter eene sterke stad, en, konden de Grieken roemen op eene

menigte dappere mannen, de Trojanen mochten bogen op #Hector# en #Aeneas#,

die voor de dapperste Grieken niet behoefden onder te doen. De

belegering had reeds negen jaren geduurd en nog stonden de muren van

Troje even vast als altijd.

Veel bloed was reeds vergoten; de edele Hector en de dappere Achilles

waren den heldendood gestorven; men begon aan 't welslagen der

onderneming te wanhopen, ja, men sprak er zelfs van om scheep te gaan en

het vaderland weder op te zoeken.

Toen verzon de sluwe Ulysses de volgende list:

"Weet gij wat, vrienden," riep hij vroolijk uit, "laat ons een groot

houten paard timmeren en in zijn binnenste de dapperste Grieken

verbergen. De anderen moeten intusschen met de schepen terugtrekken,

maar vooraf al hetgeen zij achterlaten, verbranden, opdat de Trojanen,

wanneer zij dit van hunne muren zien, in den waan komen, dat wij het

beleg opbreken. Een moedig man moet zich in de nabijheid van het paard

verbergen en de vijanden wijs maken, dat hij uit het leger der Grieken

is gevlucht, omdat hij door hen slecht behandeld is.

"Vervolgens moet hij bewerken, dat de Trojanen het paard binnen de muren

der stad brengen. Wanneer onze vijanden zich dan zorgeloos aan den slaap

overgeven, geeft hij ons een teeken. Wij kruipen uit het paard, laten de

anderen, die inmiddels met de schepen zijn teruggekeerd, binnen en

verwoesten de stad."

Toen Ulyssus uitgesproken had, prezen allen zijn vindingrijk verstand,

maar de zoon van Achilles stond driftig op en zeide: "Dappere mannen

zijn gewoon hunne vijanden in 't open veld te bestrijden, daar moeten

wij onze meerderheid boven de Trojanen toonen." Ulyssus bewonderde den

dapperen jongeling en antwoordde: "Gij ziet wel, wakkere man! daar zelfs

uw vader, die een halfgod in moed en sterkte was, deze sterke stad niet

konde veroveren, dat dapperheid in de wereld niet alles kan uitrichten."

De voorslag werd nu aangenomen: een ontzaggelijk groot paard werd

getimmerd, de dapperste helden begaven zich door eene zijdeur in den

buik van het monster en de overigen trokken zich terug. Vol vreugde

kwamen weldra de Trojanen aansnellen en zagen met verbazing het gevaarte

aan. Zij beraadslaagden nu, of zij het verbranden dan wel in de zee

werpen zouden.

Dat degenen, die in den buik van het paard zaten, bij deze beraadslaging

niet zeer pleizierig te moede waren, laat zich denken.

Een Trojaansch priester sprak waarschuwende: "Meent gij, dat eene gave

der Grieken geen bedrog verbergt? Vertrouwt het ding niet!"

Met die woorden stiet hij er met eene ijzeren lans in, en uit de diepte

dreunde het als uit een kelderhol.

Ondertusschen kwam de Griek aanloopen, die zich in de nabijheid van het

paard verborgen had. Hij speelde zoo meesterlijk zijne valsche rol, dat

allen hem geloofden. Hij sprak aldus: "Tot hiertoe was alle hoop der

Grieken op de hulp der godin Pallas gebouwd. Sedert echter uit den

tempel, dien zij bij u te Troje heeft, haar beeld is gestolen, is de

godin vertoornd geworden, en het geluk heeft de wapenen der Grieken

verlaten. Nu zijn zij weggegaan om het beeld wederom op te sporen.

Vooraf echter bouwden zij nog dit houten paard, dat zij als zoenoffer

voor de beleedigde godin achterlieten. Zij maakten het zoo groot, opdat

gij, Trojanen! het niet binnen de poorten uwer stad kondet bergen,

dewijl alsdan de bescherming van Pallas u ten deel zou vallen."

Dit nu was juist voor de Trojanen een prikkel om het paard binnen de

stad te halen. Zij braken een gedeelte van den muur af om den

onheilbrengenden gast een' weg te banen.

Zij maakten raderen onder de voeten van het paard en trokken het

jubelend binnen, zonder acht te slaan op de waarschuwingen van

Kassandra, de profetes.

Vervolgens gaven zij zich tot in het holle van den nacht aan de

uitgelatenste vreugde over bij maaltijd en drinkgelag. De bedrieger was

intusschen ook in de stad geslopen en zwaaide vervolgens een brandende

fakkel in de lucht, als een teeken voor de in de nabijheid toevende

Grieken om weder te naderen. Toen klopte hij zacht aan den hollen buik

van het paard en de opgesloten helden kwamen stilletjes te voorschijn.

Met uitgetrokken zwaarden drongen zij in de huizen en eene vreeselijke

slachting werd onder de slapende Trojanen aangericht.

Brandende fakkels werden in de huizen geslingerd en weldra stond Troje

op vele plaatsen in lichten brand.

Te gelijkertijd stormden de andere Grieken de stad binnen en doodden

alles, wat hen in handen kwam.

Zij behaalden een onmetelijken buit en sleepten vrouwen en kinderen naar

het strand. Menelaüs voerde zijne vrouw Helena weder mede. Priamus en

zijne zonen werden gedood; de koningin en hare dochters, waaronder ook

de edele Andromaché, de vrouw van Hector, werden als slavinnen onder de

overwinnaars verdeeld.

Troje werd met den grond gelijk gemaakt. Ziedaar een kort overzicht van

de merkwaardige belegering, zooals die door #Homerus# in een beroemd

dichtstuk: de #Ilias#, wordt verhaald.

7. EEN FEEST TE OLYMPIA.

Griekenland bestond weleer uit eene menigte onafhankelijke staatjes, die

altijd naijverig op elkander waren en niet zelden bloedige oorlogen

voerden.

Toch zijn de Grieken het beschaafdste volk der oudheid en de

leermeesters der geheele beschaafde wereld geworden. Hoe ze dit geworden

zijn? We zullen het u zeggen. Vooreerst leefden de Grieken in een

heerlijk land, dat een gunstigen invloed moest uitoefenen op zijne

bewoners. In de tweede plaats hadden ze een voortreffelijken aanleg.

Verder waren er banden, die hen, hoe ook soms verdeeld en in gewoonten

en zeden van elkaar verschillend, vereenigden en deden gevoelen, dat ze

ééne natie waren. Tot die banden behoorden hun #dichterlijke godsdienst#,

de #verbonden#, die zij sloten ter bescherming van een gemeenschappelijk

heiligdom (amphictioniën) en niet het minst de #volksfeesten#.

De belangrijkste volksfeesten werden gevierd te _Olympia_, eene stad in

het landschap Elis, in het westen van de Peloponnesus (Morea) gelegen.

Bijna alle Grieksche staten namen hieraan deel. In plechtigen optocht

trok het volk naar den tempel. Voorop gingen de versierde offerdieren,

dan volgden de dienstdoende priesters, vervolgens de staatsbeambten,

daarop de adel in schitterende kleeding, met groene olijftakken in de

hand en eindelijk het volk.

Nadat de plechtige offers aan de goden gebracht waren, begonnen de

eigenlijke spelen.

De Grieken meenden den goden geen grooter genoegen te kunnen geven, dan

wanneer zij hunne kracht in den wedloop, in het worstelen, in het

springen of in het vuistgevecht ten toon spreidden. Lichaamsoefeningen

ter voorbereiding voor de wedspelen maakten dan ook een voornaam

gedeelte van de opvoeding der jeugd uit. In de gymnasiën werd behalve

van het lezen der werken van groote dichters, voornamelijk van Homerus,

het meest werk gemaakt van loopen, worstelen, springen, slingeren enz.

De overwinning te behalen bij de Olympische spelen was de hoogste eer,

die iemand kon te beurt vallen en toch was de prijs, dien de overwinnaar

behaalde, slechts een olijfkrans.

Gedurende het feest werden alle vijandelijkheden gestaakt, opdat ieder

in rust en vrede kon feestvieren. Niemand mocht er daarom gewapend

verschijnen. Ten bewijze, hoe hoog de Grieken deze bijeenkomsten te

Olympia in eere hielden, strekke, dat zelfs de jaartelling er naar

geregeld werd. Men zeide b. v. dit of dat is gebeurd in het tweede of

derde jaar van de zooveelste Olympiade. Eene Olympiade werd om de vier

jaren gehouden, en men rekende dan van het jaar 776 v. C. af, omdat toen

het eerst de namen der overwinnaars werden opgeschreven.

Het feest begon gewoonlijk met den wedloop. Zij, die naar den prijs

dongen, waren in afdeelingen van vier man gesplitst. Zulk een wedloop

was op verre na niet gemakkelijk, want de baan was geen effene, vaste

weg, maar een ruimte, waar de voet telkens wegzonk in dik, mul zand.

't Kwam dus wel op kracht en volharding aan. Daarna werd er geworsteld.

De worstelaars hadden vooraf hunne huid met olie ingewreven, opdat de

hand hunner tegenpartij van het gladde lichaam zou afglijden.

Met voorovergebogen bovenlijf stonden zij tegenover elkander, gereed om

elkander aan te grijpen; want het doel van den worstelaar was, zijne

tegenpartij omhoog te heffen en hem dan op den grond te werpen.

Een gevaarlijke strijd was het vuistgevecht. De onderarmen waren

omwonden met lederen riemen, van metalen knoppen voorzien; daardoor

kwamen de slagen veel krachtiger aan.

Dat zulk een strijd dikwijls bloedig werd, ja, dat niet zelden een der

kampvechters dood van het strijdperk werd weggedragen, laat zich

gemakkelijk begrijpen. Vervolgens werden wedrennen gehouden op wagens

met vier paarden bespannen. Dat was natuurlijk slechts een vermaak voor

de rijken bestemd, daar de geringere burger niet in staat was, zulk een

rijke equipage zich aan te schaffen. Ook deze wedstrijd was hoogst

gevaarlijk, want dikwijls botsten de wagens in dolle vaart met geweld

tegen elkander; de wagenmenners stortten dan uit het verbrijzelde

vaartuig en werden door de hollende rossen langs de renbaan gesleurd. 't

Ontbrak gewoonlijk niet aan middelen om de eerzucht bij de kampvechters

op te wekken, want duizenden toeschouwers gaven voortdurend luide hunne

goed- of afkeuring te kennen. Hoe groot de hitte ook mocht zijn: toch

bleef de menigte op de kampplaats verzameld, en niet gemakkelijk zou

iemand haar verlaten, voordat de spelen waren geëindigd.

Na den afloop van de kampspelen traden de overwinnaars voor de

kamprechters; deze zett'en hun de olijfkrans op het hoofd en onder het

gejuich van de menigte, trokken zij naar het altaar van Zeus, om den god

dankoffers te brengen.

Met de schitterendste eerbewijzen werd de overwinnaar overal ontvangen;

in zijne vaderstad aangekomen, haalde het volk hem feestelijk in, en

dichters verwelkomden hem in liederen; bij openbare feesten mocht hij op

de eereplaats zitten. In Sparta ontving hij het voorrecht om bij een'

veldslag naast den koning te mogen strijden. In het kort, het voorrecht

van Olympisch overwinnaar te zijn, werd een goddelijk geluk genoemd en

de roem van zijn' naam weerklonk door geheel Griekenland.

De Olympische spelen waren ook in een ander opzicht van veel belang.

De uitstekendste kunstenaars trof men hier aan, om hunne kunstwerken

onder het oog en ter beoordeeling van het Grieksche volk te brengen;

dichters droegen hier hunne gedichten voor; kooplieden maakten van deze

gelegenheid gebruik, om voordeelige zaken te doen.

Olympia was dus alle vier jaren de vereenigingsplaats van al, wat

Griekenland als schoon, edel en geleerd kon aanwijzen, en daarom hebben

deze spelen veel bijgedragen om de Grieken tot een welontwikkeld en

kunstlievend, in één woord, tot een beschaafd volk te maken.

8. TWEE WETGEVERS (LYCURGUS EN SOLON).

Onder de vele steden, die men vroeger in Griekenland had, waren Athene

en Sparta de voornaamste. Hoewel Atheners en Spartanen tot één volk

behoorden, bestond er toch tusschen hen een groot verschil in aard en

levenswijze.

De Spartaan achtte sterkte, gehardheid tegen alle vermoeienissen des

levens en dapperheid in den oorlog als het hoogste goed; de Athener

versmaadde dit alles wel niet, maar ruimde toch ook aan kunsten en

wetenschappen eene belangrijke plaats in.

Dit was een gevolg, behalve van hunnen oorspronkelijken aanleg, van

hunne verschillende wetgeving en opvoeding.

Ieder der genoemde steden mocht zich beroemen een' wetgever te bezitten,

die het wel meende met zijn volk. Dat Sparta machtig werd en dikwijls de

#hegemonie# (overwegende invloed van een enkelen staat) kon uitoefenen,

had het te danken aan zijn' wetgever #Lycurgus#, die in de laatste helft

der negende eeuw v. C. leefde. Deze was een koningszoon, die reeds de

treffendste blijken had gegeven, dat eigenbelang en eerzucht hem vreemd

waren; en het heil zijns vaderlands hem bovenal ter harte ging. Om aan

de voortdurende twisten tusschen de twee koningen, die over Sparta

regeerden, en het volk een einde te maken, stelde hij een' senaat aan,

bestaande uit 28 aanzienlijke mannen boven de 60 jaren, die als 't ware

de bemiddelaars waren tusschen de koningen en het volk.

De ongelijkheid van vermogen was toen in Sparta verbazend. Ten einde

daaraan een eind te maken, wist hij het stoute plan door te drijven, den

grondeigendom zóó te verdeelen, dat ieder Spartaansch burger een gelijk

grondbezit kreeg. Maar zou de ongelijkheid van bezit geheel verdwijnen,

dan moesten ook de roerende goederen verdeeld worden. Daar Lycurgus wel

begreep, dat de rijken niet gemakkelijk te bewegen zouden zijn, om hunne

schatten in goud en zilver ter algemeene verdeeling op te brengen,

schafte hij de gouden en zilveren munten af en voerde ijzeren geld in,

't welk zóó zwaar was, dat men, om eene waarde van 500 gulden te

vervoeren, een tweespans-wagen moest gebruiken. Door dezen maatregel, en

doordat hij strenge maatregelen tegen de weelde nam, maakte Lycurgus

natuurlijk wel vele in zijn oog nuttelooze menschen als goudsmeden,

bouwmeesters, zalvenbereiders enz. overbodig, maar hij verbande tevens

ook allen handel en verkeer uit de stad, daar het Spartaansch geld

nergens dan in Sparta geldig was.

Dit was juist het doel van Lycurgus, want volgens zijne meening kweekten

handel en omgang met vreemde volken allerlei ondeugden aan.

Ten einde weelde en onmatigheid met kracht te kunnen tegengaan, voerde

hij gemeenschappelijke maaltijden in. Niemand mocht in zijn eigen huis

eten, maar men kwam op bepaalde uren op eene bepaalde plaats te zamen,

waar eenvoudige maar krachtige spijzen werden voorgediend. De

hoofdschotel was eene zwarte soep.

Deze wel wat willekeurige wetten verwekten bij de aanzienlijken eene

hevige verbittering tegen Lycurgus.

Eens zelfs sloeg een hartstochtelijk jongeling, Alkandros, hem met een

wapen het oog uit. Toen hij zijnen vijanden echter bedaard zijn bebloed

en geschonden gelaat toonde, ontwaakte het berouw in hunne harten, omdat

zij den waarlijk edelen man zoo slecht hadden behandeld, en werd hij met

gejuich naar zijne woning teruggevoerd. Lycurgus liet zijne medeburgers

zweren, dat zij zijne wetten tenminste zoolang zouden houden, tot hij

van eene reis, die hij voornemens was te doen, zou zijn teruggekeerd.

Hij keerde niet terug, maar bracht zich in den vreemde zelf om 't leven,

opdat zijne medeburgers aan hunnen eed gebonden zouden blijven.

De geheele opvoeding der Spartanen had alleen ten doel krachtige mannen,

ferme soldaten te vormen. Alle pasgeborene kinderen werden onderzocht;

waren zij zwak of ziekelijk, dan werden zij aan den hongerdood

prijsgegeven. Waarom hen ook in 't leven te laten; zij konden immers

nooit goede soldaten worden, zoo was de meening der hardvochtige

Spartanen. Tot het zevende jaar bleven de kinderen in het ouderlijke

huis; dan echter belastte de staat zich met hunne verdere vorming,

echter volstrekt niet om hen te verwennen. Zij sliepen op riet, dat zij

zichzelven moesten halen. Hunne kleeding was heel eenvoudig en winter en

zomer gelijk, hunne maaltijden waren uiterst sober. Teneinde hen te

leeren pijn en smart te kunnen verdragen, werden ze dikwijls openlijk

gegeeseld; hij, die een smartkreet uitte, werd met minachting aangezien.

Oudheid en Middeleeuwen. Verhalen en schetsen · 第 1 / 10 段