EENE SOK.

Bij eene kous is het bovendeel tweemaal zoo lang als de voet; bij

eene sok is het bovendeel echter even lang (zie fig. 29). Men zet

voor eene sok de wijdte op, die men bij den enkel noodig heeft,

omdat in eene sok geene minderingen worden gewerkt.

De boord wordt 1 1/2 vierkant lang (zie fig. 30) en met een geribd

patroon 2 recht 2 averechtsch gebreid (zie fig. 29); daarna wordt 1/4

vierkant recht gebreid, waarin men een naadje werkt. De hiel wordt

zooveel toeren lang, als men steken op de naald heeft; dit doet men

ook bij mans- en groote vrouwenkousen.

Fig. 29 en 30 toonen aan, dat de hiel ook langer is dan bij de

andere kousen.

Men kan er een schuinen kleinen hiel of Engelschen kleinen hiel

aan werken.

De voet wordt iets langer gebreid dan bij de kous; in fig. 30 is

dit aangegeven door een half ruitje meer te gebruiken voor de lengte

van den geheelen voet dan bij de kous. Ook in fig. 29 kan men zien,

dat de voet eene grootere afmeting heeft.

Om bij het verstellen de achterzijde van den voet gemakkelijk te

kunnen vernieuwen, breit men ook dezen voet in twee deelen, zooals

op bl. 30 is aangegeven.

Men kan er zoowel een ronden als een platten teen aan breien.

De nuttige handwerken: handboekje ten dienste der lagere school · 第 33 / 35 题