BEPROEF NU EENS DE ONDERSTAANDE VRAGEN TE BEANTWOORDEN.

1. Waarvan worden kousen gebreid?

2. Welk verschil is er in de katoen?

3. Uit hoeveel dunne draden is een draad katoen of wol

samengesteld?

4. Wat hebben wij nog meer dan katoen of wol noodig?

5. Welk verschil is er tusschen de nummers van de naalden en

die van de katoen?

6. Waarvan hangt de wijdte van eene kous af?

7. Waarom leert gij het breien van eene kous naar een bepaald

aantal steken?

8. Hoeveel hoofddeelen heeft de kous?

9. Hoeveel deelen heeft het been; en welke zijn die?

10. Hoeveel deelen heeft den voet; en welke zijn die?

11. Hoeveel steken hebt ge voor het eerste kousje opgezet?

12. Hoe lang moet den draad zijn, om 20 steken te kunnen opzetten?

13. Hoe lang moet de draad zijn voor 64 steken?

14. Hoe neemt men den draad in de hand bij het opzetten?

15. Hoe legt men hem in de linkerhand?

16. Welke lussen worden gebruikt om den eersten steek te maken?

17. Hoe vervolgt men met het opzetten?

18. Waarvoor moet men zorgen bij het opzetten van steken?

19. Hoe noemen wij het eerste deel van het been van de kous?

20. Hoe lang wordt dat deel?

21. Wat verstaan wij door de wijdte van de kous?

22. Wat verstaan wij door de breedte van de kous?

23. Is een steek even hoog als breed?

24. Als ge het aantal steken van de breedte weet, hoe berekent

ge dan het aantal toeren?

25. Hoe noemen wij het tweede deel van het been van de kous?

26. Hoeveel langer is dit deel dan de boord?

27. Hoeveel toeren worden aan het kniedeel gebreid?

28. Hoe wordt het derde deel van het been van de kous genoemd?

29. Waarvoor is eene afmindering in de kous noodig?

30. Hoe lang wordt het deel, waarin geminderd wordt?

31. Hoe worden de minderingen op het aantal naadjes verdeeld?

32. Waar worden de minderingen verder van elkaar geplaatst?

33. Waarom worden de minderingen niet op gelijken afstand

geplaatst?

34. Hoe wordt eene overhaling gewerkt?

35. Hoe breit men eene mindering?

36. Hoe wordt het vierde deel van het been van de kous genoemd?

37. Hoe lang wordt de enkel gebreid?

38. Naar welk aantal steken wordt dit berekend?

39. Hoe noemen wij het eerste deel van den voet?

40. Op welk deel wordt de hiel begonnen?

41. Hoeveel steken breit men voorbij het naadje, om aan den hiel

te kunnen beginnen?

42. Hoeveel steken breit men daarna aan de averechtsche zijde?

43. Hoe wordt de tweede toer aan den hiel gebreid?

44. Hoeveel toeren worden er aan den grooten hiel gebreid?

45. Hoe wordt het tweede deel van den voet genoemd?

46. Hoe breit men den kleinen hiel?

47. Hoe werkt men eene averechtsche mindering?

48. Hoeveel steken zijn er weggeminderd, als de kleine hiel af is?

49. Welke lussen van den hiel worden opgenomen en gebreid?

50. Hoeveel lussen moet men opnemen en breien aan de linkerzijde?

51. Wat volgt dan aan de voorzijde?

52. Hoeveel lussen krijgt men aan de rechterzijde?

53. Hoeveel steken komen er nu op de naald, die de voorzijde van

den voet vormt?

54. Wat doet men aan 't begin van den voet om eene opening te

voorkomen?

55. Op hoeveel naalden plaatsen wij de steken, die de achterzijde

van den voet vormen?

56. Hoeveel steken zijn er nu op de voorzijde van den voet?

57. Hoeveel steken op de twee zijnaalden?

58. Als alle lussen zijn opgenomen en gebreid, wat breit men dan

nog, voordat we de naadjes in den voet beginnen?

59. Hoe heet het derde deel van den voet?

60. Waar worden de naadjes in den voet gewerkt?

61. Waarom worden er steken in den voet weggeminderd?

62. Waar plaatst men de overhaling?

63. Waar wordt de mindering gewerkt?

64. Tot hoe lang worden deze minderingen voortgezet?

65. Hoe lang wordt het vierde deel van den voet?

66. Hoeveel naadjes worden nog na de afmindering aan den voet

gebreid?

67. Hoe noemt men het vijfde deel van den voet?

68. Welken naam heeft deze teen?

69. Uit hoeveel deelen bestaat deze teen?

70. Hoe wordt het eerste deel gewerkt?

71. Tot hoe lang wordt dit voortgezet?

72. Hoe wordt het tweede deel gewerkt?

73. Hoeveel steken moet men overlaten om af te kanten?

74. Hoe kant men af?

BEREKENING VAN EENE KOUS VAN 80 STEKEN, WAARBIJ DE LENGTE VAN DE

AFMINDERING BEREKEND IS OP 1 1/4 VIERKANT.

(Zie voor de afmindering fig. 22).

De wijdte van de kous = 80 steken.

De breedte van de kous = 40 steken.

De lengte van den boord (een half vierkant) = 1 1/2 × 40/2 toeren of

40/2 × 1 1/2 toer = 30 toeren.

De lengte van het kniedeel (een vierkant) = 40 × 1 1/2 toer of 1 1/2 ×

40 toeren = 60 toeren of 30 naadjes.

De lengte van de afmindering (1 1/4 vierkant) = 75 toeren, want één

vierkant = 60 toeren, 1/4 vierkant = 15 toeren, dus 1 1/4 vierkant =

60 toeren + 15 toeren = 75 toeren of 37 naadjes.

Een vierde deel wordt weggeminderd, dus 80 steken : 4 = 20 steken of

10 minderingtoeren.

Nadat de eerste mindering gemaakt is, blijven er 9 minderingtoeren te

verdeelen op 36 naadjes. Gelijk verdeeld zou men telkens met het 4e

naadje moeten minderen (zie fig. 17a). Doch wij moeten de bovenste

minderingen dichter bij elkander plaatsen; daarom nemen wij van de

3 bovenste afstanden 1 naadje af en voegen dit bij de 3 onderste

(zie fig. 17b), dus moet men na de eerste mindering 3 maal met het

5e naadje, dan 3 maal met het 4e naadje en vervolgens 3 maal met het

3e naadje minderen.

De wijdte van de kous is nu 60 steken.

De breedte van den enkel is dus 30 steken.

De lengte van den enkel (een half vierkant = 30/2 × 1 1/2 toer =

22 toeren of 11 naadjes.)

(Men berekent hier 22 toeren, omdat een halve toer niet gebreid wordt).

De hiel wordt begonnen op de helft van de steken met het naadje als

middensteek = 31 steken.

De lengte van den hiel (een half vierkant) is dus evenals bij den

enkel 22 toeren of 11 naadjes.

Bij het opnemen van de lussen van den hiel krijgen wij links 12 lussen

en rechts 11 lussen. De steek, die gebreid wordt, ter voorkoming van

de opening, die daar ontstaan zou, komt aan de voorzijde van den voet.

De afmindering van den voet wordt op de beide zijnaalden gewerkt en

met elken tweeden toer of naadje voortgezet, totdat er op de beide

zijnaalden juist zooveel steken zijn als aan de voorzijde.

De voet is na de afmindering 60 steken wijd, dus is de geheele voet

60 toeren of 30 naadjes lang.

In het eerste gedeelte van den teen mindert men de helft van het aantal

steken weg. Daar de helft van 60 steken = 30 steken nu weggeminderd

moeten worden en dit getal niet door 4 deelbaar is, nemen wij voor de

eene helft 28 steken en voegen de twee overige steken bij de tweede

helft. Na de tweede helft blijft het vijfde deel van 80 steken = 16

steken over om te worden afgekant. Is het aantal steken, waarop de

kous gebreid wordt, zeer groot, dan laat men voor het af kanten het

vijfde deel van het aantal steken, waarop de voet begonnen werd, over.

BEREKENING VAN EENE KOUS VAN * [1] STEKEN, MET EENE LENGTE VOOR DE

AFMINDERING VAN 1 1/2 VIERKANT.

(Zie fig. 18.)

1. Hoe breed is deze kous?

2. Hoeveel toeren werkt men aan den boord?

3. Hoeveel toeren werkt men aan het kniedeel?

4. Hoeveel naadjes zijn er aan de afmindering?

5. Hoeveel minderingtoeren worden er aan deze kous gewerkt?

6. Hoe zouden de afstanden voor de minderingtoeren worden,

als deze gelijk verdeeld worden?

7. Hoe worden deze minderingtoeren nu geregeld?

8. Hoeveel toeren komen er aan den enkel?

9. Hoeveel toeren worden er aan den hiel gewerkt?

10. Hoeveel lussen moet men opnemen, nadat de kleine hiel

gebreid is?

11. Hoe lang wordt de afmindering van den voet voortgezet?

12. Hoeveel toeren worden er aan den geheelen voet gebreid?

13. Hoeveel minderingen komen er aan de eerste helft van den teen?

14. Op hoeveel steken wordt de kous afgekant?

De nuttige handwerken: handboekje ten dienste der lagere school · 第 23 / 35 题