i. De platte teen.
Daar de kous geheel om den voet moet sluiten, moet men aan het
laatste gedeelte zooveel steken wegminderen, dat men den vorm van
den voet verkrijgt.
Dit gedeelte noemt men den teen. Het wegminderen van deze steken
werkt men bij dezen teen aan het begin en aan het einde van de voor-
en de achterzijde. De steken van de voorzijde zijn op ééne naald en
de steken van de achterzijde in twee helften op twee naalden.
We breien nu eerst een toer recht, daarna voor den tweeden toer aan de
voorzijde 2 steken recht, overhalen, de volgende steken recht tot op 4
steken na, dan minderen, en 2 steken recht (zie fig. 16); nu breien wij
op de eerste zijnaald hetzelfde als op de eerste helft van de voorzijde
en op de tweede zijnaald als de tweede helft van de voorzijde. Deze
twee toeren worden zoo lang herhaald, totdat de helft van de steken
zijn weggeminderd. Er waren 48 steken in de rondte; de helft hiervan
is 24 steken. Daar nu in één toer vier steken worden weggeminderd, zal
men dus 6 maal om den anderen toer moeten minderen. In de tweede helft
van den teen worden de minderingtoeren steeds voortgezet, zonder een
toer recht er tusschen, totdat ongeveer een vijfde deel van het aantal
opzetsteken over is, bij deze kous dus 12 steken; men heeft alzoo 6
steken op de voorzijde of voornaald en 3 steken op elke zijnaald.
De steken van de tweede zijnaald worden op de eerste overgenomen,
de voor- en de achterzijde van den teen tegen elkander gehouden en
de steken van de beide naalden twee aan twee te zamen afgebreid op
ééne naald. Daarna worden de overgebleven steken afgekant, dat is: de
eerste steek wordt afgehaald, de tweede steek gebreid en de afgehaalde
steek wordt over den gebreiden steek heen gehaald; nu wordt weder een
steek gebreid en de vorige steek er over heen gehaald. Op deze wijze
worden alle steken achtereenvolgens afgewerkt en door den laatsten
steek de draad gehaald. Als alle draden zijn afgehecht, dan is de
kous voltooid. Wil men den teen aan de verkeerde zijde af kanten,
dan keert men de kous om, vóórdat men de tweede helft van den teen
begint; men steekt namelijk den boord van binnen door de kous en zoo
naar buiten door de ronding heen, die door de breinaalden gevormd
wordt, en werkt de kous verder af met de opening naar zich toe,
om zoo recht te vervolgen.