e. De groote hiel.
De achterzijde van den voet moet langer zijn dan de voorzijde, omdat de
vorm van den hiel er in moet komen (zie fig. 11e). Dit verkrijgt men
door de helft van de steken, die aan de achterzijde van de kous zijn,
eerst afzonderlijk te werken en ze daarna weder in verbinding met de
voorzijde te brengen. Men noemt bij het breien daarom dit eerste deel
den grooten of rechten hiel.
De wijdte van den enkel is 48 steken. Op de helft daarvan, dus op 24
steken, met nog één middensteek er bij, wordt de hiel begonnen. Er moet
dus aan elke zijde van het naadje 1/4 van het aantal steken komen. (Zie
fig. 12). Nadat wij het laatste naadje in den enkel gemaakt hebben,
zullen de steken op de naalden zitten, zooals fig. 13 doet zien. Op
de eerste naald waren 24 steken opgezet; deze zijn verminderd met
8 steken, dus zijn er 16 steken over. Op de laatste naald waren 20
steken opgezet; deze zijn ook verminderd met 8 steken, dus zijn hier
11 rechte steken en het naadje over (zie fig. 13).
De werkdraad zit nu bij het naadje en moet aan het einde van het
vierde deel komen om den hiel te beginnen.
We breien dus naast het naadje nog 1/4 = 12 steken recht af, nemen
de naald met de 4 overgebleven steken in de rechterhand en halen 8
steken van de daaropvolgende naald averechts af. Nu zitten er aan
de rechterzijde van het naadje nog 11 steken; er moet dus nog één
steek worden overgestoken van de vorige naald. Dan gaan wij verder
aldus te werk: Het werk omkeeren, den eersten steek averechts afhalen
en de naald averechts breien; het werk omkeeren, den eersten steek
recht afhalen, 1 recht, een naadje maken, 9 recht, het middennaadje,
9 recht, een naadje maken en twee recht (zie fig. 14).
Dit zijnaadje dient, om gemakkelijk de toeren te kunnen tellen, daar
het middennaadje in verlenging van den enkel is doorgebreid en men
moeilijk hierbij de afscheiding vindt.
De lengte van den hiel is bij eene kinderkous gelijk aan het aantal
naadjes van den enkel, dus 9 naadjes.