c. De afmindering.
De kous moet naar den vorm van het been naar onderen toe nauwer
worden. Dit zal alleen kunnen gebeuren, wanneer het aantal steken
in de opeenvolgende toeren minder wordt. We zullen dus af en toe
(in welke toeren zult ge straks zien) van twee steken één maken;
dan is één steek weggeminderd. Het gedeelte der kous, waarin we dit
geregeld doen, heet de afmindering. Het vierde deel van de wijdte
der kous wordt weggeminderd.
Bij kleine kousen wordt de afmindering even lang als het kniedeel
(zie fig. 8c).
De minderingen zelve, d.i. het vervangen van twee steken door één
steek, plaatsen we voor en achter het naadje, en gaan daarbij aldus
te werk: Wij breien, totdat er nog drie steken voor het naadje zijn,
werken dan eene overhaling (dat is: één steek afhalen, den volgenden
steek recht breien en den afgehaalden steek over den gebreiden
steek halen), daarna één steek recht, maken het naadje, breien
dan weer één steek recht en dan minderen, dat is: 2 steken recht
te zamen breien. Bij deze kous moeten in het geheel 64 steken : 4 =
16 steken worden weggeminderd, en daar in elken toer, waar geminderd
wordt, twee steken weggeminderd worden, zullen we hebben 16 : 2 =
8 minderingtoeren. De minderingtoeren worden verdeeld over de lengte
van de afmindering = 24 naadjes, maar niet op regelmatige afstanden,
daar dan de vorm der kous niet zou zijn in overeenstemming met den
vorm van het been.
We maken met het eerste van de 24 naadjes den 1en minderingtoer,
dan hebben we nog 23 naadjes over. Wij zullen nu eens eerst deze 23
naadjes gelijk verdeelen op de 7 minderingtoeren, die we nog moeten
maken, en deelen daarvoor 23 door 7. We krijgen dan 3 tot quotient
(zie fig. 9a) en er blijven nog 2 naadjes over. Deze 2 naadjes voegen
wij nu vóór de volgende mindering, zoodat we de tweede mindering
met het 5e naadje maken (zie fig. 9b), waarin de kleine streepjes de
naadjes tusschen de minderingtoeren, de groote streepjes het naadje,
waarbij de minderingen gemaakt worden, aangeven. We nemen nu nog
van de laatste twee minderingen één naadje af en voegen er één bij
de 3e mindering en één bij de 4e mindering (zie fig. 9b). Wanneer
ge deze verdeeling oplettend nagaat, zult ge bemerken, dat we na
de afmindering bij het 1e naadje, eenmaal geminderd hebben bij het
eerstvolgende vijfde naadje, tweemaal bij het vierde naadje, tweemaal
bij het derde naadje en tweemaal bij het tweede naadje (zie fig. 9b).