EERSTE DEEL VAN HET BEEN VAN DE KOUS.

a. De boord.

De hoogte van den boord is gelijk aan de helft van de breedte van

den boord (zie fig. 6). De breedte van de kous zien we, wanneer we

eene afgewerkte kous plat leggen, zooals in fig. 5. Ze is dus gelijk

aan de halve wijdte. In fig. 6 zien we, door de gebogen lijn aan de

onderzijde, de geheele wijdte van de kous.

De breedte is in fig. 6 geteekend op vier ruitjes en telt dus de helft

van 64 steken = 32 steken. Als een steek even hoog was als breed,

dan zouden wij zooveel toeren moeten breien, als er steken op de

helft van de breedte zijn, in dit geval dus 16. Een steek is echter

niet even hoog als breed, maar anderhalf maal zoo breed als hoog;

wij hebben dus niet genoeg aan 16 toeren, maar moeten anderhalf maal

zooveel breien, dus 16 + 8 = 24 toeren.

De nuttige handwerken: handboekje ten dienste der lagere school · 第 13 / 35 题