Verschillende kleedingstukken worden gebreid van katoen, van wol of van
sajet. Er zijn verschillende soorten van katoen: gele of ongebleekte
katoen, witte of gebleekte katoen en gekleurde katoen.
De wol en de sajet zijn ook in verschillende kleuren en soorten te
verkrijgen. De kleedingstukken, die wij breien, zijn niet altijd
even grof of fijn; daarom komen de katoen, de wol en de sajet in
verschillende dikte voor, welke door nummers wordt aangewezen. Hoe
hooger nummer, hoe fijner katoen.
De draad, waarmede men breit, is gedraaid uit 4 of 6 fijnere
draden. Daarom spreken we van 4 draadsche of 6 draadsche katoen
of wol. De 6 draadsche is steviger in elkander gedraaid dan de 4
draadsche en daardoor sterker in het gebruik.
De katoen, waarmede wij nu leeren breien, is ongebleekte katoen No. 12,
vierdraadsch. Willen wij grovere katoen gebruiken, dan hebben wij
katoen No. 10 noodig en voor fijnere No. 14 of hooger.
Het gebreide werk moet goed rekbaar zijn; daarom moeten de naalden
niet te fijn zijn, want dan worden de steken te stijf.
De naalden, die wij bij katoen No. 12 gebruiken, zijn stalen
breinaalden No. 6/0; worden de steken te los, dan hebben we fijnere
naalden noodig, bijv. No. 5/0; worden de steken te stijf, dan nemen
we 7/0, die groffer zijn.
Bij de nummers der naalden merken we het tegenovergestelde op van de
nummers bij de katoen.
Bij de katoen gold de regel: hoe hooger nummer, hoe fijner katoen;
bij de naalden daarentegen: hoe hooger nummer, hoe groffer naalden;
staat echter die 0 niet achter het cijfer, dan zijn ook bij de naalden
de hoogere nummers fijner.