woonhuis, om zich met een bittertje of een glas port voor te bereiden
tot het diner. Aan tafel werd toast na toast geslagen. Doch toen
Messner den gastheer prees over zijn practischen blik bij de inrichting
van de installatie, nam deze het woord en verklaarde dat de eer daarvan
geheel aan zijn vriend Kool toekwam.
„’t Is waar ook,” zeide Korman. „Dat boek... ik heb het niet kunnen
krijgen. Heb jij het?”
„Neen,” antwoordde van Os. „Dat was een ui.”
„Hoe flauw!” mompelde Korman. Doch hij werd niet boos; daartoe was hij
op het oogenblik niet in een stemming. Er was met hem sedert het
laatste uur iets zonderlings voorgevallen. Eerst wist hij niet wat het
beteekende en meende dat hij koorts had. Een extra bittertje, anders
voor hem een afdoend middel, hielp ditmaal niet; doch toen hij aan
tafel zat en links van zich Caroline van Os vond... o, toen zag hij
plotseling weer dien arm aan de smoorklep en een hevige begeerte maakte
zich van hem meester om dien meer, altijd! te mogen zien, hem tevens te
kunnen verbergen voor de onbescheiden blikken van ieder ander. Hij
dacht niet aan Li, aan zijn kinderen, aan niets als aan dien blanken
arm, dien hij detailleerde in zijn vormen en lijnen tot het kuiltje toe
in den elleboog....
Na tafel speelden de dames op de piano, en later op den avond werd dit
instrument voor het raam der binnengaanderij geschoven om den dans te
accompagneeren der jongelui in de voorgalerij. Korman stond in de
deuropening, zich verwenschende dat hij niet kon dansen en geen
oogenblik de bevallige gestalte van Caroline uit het oog verliezende,
woedend als nu Rencke, dan van Everdingen, dan Brisson haar
omvatten....
En het verliet hem niet meer, ook niet toen de gewone gang van het werk
hem tot bedaarder nadenken dwong. Li was wel goed, maar men kon toch
zijn heele leven niet tegen zoo’n bruin gezicht blijven kijken, en ook
vond hij het nu eensklaps jammer om het geslacht der Kormans voorgoed
in de donkere kleur te converteeren. Wat een verschil toch! In het
gezicht mocht het minder opvallen, maar op zoo’n arm! En verder! Hoe
echter moest hij het tot stand brengen? Li wegzenden... wat zou Messner
doen? En toch, niettegenstaande alle moeielijkheden die hij voorzag,
wilde hij het niet opgeven.
De meisjes blijven een maand of drie, had van Os gezegd; welnu, die
tijd was lang genoeg om alles voor te bereiden, en eindelijk zou hem
wel een denkbeeld invallen om met fatsoen Li weg te krijgen en Caroline
in haar plaats. Intusschen zou het zaak zijn dikwijls naar Marialand te
gaan; een voorwendsel was gemakkelijk te vinden... een digestiebezoek
om te beginnen.
Doch in de eerste dagen kwam er niet van. De pluk was begonnen. Brisson
werd op het hoofdkwartier ontboden en belast met het toezicht op het
malen en de verdere behandeling der koffie. In zijn vrije oogenblikken
liet Korman hem aan de boeken werken, die nu van den beginne af
opgehaald, in behoorlijken vorm werden ingericht.
In Brisson’s plaats werd voorloopig de hoofd-mandoer van Rencke gezet,
terwijl Korman een oproeping in de couranten had laten plaatsen voor
een nieuwen opzichter. Aan beide europeanen gaf deze regeling, vooral
in de eerste dagen, veel werk.
Eén zaak baarde Korman veel zorg. Hij moest dit jaar een paar honderd
picols gouvernementskoffie koopen, en als het wat lang duurde eer hij
een employé had voor de afdeeling van Brisson, zou de hoofd-mandoer
dien inkoop moeten leiden. Dat was de kat op het spek binden, met
andere woorden den man in sterke verleiding brengen ten eigen bate te
ruim te meten en er zoo een duitje uit te knoeien.
Korman besloot een laatste poging aan te wenden om van Everdingen tot
andere gedachten te brengen wat betrof den opkoop van koffie.
Voor de eerste maal sedert het feest op Marialand ging Korman van
Watoeombo weg. Nauwelijks had hij de kampong achter zich, of weer hield
datgene zijn gedachten bezig dat er sedert zijn ontmoeting met Caroline
van Os nooit geheel uit was geweest. Alleen, waar het een zaak betrof
die hem persoonlijk aanging, kon hij nooit in geregelde volgorde
nadenken. Steeds nam hij sprongen van de voorbereiding eener zaak, als
hij al zoover kwam, tot op het geheel gereedzijn en de gevolgen daarvan
voor hem zelf. Zooals nu, op zijn rit naar Sabrang, moest hij tot drie,
viermaal toe zijn gedachten terugdringen van het punt dat zij bereikt
hadden, namelijk het huwelijksleven met Caroline, tot de vraag hoe van
Li af te komen en hoe Caroline... aan te klampen, zooals hij dat bij
zichzelf uitdrukte.
Hij stond voor van Everdingen’s woning vlugger dan hem lief was, ja
eigenlijk hinderde het hem dat hij niet nog wat had kunnen doorrijden
en zich bij zijn overdenkingen houden, te meer daar hij nu niet gereed
was met zijn argumenten in de zaak waarover hij van Everdingen had te
spreken.
Maar hij was er, en dus steeg hij af, zich echter verwonderende van
Everdingen niet voor den dag te zien komen. Op het werk waar hij langs
gereden was, had hij hem ook niet gezien; waar duivel zat de vent?
„Hei, djongos!” [113] riep hij naar binnen gaande. Geen jongen, doch
Minah verscheen. Met haar slofjes klikklakkende over de bamboe-mat
draaide zij op hem af, en zichtbaar was de teleurstelling op haar ronde
gezichtje, toen Korman van haar coquet persoontje in ’t geheel niet
aangedaan scheen.
„Waar is meneer?” vroeg hij op ongeduldigen toon.
„Tobat,” klaagde Minah; „meneer is uit. Hij is in de laatste dagen
altijd uit, en komt soms niet eens rijsttafelen.”
„Is hij bij meneer Biezeman?” vroeg Korman.
„Neen,” zeide Minah verbaasd. „Op Soemberpetong. Om teekeningen te
maken van den molen daar. Hij zeide dat de toewan besaar het gelast
had.”
Op Soemberpetong! Minah gebruikte hier den inlandschen naam voor het
land van van Os.
Korman stond als versteend. Soemberpetong! Marialand! En dat terwijl
hij zijn tijd met nietsdoen verknoeide! Een beeld, van Everdingen
vrijende met Caroline, teekende zich in zijn gedachten af en deed hem
de vuisten ballen. Vervloekt! En toen herinnerde hij zich op eens wat
Li hem bij zijn terugkomst verteld had van Minah...
„Op mijn last, haha!” stootte hij uit. „Heeft hij je dat wijsgemaakt,
domoor? Ja wel, op mijn last! Oók als hij straks een der jonge dames
als zijn vrouw hier in huis brengt zeker?”
Een donkerder tint overtoog Minah’s gelaat, haar borst ging hevig op en
neer, en een stap nader komende greep zij met haar rechterhand den
opslag van Korman’s jas.
„Apa betoel?” [114] vroeg zij.
Hij maakte dat bevestigend keelgeluid, in Indië gebruikelijk, en nam
tevens haar hand van zijn jas weg, om op een heel anderen toon voort te
gaan.
„Pas op,” zeide hij; „als iemand het zag!” Doch haar hand hield hij
vast, haar zachtjes voortduwende tot in van Everdingens slaapkamer.
„Soedalah!” zeide Minah. „Als hij mij ontrouw is, waarom zou ik hem
trouw zijn.”
„En nu,” gebood Korman bij het weggaan, „mondje dicht, hoor! Ook over
dat andere dat ik je gezegd heb.”
Op den terugweg ontmoette hij van Everdingen. Hij schrok er van; dat
was op het randje af!
„Zoo, verliefde ridder!” begroette hij hem. „Ik hoor dat je op
Marialand geweest bent; vues hè?”
„Ja,” zeide van Everdingen, insgelijks lachend. „Op de installatie van
ginds. Ik dacht, waarom zouden wij niet van het goede voorbeeld
profiteeren, en heb meneer van Os gevraagd of ik zijn inrichting mocht
opmeten en nateekenen. Toen heeft hij mij toegestaan zijn eigen
teekeningen te copieeren; doch bij hem aan huis; hij wilde ze niet uit
handen geven.”
„Niet kwaad bedacht,” vond Korman. „Heb je tijd om vanavond op
Watoeombo te komen?”
„Zeker!”
„Kom dan vóór den eten, en deel in onzen pot.”
Bij den zijweg, dien van Everdingen afgekomen was, hield Korman zijn
paard een oogenblik in, als dacht hij er over naar Marialand te rijden.
„Neen,” zeide hij halfluid en zijn paard wederom aanzettende, „nog
niet.” En met groot leedvermaak dacht hij aan den poets dien hij van
Everdingen gespeeld had. Ook de uitnoodiging van hedenavond zou een
steentje bijdragen; Minah moest immers gelooven dat van Everdingen weer
naar Marialand ging! Wat een leelijk gezicht zou hij trekken als hij,
in plaats van Caroline, de bruine Minah naar het bureau van den
burgerlijken stand moest geleiden!
Het gelukte hem intusschen niet van Everdingen dien avond te bewegen
tot het opkoopen van koffie. De tuinen op Sabrang stonden goed, meende
deze, en zouden voldoende opbrengen om hun langs eerlijken weg een
gezonde verdienste te bezorgen.
Korman drong niet sterk aan, hoewel hij in van Everdingen’s gevoelen
niet deelde, althans wat de tuinen van Watoeombo betrof. Hij had een
flauw besef dat die niet voldoende produceerden, dat Messner naar
gelang van zijn aanplant meer maakte, om niet te spreken van Marialand
waar de koffie in alle tuinen haast even mooi stond, zonder schrale
plekken. Alleen door opkoop van gouvernementskoffie was het goed te
maken; zonder die hulp zou Benoit al heel gauw vragen doen die minder
aangenaam waren.
Even na het avondeten kwam de plajangan. De trommel openende vond
Korman die vol brieven.
„Wat een schep!” zeide hij. „Heb je lust ze te lezen?”
„Hoe zoo?” vroeg van Everdingen.
„Het zijn sollicitaties, ingekomen op onze advertentie,” lichtte hem
Korman in. „Je kunt merken dat de tijden veranderen; een jaar of wat
geleden kon je je blind zoeken naar een employé; nu is er overvloed.
Vier en dertig!” riep hij uit, de brieven tellende. „Hier, pak aan!”
Zij lazen, elkaar de brieven overreikende, en toen zij gereed waren
bleven beiden eenige oogenblikken zwijgen.
„Er zijn er bij die je zóó opzij kunt leggen,” merkte Korman eindelijk
aan.
„Ja, de meesten zelfs!” stemde van Everdingen toe. „Die van sinjo’s en
gepensionneerden bijvoorbeeld. Weet u wie mij het meest lijkt?”
„Die... waar is de brief... die maar een paar regels schrijft, bedoel
je?”
„Ja.”
„Hier heb ik hem,” zeide Korman. „Hm... ja; ’n flinke hand en weinig
omhaal... Lamers heet hij. Vooruit dan maar! Hij kan komen.”
Nog dienzelfden avond schreef Korman aan Lamers, blij in het
vooruitzicht dat die plaats nu spoedig vervuld zou zijn en hij zelf
meer tijd zou hebben om voor zijn bijzondere belangen te zorgen.
Intusschen begrijpende dat niets zijn zaak meer schaden kon dan zich
niet te vertoonen en den ander vrij spel te laten, zette hij zich den
volgenden middag te paard en reed naar Marialand.
„Ik kom nog eens op mijn gemak kijken naar je installatie,” zeide hij
na gegroet te hebben.
„Dat is goed,” zeide van Os. „Alleen zal je mij moeten excuseeren;
morgen gaat de post en ik heb heel wat te schrijven. De meisjes zullen
je wel gezelschap houden.”
„En Caroline kan meneer de noodige ophelderingen geven,” voegde Saartje
er bij. „Zij studeert voor machinist.”
„Trekt u dat vak werkelijk aan?” vroeg Korman, terwijl zij opwandelden.
„Ik wil zeggen...” stotterde hij, „de kennis van... ahem... de
werktuigkunde.”
„O neen,” lachte zij. „Het is enkel nieuwsgierigheid. Ik kon niet goed
velen dat het machinetje voor mij zooveel geheimzinnigs bleef
behouden.”
„Nu jokt zij heusch,” zeide Saartje. „Oom had van den ingenieur een
boekje gekregen, moet u weten, om van buiten te leeren. Als dan de
inspecteur van het stoomwezen kwam kon oom zijn examen doen... verbeeld
u, voor stoker! Toen oom er één avond in had zitten lezen, werd hij
wanhopig van al die vreemde namen van dingen die hij niet vinden kon.
Caroline is daarop met onuitputtelijk geduld aan het zoeken en
vergelijken gegaan, tot zij op een goeden dag oom alles kon uitleggen
en aanwijzen.”
„Dat is knap,” vond Korman.
„Saartje overdrijft,” zeide Caroline. „Ik heb eenvoudig den inlandschen
drijver uitgehoord, die al die namen kende; het eenige moeielijke was
de woorden te herkennen, zooals hij die radbraakte.”
Zij gingen door de takker-loods, waar de amboneesche opzichter bezig
was de koffie te ontvangen en de machinekamer in. Korman bespeurde
dadelijk een verschil met de vorige maal dat hij hier geweest was. Het
was schooner. De vloer zoowel als de machine. Langs het latwerk was een
plank gespijkerd en daartegenaan hingen in keurige orde de
schroefsleutels, oliekannen; pakking en andere waarlooze stukken. Zelfs
het brandhout was netjes opgestapeld.
Met zichtbare deferentie groette de inlandsche drijver—een maleier—de
binnentredende jonge dame, en deelde haar mede dat hij door den
opzichter aangezegd was over een kwartier stoomklaar te zijn.
„Hoe vindt u mijn studeerkamertje?” vroeg Caroline.
„Prachtig,” zeide Korman. „Ik wist niet dat het in een machinekamer zoo
zindelijk kon zijn. U is nu zeker op de hoogte van alles?”
„O ja,” antwoordde zij. „Erg moeielijk is het niet.”
Zij praatten nog wat door, tot het sein op een miniatuur kenthong boven
weerklonk en het malen een aanvang nam.
Caroline zette zelf de machine in beweging, doch als Korman ditmaal
gehoopt had nogmaals den fraaien arm te zien, dan had hij mis gerekend,
want de jonge dame was nu aan het werk gewoon.
Over één zaak was hij echter tevreden. Het kostte hem namelijk
volstrekt geen moeite meer om met de meisjes te praten; de woorden
kwamen als vanzelf; hij vond zich zeer onderhoudend en hoopte dat de
anderen die meening deelden. Het scheen wel zoo, want bij het naar huis
gaan zeide Caroline:
„Foei, wat hebben we gebabbeld; meneer Korman heeft haast geen tijd
gehad om iets te zien.”
„Toch wel,” zeide Korman overluid, en toen zich naar Caroline
overbuigende, fluisterde hij haar in: „Ik heb u immers gezien?”
Het was te donker, maar anders had Korman kunnen zien hoe Caroline te
gelijk een kleur kreeg en een onwillige beweging maakte.
Voor heden echter was voor Korman dit de finale geweest van zijn
hofmakerij. Op het laatste eindje van den weg liet hij Saartje de
kosten van het gesprek dragen, en was blij toen hij onder de vleugelen
van van Os in de voorgaanderij zat, en een bittertje hem deed
herstellen van de doorgestane moeite.
Het avondeten liep vlug af, en daarna gingen van Os en Korman naar de
voorgaanderij, doch de dames bleven achter.
„Hè,” zuchtte van Os; „ik ben blij dat die schrijverij achter den rug
is. Het spijt mij dat ik je alleen moest laten, maar na tafel is het
mij onmogelijk een letter op papier te zetten.”
„Och,” zeide Korman, „ik heb me uitstekend geamuseerd. Veel gezien heb
ik natuurlijk niet, want het was een gepraat zonder eind.”
„Dat begrijp ik,” lachte van Os. „Ja, op den duur zou ik de meisjes
hier niet kunnen hebben. ’t Is te lastig; je moet ze bezighouden, weet
je, en dat kost meer tijd dan ik missen kan. Apropos, we komen
eerstdaags eens bij jou.”
„Doe dat niet!” riep Korman verschrikt uit. „Mijn huiselijke
omstandigheden...”
„Poeh!” deed van Os. „Ze zijn in Indië geboren—de meisjes bedoel ik.”
„Ja wel, maar...” zeide Korman. „Hoor eens. Als je in den knoei zat met
het een of ander waar je geen raad mee wist, wat zou je doen?”
„Dat hangt er van af,” zeide van Os verwonderd. „Je zoudt iemand anders
kunnen raadplegen, bijvoorbeeld; hoewel dat gewoonlijk niet veel
helpt.”
„Misschien in mijn geval wel,” meende Korman.
„Aha, gewichtige mededeelingen. Dat is een buitenkansje,” spotte van
Os. „Kom maar over de brug; maar laat ik je eerst nog ’n grogje
inschenken.”
„Ziezoo. Wat heb je nu?” vervolgde hij nadat dit gewichtige werk
volvoerd was. „Soesah met je geldschieter?”
„Neen, daar behoef ik niet bang voor te zijn,” zeide Korman. „Het is
iets anders. Ik zou je er niet over gesproken hebben, als je daar even
dat plan niet geopperd had... het is eigenlijk nog wat vroeg... hm, ik
kan, dat begrijp je, niet altijd ongetrouwd blijven...”
Van Os begon te begrijpen. Zachtjes fluitend bleef hij vlak voor zich
uit staren, met de strakke uitdrukking van iemand die eerst meer hooren
wil alvorens zijn goed- of afkeuring te laten blijken.
„Sinds de vorige keer dat ik hier was,” ging Korman voort, „heb ik
gemeend dat... hoe zal ik het zeggen... dat ik er niet te lang mee
wachten moest; en dat je nichtje Caroline... Zie je, eigenlijk kan ik
nog niets zeggen; maar toch zou ik niet graag hebben dat zij in
aanraking kwam met... je weet wel.”
„Dat is duidelijk,” zeide van Os. „Je kunt moeielijk zeggen: ‚Kijk,
daar heb je nu mijn huishoudster. Zou je zoo vriendelijk willen zijn
haar plaats in te nemen?’ Bedoel je het zoo niet?”
„Juist!” antwoordde Korman. „Daarbij komt dat ik in een heel bijzondere
positie verkeer, doordat ik kinderen heb. Anders zou je, als je
dergelijke plannen hebt, tegen je huishoudster kunnen zeggen: ruk uit!
En mocht het mislukken, dan neem je een ander. Maar ik kan dat niet
doen. Nu dacht ik de zaak uit te stellen... dat wil zeggen mij te
bepalen tot een vriendschappelijken omgang en later je nicht na te
reizen. Als jij me intusschen een handje helpen wou...”
„Ik? Hoe bedoel je dat?” vroeg van Os.
„Wel... het is natuurlijk de vraag of je er vóór bent.”
„Gesteld dat het zoo is.”
„Me dunkt dat het dan niet moeielijk is. Ik kom hier af en toe, en jij
plaagt haar een beetje...”
„Dankje,” zeide van Os, „dat doe ik niet. Ik wil je wel van dienst
zijn, maar niet op die manier. Je moet zelf zien of je het met Caroline
vinden kunt; daar bemoei ik mij niet mee. Om je te bewijzen dat ik je
niet ongenegen ben, zal ik je al dadelijk iets vertellen wat je nuttig
kan zijn. Weet je waarom mijn broer de meisjes hierheen gestuurd
heeft?”
„Nog niet.”
„Ik weet het eigenlijk niet zeker, maar ik ken hem en heb zoo mijn
vermoedens. Nauwelijks waren de meisjes hier, of ik las in de courant
dat hij zijn pensioen zou aanvragen. Nu is mijn broer altijd een erge
duitendief geweest, en zou hij nooit zijn pensioen hebben genomen als
hij niet voor het mindere inkomen een aequivalent had gevonden. Begin
je hem te snappen?”
„Neen,” zeide Korman, met een onwillekeurige blik op de brandyflesch,
waaruit van Os al sprekende een derde grogje prepareerde.
„Je weet toch wel wat een aequivalent is?” vroeg van Os.
„Ja wel,” zeide Korman. „Een ding dat, als ze het niet vinden kunnen,
de regeeringsmannen belet noodige veranderingen en verbeteringen in te
voeren.”
„Je wordt nog uiig op den laten avond,” zeide van Os. „Welnu, mijn
broer heeft dat gevonden in het fortuin van de meisjes. Begrijp je het
nu?”
„O!” riep Korman uit. „Hoe kon ik dat weten!”
„Dat is waar,” stemde van Os toe. „Daar had ik niet aan gedacht. En...
weet je wat... ik vind het een nobele streek van je dat je daar in ’t
geheel niet naar gevraagd hebt. Ik zal je helpen, kerel; dat beloof ik
je nu. Haha! en mijn broer een kool stoven. Hij, die dacht dat de
binnenlanden veilig waren, en zeker van hier uit de meisjes ergens
heengebracht zou hebben waar op geen tien paal afstand een vrijer te
vinden was! ’t Zou mij niets verwonderen of hij ging naar Holland.”
„Dus zou ik haar hier nog moeten vragen?”
„Natuurlijk,” zeide van Os. „Ik zal er met mijn vrouw over spreken, en
kom wel eens op Watoeombo: Heb zoolang geduld.”
Toen Korman op den weg naar huis was, bedacht hij plotseling dat hij
geheel vergeten had over van Everdingen te spreken. Soedah! dien zou
toch spoedig de lust vergaan; en zoo niet, dan was Saartje er ook nog.
Want het was zonderling, nu hij wist dat de meisjes fortuin hadden, was
het alsof de persoonlijke voorkeur die hij Caroline gegeven had sterk
verminderde, verbleekte door den goudglans die haar omstraalde. Het
eenige was dat Saartje zooveel jonger was. Een vrouw moest niet te jong
zijn; zij behoorde zich rekenschap te kunnen geven van wat zij deed als
zij trouwde, om niet naderhand te gaan zaniken over verloren illusies
en dergelijken. Want het te jonge trouwen der meisjes in Indië was voor
driekwart de oorzaak der vele echtscheidingen in dat land, meest een
jaar of twee drie na het huwelijk. Als halve kinderen die zij zijn,
verrast hen de huwelijksaanvraag; hopende getrouwd nog meer vrijheid te
hebben dan thuis, rijker te kunnen leven, nieuwsgierig naar den omgang
met een man, zeggen zij ja, om na korten tijd te bemerken dat hun
nieuwe toestand niet beantwoordt aan het door hen gedroomde ideaal. En
dan is de man de schuld van alles, tot zij zich verbeelden door hem
bedrogen en misleid te zijn en hunkeren van hem ontslagen te worden, om
in een vrije positie te kunnen doen en laten wat zij willen.
Het was over tienen toen hij thuiskwam. Naast het geraas van de kalie
weerklonk nog dat van het waterwiel, niet ongelijk aan het geklepper
van een raderstoomboot. Korman verkleedde zich eerst en ging toen naar
de molenloods, waar hij Rencke en Brisson vond, de eerste om den ander
wat gezelschap te houden bij het eentonige opzicht over het malen.
„Veel binnengekomen?” vroeg Korman.
„Honderd dertig kisten,” antwoordde Brisson; „behalve de taik loewak.”
„Mooi zoo, dat begint goed te gaan. En is er nog wat bereide koffie
ontvangen?”
„Pas drie picol. Ze vroegen het hier te mogen brengen, maar dat wilt u
immers niet hebben?”
„Neen, zeker niet,” zeide Korman. „Waarom is dat? Knoeit die vent?”
„Ik geloof het niet,” zeide Brisson. „Maar zooals u weet, de eene
inlander vertrouwt den ander niet.”
„Binnen een week kan Lamers, de nieuwe opzichter, hier zijn. Zeg hun
dat, en laat hen tot zoolang maar scharrelen. Hoe is het, ben je bijna
klaar?”
„Ja, meneer, ’t is zoo gedaan.”
Een oogenblik later hield het geknars van de molens op, en gingen zij
ieder naar zijn huis. Korman om aan de zijde van Li te liggen droomen
over zijn huwelijksplannen.
Geduldig wachtte hij nu tot van Os kwam. Dit gebeurde echter in de
eerstvolgende week niet. Intusschen was de nieuwe opzichter gekomen en
aan het werk gezet.
Lamers voldeed echter niet aan de verwachting die Korman, afgaande op
zijn brief, van hem gekoesterd had. Dat schrijven toch had een zekere
beschaving doen veronderstellen, die de man geheel en al miste. Ruw in
voorkomen en manieren maakte hij een ongunstig verschil met de andere
jongelui van Watoeombo. Op zijn werk was echter in den eersten tijd
geen aanmerking te maken; hij ging op zijn tijd naar de tuinen, kon
goed met het volk omgaan, was netjes op zijn administratie en.... kocht
veel koffie op.
„Jongens, meneer,” zeide Brisson op een morgen tot Korman, „wat zet die
Lamers een vaart! Hij is nog geen tien dagen hier en heeft al over de
zestig picols.”
„Is hij razend?” riep Korman uit. „Dat moet niet; op zoo’n manier komt
er niets in het gouvernementspakhuis, en zouden wij in ’t oog loopen.
Stuur hem eens een boodschap.... of weet je wat, laat hem dien
inlander, die zoo’n beetje den baas speelt bij den aanvoer, eens
hierheen zenden.”
Terwijl Brisson om aan dezen last te voldoen zich naar zijn
schrijftafel begaf en een briefje aan Lamers opstelde, wandelde Korman
het kantoor uit, de voorgalerij in. Er waren nu twee weken verloopen
sedert zijn gang naar Marialand, en nog hoorde of zag hij niets van van
Os. Door uitvragen van den man die het rapport van Sabrang ’s morgens
bracht, was hij te weten gekomen dat van Everdingen er in dien tijd nog
driemaal geweest was. Waar moest dat heen? Hij beschuldigde zichzelf
van groote domheid dat hij tegenover van Os zoo openhartig geweest was.
Die hield hem natuurlijk voor den gek, terwijl hem tevens de
gelegenheid was afgesneden om zelf zijn belangen te behartigen.
Plotseling ondervangt een witte stip, op den weg tegenover hem, zijn
starenden blik. Waarachtig, het was van Os! Korman’s hart klopte tot in
zijn keel; in groote spanning wachtte hij den komende af.
„Zoo, old fellow!” riep de oudkapitein afstijgende, terwijl hij Korman,
die hem te gemoet kwam, de hand drukte. „Ja, ja,” vervolgde hij de drie
treden van de voorgaanderij opstappende, „ik praat al engelsch ook. Dat
komt er van als je nichtjes te logeeren hebt die pas van de kostschool
komen.”
„Sst,” deed Korman; „er zit iemand in ’t kantoor.”
„Maak je niet ongerust,” zei van Os. „Ja wel—ik zal straks eens naar je
molens kijken, maar eerst wat te drinken hebben. Ik heb het wel aan je
verdiend!”
Korman riep den bediende.
„Een potje bier?” vroeg hij, en toen van Os toestemmend knikte,
gelastte hij den jongen dat te brengen.
Te gelijk met het gevraagde kwam ook Li voor. Zij begroette den gast,
die haar handje in de zijnen nam en haar eenige oogenblikken als
medelijdend aankeek, tot groote ergernis van Korman.
Op zijn dooie gemak dronk van Os zijn glas bier, daarbij Li vragende
naar de kinderen en vertellende van zijn dochtertjes, als schepte hij
er genoegen in Korman zoo lang mogelijk te laten wachten. Eindelijk
stond hij op en begaven zich de beide mannen naar de ledige molenloods.
In een hoek daarvan was een klein kantoortje afgescheiden, waar zij
plaats namen.
„Nu ouwe,” begon van Os, „je kansen staan goed. Maar ’t heeft kracht
gekost! Je boft er mee dat mijn vrouw Caroline zoo goed mag lijden en
haar graag hier in de buurt zou hebben.”
„Heb jullie het haar gezegd?” vroeg Korman.
„Zoo mal niet,” was het antwoord. „Neen, we hebben dat erg pinter
aangepakt. In de eerste dagen hebben we de lui zoo eens de revue laten
passeeren, om te zien of zij ook wou aanbijten. Maar zij was ons te
slim af. Ten laatste heeft mijn vrouw haar alleen onderhanden genomen,
en haar afgeschilderd wat haar wachtte bij mijn broer, en hoe leuk het
zou zijn als ze hier kon blijven. En wat denk je dat ze geantwoord
heeft?”
„Zeg het maar.”
„Dat employés toch ook dikwijls van de eene onderneming naar de andere
trokken. Slim hè? Ze liet zoodoende mijn vrouw uit den hoek komen, want
die moest jou toen wel noemen. Jij of van Everdingen, zei ze. Nu, die
had bij ons zitten vertellen dat hij in stilte geëngageerd was in
Holland, dus bleef jij alleen over. Toen kwamen je kinderen op de
proppen; en zij kon zich toch ook niet op een bordje aan je laten
presenteeren... Enfin, het eind van de geschiedenis was dat zij zei:
als je haar vroeg, dan zou zij erover denken; maar in ieder geval de
voorwaarde stellen dat je de kinderen naar Europa stuurde. Ik heb er
een dag of vijf over heen laten loopen eer ik hier naar toe kwam, en nu
moet jij nog een paar dagen wachten eer je op Marialand komt; want ik
wil om den dood niet dat zij merkt dat ik of mijn vrouw je een handje
geholpen hebben. Oef! is dat lang praten! Laat ons nu een bittertje
gaan pakken.”
„Wacht nog even,” zeide Korman. „Kan ik nu dadelijk met haar spreken?”
„Wel verduiveld,” barstte van Os uit. „Wou je dat ik de vrijerij ook
nog voor je deed?”
„Neen, liever niet,” zeide Korman lachend. „Enfin, ik begrijp het al.
En... ik kan mijn huishouden voorloopig zoo laten?”
„O ja, tot je haar vraagt. Kassian, ik heb wezenlijk met dat arme ding
te doen. Als ik er zoo een gehad had geloof ik niet dat... soedah, jij
moet het weten; dat zijn mijn zaken niet.”
„Blijf je eten?” vroeg Korman, toen zij terugwandelden naar het huis.
„Dankje. Eén paitje, en dan ruk ik uit. Ze behoeven thuis niet te weten
dat ik hier ben geweest.”
Toen van Os weg was bleef Korman zitten nadenken. Een gevoel van spijt
maakte zich van hem meester, dat hij zoo voorbarig gehandeld had ten
opzichte van van Everdingen. Hij durfde hem nu niet meer waarschuwen.
Minah zou, als hij het deed, natuurlijk alles vertellen, en hij wist
dat hem den zedelijken moed ontbrak om tegenover haar vol te houden dat
zij loog. Trouwens, die meid kon hem nog in een lastig parket brengen.
Als hij met Caroline getrouwd was, zou zij dan haar mond houden? Hm,
als hij haar niet in den weg stond, wel, en anders niet. Dan moest de
zaak maar loopen zooals zij wilde.
„Zeg, Brisson!”
„Ja, meneer,” riep de employé terug, en kwam in de voorgaanderij.
„Moet je geen bittertje hebben? Niet? Jongen, het staat toch zoo mal!
Je moest het maar eens doorzetten. Ik heb nogal wat met je te bepraten,
zoo af en toe, en dat doe ik liever niet onder werktijd. Maar ik vind
het schrikkelijk saai om met je aan de bittertafel te zitten en alleen
wat te gebruiken. Je moest ’s avonds thuis eens beginnen, tot je er aan
gewend bent.”
„Ik zal het probeeren,” zeide Brisson.
„Doe dat. Schiet je op met de boekerij?”
„O best, meneer; ik denk over een dag of wat geheel „bij” te zijn. Maar
ik ben een raar ding tegengekomen. Zoudt u eens even willen zien?”
Korman volgde hem in het kantoor.
„Hier,” zeide Brisson, hem een kladstaat voorleggende, „sluit ik op 31
Maart met meer uitgaven dan er geld in kas was. Op 4 April klopt het
weer.”
„Hoe komt dat?” vroeg Korman, en toen hij zich over het staatje
heenboog kleurde hij sterk. „Ik zie het al,” zeide hij daarop; „er is
een betaling tusschen.”
„Ja,” zeide Brisson, „dat heb ik ook gezien. U schijnt ’n vergissing te
hebben in den datum van ontvangst der remise.”
„Neen, dat kan niet,” zeide Korman. „Ik heb waarschijnlijk geld van mij
zelven gebruikt; ik meen mij zoo iets te herinneren...”
„Zal ik dan de laatste posten van Maart maar overbrengen in April?”
vroeg Brisson. „Of, omdat u de staatjes naar Soerabaja gezonden heeft,
is het misschien regelmatiger dat ik de kas bezwaar met een voorschot
van uwentwege?”
„Ja, dat is beter,” besliste Korman, zich omdraaiende.
De employé oogde hem na met een wonderlijke uitdrukking, om daarna een
notitie te doen op een blaadje van zijn zakboekje, waar bovenaan het
volgende opschrift stond: „Vermoedel. door K. gecharg. posten.”
Een paar dagen later stond Korman juist gereed naar Marialand te
rijden, toen een inlander, in wien hij den chef van het koffietransport
uit de dessa Plèrès herkende, op de bovenste trede van de trap der
voorgaanderij neerhurkte.
„Wat heb je?” was de vraag waarmee Korman het eerbiedig koelo noewoen
beantwoordde. „Meneer Lamers heeft je hierheen gezonden, niet waar?”
„Meneer moest hem niet kwalijk nemen.... meneer Lamers had hem niet
gestuurd. Hij was uit eigen beweging gekomen om de hulp af te smeeken
van den toewan besaar. Zijn picolpaard met koffie stond in de kampong
van meneer Lamers, doch met dezen had hij niet kunnen spreken, want hij
was dronken, heel erg dronken. Hij gooide met stoelen naar ieder die
hem naderde.”
„Hoor je dat?” riep Korman Brisson toe.
„Neen meneer,” antwoordde deze het kantoor uitkomende.
„Die vent vertelt dat Lamers stomdronken is. ’n Mooi geval! Ga jij....
neen toch niet.... loop even achterom naar tuin Podrono III, daar zal
je meneer Rencke vinden. Verzoek hem door te gaan naar Lamers en de
zaak te onderzoeken.”
Brisson ging en intusschen sprak Korman met den inlander.
„Voor wat meneer vreesde,” zeide deze, „was volstrekt geen gevaar. In
het gouvernementspakhuis werd niet minder geleverd dan vroeger. De
koffie die hij bracht kwam van den anderen kant van het gebergte, langs
een pad dat sinds jaar en dag alleen gebruikt werd om opium van de kust
en clandestien zout te vervoeren.”
„O zoo,” zeide Korman, „dan is het goed.” En hij gaf den man zijn
afscheid, hem zeggende dat meneer Rencke wel gezorgd zou hebben voor
zijn koffie.
Korman bleef wachten op Rencke’s terugkomst. Het duurde niet lang of
deze kwam.
„Een misselijk geval,” rapporteerde hij. „De man is door het dolle
heen. Hij is, geloof ik, wat we aan boord een kwartaal-zuiper noemden.
Hij ziet wezens die hem te lijf willen, en zoo voort. Eerst dacht ik
dat hij mij ging attaqueeren, maar hij kwam tot betere gedachten. Toen
schold hij op u en Brisson. Ik zou daar geen melding van maken, als die
dronkemanspraat niet iets had ingehouden dat.... enfin, hij dreigde met
bij de eerste gelegenheid de beste aan den resident bericht te zullen
zenden van den koffie-opkoop hier.”
„Dat hem de duivel hale!” riep Korman woedend. „Hij moet onmiddellijk
weg. Kan je dat alleen aan?”
„O ja wel,” zei Rencke glimlachend; „als u maar tijd laat tot hij zijn
roes heeft uitgeslapen. Zou u het niet raadzaam achten hem zijn salaris
uit te betalen?”
„Dat is goed,” zeide Korman. „Vraag maar geld aan Brisson, die heeft de
kas.”
Korman reed heen.
„Tante, daar komt mijn vrijer!”
Mevrouw van Os en haar nichtjes waren in den tuin bezig, toen deze
plotselinge uitroep van Caroline allen deed opzien. Tusschen de boomen
door bespeurden zij de gestalte van den naderenden Korman, waarop
mevrouw de vlucht nam naar binnen, terwijl de beide meisjes in een
vroolijk lachen uitbarstten.
„Bello!” riep mevrouw in de verte, en „Bello, Bello! waar is de hond?”
herhaalde Caroline.
Onwillekeurig hield Korman zijn paard in, wat de pret der meisjes nog
deed vermeerderen.
„Foei!” fluisterde Saartje. „Pas op, straks gaat hij nog op den loop!”
„Morgen dames! Mag ik meelachen; waarover is het?” vroeg Korman.
„Caroline zei,” begon Saartje, „kijk, daar komt...”
„Zal je zwijgen!” viel Caroline in, kleurend tot in haar hals.
„.... daar komt meneer Korman.”
„Ik ben zeker dat uw zuster iets anders gezegd heeft,” plaagde Korman.
„Wil ik eens raden?”
„Dat is goed; maar... ééns.”
„Nu dan: daar komt die aardige, gezellige...”
„Ho, mis!” riepen beide meisjes.
„Dan....”
„Neen, ééns mocht u raden, niet meer,” zeide Caroline. „Komt u binnen?
Tante is zich gaan opknappen en oom is naar de tuinen,” vervolgde zij
het huis binnengaande. „Dus is u aan onze genade overgeleverd. Wacht,
ik zal de honneurs eens waarnemen.” En den zwaren basstem van haar oom
imiteerende sprak zij met koddige deftigheid: „Daar doe je wèl aan,
ouwe! Ga zitten. Wat zal je gebruiken? Een potje bier?”
„Steek eens op!” voltooide Saartje, die een sigarenkoker uit de
binnengalerij gehaald had.
„Bravo, dames!” zeide Korman, een manilla opstekend. „Ik zal thuis eens
nazien of ik nog niet een paar complete heerenkostumes heb.”
„O graag,” riep Caroline uit. „We zullen ze u netjes gestopt
terugzenden.” En hierbij fixeerde zij een hersteld plekje op Korman’s
witte jas.
„En de rafels afknippen,” voegde Saartje er aan toe, als toevallig haar
blik op den onderkant van Korman’s pantalon richtend.
„Op alle punten geslagen!” zeide Korman. „Maar hoe kan het anders; twee
tegen één?”
„Tante roept,” zeide Saartje opstaande, en ondanks den wanhopigen blik
van haar zuster verdween zij.
Er ontstond een stilte. Caroline keek zenuwachtig voor zich, wetende
dat Korman, als hij wezenlijk plannen had, van deze gelegenheid gebruik
zou maken; Korman verrast door het plotselinge alleenzijn met Caroline,
vergetende wat hij had willen zeggen. Dit vergeten hield zijn geest zoo
bezig, dat hij niet in staat was iets anders te bedenken, en eindelijk
het feit zelf ter hulp nam.
„Juffrouw Caroline,” begon hij, „ik had gehoopt vandaag een oogenblik
met u alleen te kunnen spreken, en mij voorbereid op wat ik zeggen zou.
Maar nu, ’t is vreemd, weet ik niets meer, behalve het doel dat ik voor
oogen had. Dat is... dat ik u vragen wou... of u... mijn vrouw wilt
worden.”
Zij hield haar oogen neergeslagen, en hij, hierdoor moediger wordende,
greep haar hand. En hij sprak door, wetende dat men van een vrouw veel
gedaan krijgt met kalm te praten, het doet er niet toe wat, als het
stemgeluid slechts onafgebroken voortrolt in niet al te sterke
variaties van toon. Want dat zou haar aandacht afleiden en die naar den
spreker trekken, terwijl de bedoeling is dat zij, zich verbeeldende na
te denken, verhinderd wordt door het spreken om zulks logisch te doen,
en zachtjesaan medegevoerd wordt op den klank, om, als de spreker
ophoudt met een intonatie van zalig verlangen, een antwoord te geven
dat als het ware een voortzetting en slot is van wat hij zeide.
Korman kweet zich hiervan meesterlijk. Caroline’s zacht uitgesproken
„ja” volgde zonder komma of punt op zijn laatste woord; eerst toen hij
haar naar zich toe trok en haar een zoen gaf, kwam zij tot besef van
wat zij gedaan had, en dat zij geheel vergeten had haar condities te
noemen, zooals zij zich had voorgesteld te zullen doen als Korman haar
vroeg.
„Bravo, bravo!” en hiermee sprong van Os over het zijhekje van de
voorgaanderij, vlug genoeg om Caroline op te vangen eer zij door de
middendeur weg kon komen.
„Zoo juffertje!” zeide hij haar gezichtje tusschen zijn handen nemend.
„Laat jij je zoenen in een open galerij! Kijk me eens aan, als je
durft. Brutaal als de beul!” liet hij er op volgen, toen de blauwe
kijkers van Caroline hem ondeugend tegenflikkerden. „Zeg, Korman, jij
liever dan ik hoor!”
„Ik hoor tante’s slofjes klepperen,” zeide Caroline ontsnappend. „Pas
maar op, oom!”
„Zoo’n rakker!” riep van Os. „Intusschen gefeliciteerd, ouwe! Dat heb
je hem knap geleverd. Hei, jongens, minoeman! Ik heb trek in een
paitje, en jij?”
„Ik ook, alleen weet ik niet of....”
„Kom, stel je niet aan. Daar ben je niet jong genoeg meer voor,” zeide
van Os. „En.... verwen haar niet, pas op!”
Er werd besloten het engagement voorloopig nog geheim te houden. Ten
eerste moest Caroline aan haar oom te Batavia schrijven, en voorts had
Korman eenigen tijd noodig om zijn „huishoudelijke inrichting” te
regelen, met andere woorden Li weg te zenden en voor de kinderen in
Holland een onderkomen te zoeken.
Het laatste was niet het gemakkelijkste. Jong uit Holland vertrokken
had hij daar geen vrienden meer; die relaties waren verjaard of
afgestorven. Zijn moeder was de eenige, doch deze had hem op zijn
mededeeling van de geboorte van Hendrika kort en beslist geantwoord dat
zij geen „wilde” kinderen van hem erkende. Alleen wanneer hij die
„heidensche” vrouw tot het christendom kon overhalen en haar trouwde op
de eerlijke hollandsche manier, zou zij er notitie van nemen. Tot
zoolang verzocht zij verschoond te blijven van berichten hetzij over
„dat mensch”, hetzij over de kinderen.
Geen uitleggingen van Korman hadden gebaat; zij bleef bij haar eerste
woord.
Het toeval gaf hem een middel aan de hand om in deze zaak te voorzien.
Ongeveer een week nadat hij het jawoord van Caroline ontvangen had,
moest Korman voor zaken naar de stad. In het logement ontmoette hij een
hoofdingenieur van den Waterstaat, die naar aanleiding van
irrigatieplannen, daar eenigen tijd bleef vertoeven.
„Een heel werk,” merkte Korman op, toen de ingenieur hem had uitgelegd
hoever zich de plannen uitstrekten. „Als het uitgevoerd wordt blijft u
zeker hier?”
„In geen geval,” was het antwoord. „U weet nog niet hoeveel tijd er
gewoonlijk verloopt tusschen een opname en de uitvoering van een werk.”
„Ik kan het mij eenigszins voorstellen,” zeide Korman, „als ik naga
hoelang het geduurd heeft eer wij de papieren voor onze erfpacht
gekregen hebben.”
„Nu, en over twee maanden heb ik mijn pensioen verdiend,” zeide de
ingenieur. „Zoolang zal mijn werk hier wel duren; dus hebben we ons
huishouden te Soerabaja opgebroken, om zoo gauw mogelijk naar het
vaderland te kunnen gaan.”
„Is mevrouw dan ook hier?” vroeg Korman en op dit oogenblik schoot hem
zijn idee te binnen.
Hij schoof zijn stoel dichter bij dien van den ouden heer.
„Neem me niet kwalijk,” zeide hij, „als ik u een voorslag doe. We
zitten hier in de binnenlanden zoo hulpeloos.... Enfin, de zaak is dat
ik een gelegenheid zoek om mijn twee kinderen naar Europa mee te
geven.”
De ingenieur trok de wenkbrauwen samen.
„Als u er eens met mevrouw over sprak,” vervolgde Korman. „Ik heb er
een bankje van duizend gulden voor over.”
„O!” riep de ingenieur uit, terwijl de uitdrukking van zijn gelaat
plotseling veranderde. „Dan behoef ik er mijn vrouw niet over te
spreken—dat is te zeggen, voor den vorm natuurlijk... ik wou maar... ik
bedoel dat u op een toestemmend antwoord kunt rekenen. Morgenavond
bijvoorbeeld. Dan hebben wij een dag bedenktijd; voor den vorm, ziet
u.”
„Mijn moeder woont in Utrecht,” hernam Korman. „Zij is oud en
verplaatst zich moeielijk. Dus moeten de kinderen bij haar aan huis
bezorgd worden.”
„Dat is niets,” verklaarde de ingenieur. „Dat zijn bijzaken. Ha, daar
is mijn vrouw; mag ik u voorstellen....”
Twee dagen daarna reed Korman naar zijn land terug met het prettige
gevoel van de grootste moeielijkheid te boven te zijn gekomen.
Ongeveer halverwege de onderneming trok een stoet die hij in de verte
zag aankomen zijn opmerkzaamheid. Het was een dier bamboe draagstoelen,
eigenlijk een huis in miniatuur, door twaalf koelies gepikeld, terwijl
een ander twaalftal er omheen liep ter aflossing.
Naderbij gekomen herkende hij in den begeleider een mandoer van
Sabrang. De man liet de tandoe [115] bij Korman neerzetten en schoof de
deur in den zijwand open. Op een matras uitgestrekt lag daar van
Everdingen. Zijn gezicht was verschrikkelijk ingevallen, doch de oogen
stonden helder toen hij Korman als geruststellend toeknikte.
„Het ging niet langer,” zeide hij. „De dokter moet maar eens zien wat
hij er van maken kan.”
„Wat scheelt er aan?” vroeg Korman verschrikt.
„Koorts en pijn in de rechterzij. Biezeman zegt dat het leverziekte is.
Is dat gevaarlijk?”
„Gevaarlijk niet,” zeide Korman. „Vraag aan den dokter of hij je temoe
lawa wil geven. Dat is de eenige afdoende inlandsche medicijn.”
„Ik zal het onthouden,” beloofde van Everdingen. En hij stak Korman de
hand toe, die deze met een huivering aanvatte.
Korman vertoefde slechts een oogenblik op Watoeombo, om dadelijk door
te gaan naar Sabrang. Bij het huis van van Everdingen hield hij even
stil. Er was niemand. Op weg naar Biezeman, trof hij dezen in de tuinen
aan.
„Een leelijk geval, meneer, met den jonker,” merkte de employé op.
„Wat denk jij dat het is?” vroeg Korman.
„Ja, wat zal ik daarvan zeggen. Ik ben geen dokter,” verklaarde
Biezeman. „En die kunnen een mensch toch ook niet in zijn binnenste
kijken, zoodat ze wel raden moeten en net zoolang probeeren met hun
likkepotjes totdat er een pakt. Maar om op ons aperpo terug te komen—ik
heb nogal genie in wat moeder de vrouw er van zegt; die zegt alsdat het
den jonker zijn lever is; en dat is ’n leelijk ding als je dat in de
kou krijgt.”
„We willen er het beste van hopen,” zeide Korman. „Kan je het werk
alleen af?”
„Dat houdt niet over, meneer. Dat sakrementsche malen.... als ik daar
iemand voor krijgen kon.”
„Goed,” zei Korman. „Ik zal den hoofd-mandoer van Watoeombo zoolang
hier sturen. Je hebt het huis van meneer van Everdingen afgesloten, heb
ik gezien.”
„Ja meneer,” antwoordde Biezeman; „en de barones is bij ons
ingekwartierd. Die deed niks als grienen en wou absoluut mee naar de
stad; om den jonker obat te geven, zei ze. Maar dat ging natuurlijk
niet; en op die inlandsche obat heb ik in ’t geheel geen fidutie meer.”
„Zeg dat niet te gauw!”
„Neen, ik weet best wat ik zeg. U kent dien ouden vent wel, dien
toovenaar die bij meneer Messner is?”
„Ja wel,” zeide Korman.
„Nu, dien heb ik laatst hier gehad. En weet u wat die zei? Hij zei dat
javaansche medicijn allemaal larie was, behalve als je ze uit het goede
adres hebt.”
„En dat is?”
„Ja, dat weet ik zoo precies niet meer. Hij vertelde van pangerans
[116]; als die er meer vrouwen op na hielden dan één—en dat deden ze
allemaal—dan gaven zij die andere geen erfenis mee, maar leerden ze de
obat kennen. Die weten het alleen en mogen het niet verder vertellen.
Hij zelf was... ik zal maar zeggen ’n buitenbeentje van zoo’n pangeran,
en zijn moeder wist er dus ook alles van; maar zij heeft hem niets
anders nagelaten als ’n tooverboek waarmee hij dieven vangt.”
„Doet hij dat met een boek?” vroeg Korman, die altijd behagen schepte
in het gepraat van Biezeman.
„Ja, maar ik heb hem in de kaart gekeken. Dat boek is geschreven met
arabische letters, maar het is gewoon javaansch. Als je nou wat hebt,
zooals ik laatst, toen ze kains van moeder de vrouw gestolen hadden,
dan vraagt hij je heelemaal uit: op welken dag, hoe laat zoo wat...
afijn, alles. En dan kijkt hij in zijn boek en vertelt je precies hoe
de dief het gedaan heeft, of het een man of een vrouw is, welken kant
zij uit zijn gegaan en waar je ze vinden kunt. Weet u wat ik geloof?
Dat hij eerst de dieven inlicht hoe ze stelen moeten en dan later op
een haar na weet hoe hij ze vangen moet.”
„Dat kon wel,” lachte Korman. „Nu, als je wat hebt, dan stuur je maar
een boodschap. Goeden middag.”
Korman was dien avond te moe om nog naar Marialand te gaan. Op een
luierstoel in de voorgaanderij lag hij behagelijk uitgestrekt, toen Li,
die de kinderen in bed bezorgd had, bij hem kwam zitten, op haar
geliefd plekje, de leuning van zijn stoel.
„Ben je moe, pa?” vroeg zij zijn voorhoofd streelende.
„Ja,” zeide hij, de oogen half sluitende. „Hoor eens Li, ik heb in de
stad een familie van Soerabaja ontmoet, die over twee maanden naar
Holland vertrekt. Zoo met hen pratende kwam mij de gedachte in het
hoofd, dat onze kinderen toch eindelijk eens naar Europa moeten, vooral
Non... om te leeren, weet je. En toen hebben wij de zaak besproken,
zoodat alles in orde is... als jij het goedvindt.”
Li’s oogen verduisterden zich en twee groote tranen rolden haar over de
wangen. Zich naar Korman overbuigende vleide zij haar hoofd aan zijn
borst.
„Zij zijn nog zoo klein!” snikte zij. „Laat hen nog een poosje hier.”
„Kom Li, wees niet kinderachtig,” zei Korman. „Het moet immers toch
gebeuren, en niet gemakkelijk vinden wij weer zoo’n beste gelegenheid.
Grootmama zal goed voor hen zorgen, en over een jaar of wat zijn zij
weer terug. Je hebt nog ruim een maand tijd om er aan te wennen...”
„Straks zei je twee maanden!”
„Nu ja, eer zij van Soerabaja vertrekken. Maar je begrijpt dat de
kinderen er dan zijn moeten, en dat zij wel een week noodig hebben om
kleertjes te koopen. Zie je, ik heb het met die mevrouw zóó
afgesproken, dat zij de kinderen al meeneemt als zij naar Soerabaja
gaat.”
„Als je het zoo beschikt hebt... dan is het goed,” zeide Li met
oostersche gelatenheid. „Ik ga maar naar bed... ik kan toch niet
ophouden met huilen.” En zij kuste hem goedennacht.
Toen Li weg was haalde hij een étui uit den zak van zijn kabaja en
opende het. Een gouden armband, uit zware platte schakels bestaande,
blonk hem tegen. Hoe goed zou die staan op Caroline’s blanken arm! Het
had geld gekost; soedah! ’n spiering om een kabeljauw te vangen, dacht
Korman, terwijl hij opstond en het kleinood in de brandkast wegsloot.
Tot morgen; dan kon hij weer eens naar Marialand rijden en zijn meisje
opzoeken. Zij zou natuurlijk blij zijn dat hij al zoover gevorderd was.
Eigenlijk was het jammer dat hij nog zoo lang moest wachten. Hoeveel
zou zij hebben? Hij durfde er niet naar te vragen. Eén ding stond
echter vast, zij moesten buiten gemeenschap van goederen trouwen. Dan
hadden zij ten eerste haar fortuin, en vervolgens al wat hij zoo
gaandeweg had achtergehouden en overgelegd met meer te boeken dan er
was uitgegeven. En Benoit kon nooit aan het geld komen dat op naam van
zijn vrouw stond, en wat hij nog meer achter die „schuine deur” zou
bergen! Zoodoende zou de koffieonderneming althans aan één persoon
voordeel bezorgen. Want of zij ooit rendeeren zou, dat stond te
betwijfelen. Nu Brisson de boeken had bijgewerkt, bleek hem meer en
meer, dat het ideale „vrijwerken” nog in een heel ver verschiet lag.
Het land was te groot; hoogstens zou het goede rente afwerpen van het
daarin gestoken kapitaal; doch daarvan profiteerde Benoit in de eerste
plaats, en hij mocht zich met het overschotje tevreden stellen. En
kreeg hij dat dan nog maar in handen! Maar neen, dat verdween in de
boeken, ter aflossing van schuld. Zijn kleinkinderen zouden er
misschien een mooi kapitaal door bezitten, maar dat lag niet in zijn
bedoeling. Het eenvoudigste was om er uit te halen zooveel als doenbaar
was, alles te zetten op naam van Caroline, en er eindelijk uit te
scheiden met een grooten beer aan Benoit, waar deze naar „fluiten” kon.
Den volgenden morgen kwam Rencke, dadelijk na afloop van de rol, in de
administrateurswoning.
„Ik heb uw briefje van gisteravond ontvangen,” zeide hij. „Maar ik kan
den hoofd-mandoer niet naar Sabrang zenden; hij neemt den boel van
Lamers waar.”
„Daar had ik in ’t geheel niet meer aan gedacht,” zeide Korman. „Stuur
maar een ander; het is enkel om op het ontvangen en malen van koffie te
letten. Hoe is het met dien Lamers afgeloopen?”
„Vrij kalm,” antwoordde Rencke. „Hij was erg beteuterd en beloofde
beterschap. Maar uw orders waren te stellig, dan dat ik er iets aan
durfde veranderen.”
„Neen, op den duur zou ik hem toch niet graag gehouden hebben,” vond
Korman. „Maar wat heeft Brisson?” vervolgde hij wijzende op dezen, die
blootshoofds, met haastigen stap naderde.
Zenuwachtig reikte hij Korman een papier toe. De administrateur
herkende dadelijk het nette regelmatige schrift van den ontslagen
Lamers. Lezende, overtoog een toornige trek zijn gelaat.
„Leg het maar in het kantoor,” gelastte hij, Brisson het briefje
teruggevende, „’n Dreigbrief van Lamers,” zeide hij daarop tot Rencke.
„Het beteekent niets. Ga je gang dus met Sabrang; wien je ook stuurt,
het is altijd goed.”
En toen het kantoor binnengaande voer hij hevig uit tegen Brisson.
„Had je je bezinning verloren?” raasde hij. „’t Is Gévédé of je een
klein kind bent, om onderteekende briefjes te sturen over den
koffieopkoop.”
„Het is er maar één,” bracht de employé in het midden. „Dien morgen,
toen u zoo’n haast had...”
„Eén is voldoende,” viel Korman hem in de rede. „Juist dat ééne briefje
kan je voorgoed ongelukkig maken. Hij vraagt er tweehonderd vijftig
gulden voor, niet waar?”
„Ja meneer.”
„Dan zou ik maar zelf naar de stad rijden en het met hem afmaken. Ik
zal je het geld geven—in voorschot natuurlijk, want het is je eigen
stommigheid, en dus niet meer dan billijk dat je het zelf draagt.”
„Alsublieft meneer,” zeide Brisson. „Mag ik vandaag nog gaan?”
„Ja zeker. En morgen terug. Kijk meteen op het postkantoor of er
brieven zijn.”
Hoewel Korman zich groot hield tegenover zijn ondergeschikte, zat hij
niettemin geducht in angst over de zaak. Wel is waar gaf dat briefje
van Brisson geen enkel bewijs tegen hem, doch het kon een waarschuwing
aan het Binnenlandsch Bestuur voldoende motiveeren; en dan was het uit
met den opkoop van koffie—althans in de eerste jaren. Hij hoopte
slechts dat Brisson het er goed af mocht brengen en het gevaarlijke
papiertje in zijn bezit krijgen.
Intusschen belette hem dat alles om heden naar Marialand te gaan. Het
stond niet, om Watoeombo te verlaten, nu er drie employé’s mankeerden
en er volop werk was. Tegen den middag uit de tuinen terugkeerende,
zond hij een koelie met een brief naar Caroline, haar het treurige en
het goede nieuws meldende.
Brisson kwam den volgenden middag thuis.
„Ik heb het, meneer!” riep hij triomfantelijk uit. „En de tweehonderd
vijftig pop nog in mijn zak.”
„Dat is een felicitatie waard,” zeide Korman. „Hoe heb je dat klaar
gespeeld?”
„Ik heb hem onder tafel gedronken,” antwoordde Brisson.
Korman schoot in een luiden lach.
„Jij hem!” riep hij uit. „Vertel nu toch geen stukjes.”
„Op mijn woord,” verklaarde de employé. „Gisteravond, na den eten,
zaten we samen voor mijn kamer te praten, te onderhandelen. Hij had het
eigenlijk op u gemunt, zeide hij, en raadde mij aan u de tweehonderd
vijftig pop nooit terug te geven. Ik ging maar een beetje met hem mee,
dat begrijpt u. Zoo tegen half tien presenteerde ik hem iets. Hij nam
jenever met suiker en water. Ik heb de grogjes wat sterk laten maken,
terwijl ik zelf een glas wijn bleef drinken. Om half twaalf gaf hij het
op. Ik liet hem liggen en doorzocht zijn koffer tot ik mijn briefje
vond. Toen heb ik hem met behulp van een der wakers in zijn bed
gelaveerd, en ben van morgen vroeg vertrokken. Hier is het geld weerom,
op tien gulden na die ik noodig had voor extra uitgaven. En een brief
voor u van den dokter. Meneer van Everdingen is er slecht aan toe; ik
ben gistermiddag even bij hem geweest.”
Driftig scheurde Korman de enveloppe open. De dokter verzocht hem ten
spoedigste in de stad te komen. Van Everdingen’s toestand was van dien
aard, dat er weinig kans op herstel overbleef. Hij wenschte eenige
beschikkingen te maken en had verlangd dat Korman daarbij tegenwoordig
zou zijn.
„Roep meneer Rencke,” gelastte Korman. „Hé, paard zadelen! Li, waar ben
je? Van Everdingen gaat dood.”
„Kassian!” zeide Li. „Ga je naar de stad pa?”
„Ja; maak een rolletje kleeren voor me klaar. Het kan natuurlijk een
paar dagen aanhouden; stuur dus een koffertje met goed morgen met den
plajangan mee. Zoo, Rencke, heb je ’t al gehoord?”
„Ja meneer. Die arme kerel!”
„Ik moet weg; daar is niets aan te doen; je moet het zien te
schipperen...”
„Het zal wel lukken,” meende Rencke.
In het logement, in de kamer die het verst van den grooten weg
verwijderd was, lag de zieke. Het had hem aan oppassing en gezelschap
niet ontbroken. Ieder mocht den stillen, beschaafden jonkman gaarne
lijden, en nauwelijks had de dokter op de sociëteit verteld hoe het met
hem stond, of hij werd bestormd met aanbiedingen om te waken,
ziekenkost te laten koken—wat er maar noodig was. De dokter had daarvan
gebruik gemaakt, zoodat van Everdingen geen oogenblik alleen lag. Doch
ondanks alle goede zorgen was de patiënt bij den dag achteruit gegaan.
Toen Korman het erf opreed zag hij den resident uit de kamer van den
zieke komen en de onstuimigheid waarmee hij den neus snoot en zonder
Korman te zien voorbij liep, deed dezen het ergste vreezen. In het
galerijtje liep de notaris met nog een heer, beiden met strakke
gezichten, en binnen was de dokter, geholpen door den houtvester, bezig
voor de zooveelste maal een kunstbewerking toe te passen, die den armen
patiënt toch niet hielp.
„Schei maar uit dokter,” zeide van Everdingen mat. „Daar is Korman.”
De geneesheer voldeed onmiddellijk aan het verzoek, als begreep hij
zelf dat het een noodelooze kwelling was. Met een spons wiesch hij de
bloedstipjes van de borst des lijders en borg zijn instrument op,
terwijl hij Korman ruimte liet om het bed te naderen.
„Je gaat ons toch niet verlaten?” vroeg Korman op dien quasi-luchtigen
toon van iemand die met één blik gezien heeft dat het einde nabij is.
„Ja,” zeide van Everdingen, de vraag opvattende zooals zij bedoeld was.
„Ga zitten, hier bij mij. Ik wil mijn testament maken. Jij moet
executeur zijn; wil je?”
Korman knikte bevestigend, zich niet storend aan het tutoyeeren, dat
van Everdingen hem voor dezen nooit gedaan had. Zonderling, de
naderende dood scheen de rollen om te keeren; de ondergeschikte had op
dit oogenblik zijn chef kunnen bevelen wat hij wilde, en deze zou het
hebben opgevolgd zonder zich te bedenken.
„Mijn moeder is erfgenaam,” ging van Everdingen voort; „maar zij moet
geen last hebben van de zaak. Verkoop mijn aandeel en maak het haar
over. Dat is alles wat beschreven moet worden. Maak het met den notaris
in orde. Het voorlezen kan ik wel aanhooren, maar geen gepraat er
over.”
Het kostte eenige moeite den notaris te overreden de zaak aldus te
behandelen. Hij vond het een onregelmatigheid, en zwichtte niet eer de
dokter, die er bijgeroepen werd, verklaarde dat de patiënt geenerlei
vermoeienis kon verdragen.
Toen alles afgeloopen was wenkte van Everdingen Korman weder tot zich.
„Zorg voor mijn huishoudster,” zeide hij. „Koop een huisje ergens, of
wat je goeddunkt. Schrijf aan mijn neef te Utrecht dat hij het aan
moeder meedeelt. Deze ring.... neem een stukje papier. Noteer nu:
freule E. van Stolwijk, den Haag. Aan haar zenden en schrijven, maar
voorzichtig.”
„Ik beloof het je,” zeide Korman. „Maar nu moet je niet meer praten;
het pakt je te veel aan.”
Van Everdingen glimlachte. „Wat doet een uur langer of korter er toe!”
Doch de vermoeidheid kreeg de overhand en hij sloot de oogen. Korman
wenkte den dokter.
„Zeg eens,” zeide hij toen zij buiten waren, „wat mankeert hij?”
„De lever,” antwoordde de geneesheer. „Maar het is een zeldzaam geval.
U is executeur niet waar?”
„Ja,” zeide Korman. „Waarom?”
„Hm.... in ’t belang der wetenschap.... ik kan nu alleen de uiterlijke
symptomen beschrijven, maar het zou niet ondienstig zijn ook de
inwendige....”
„Houd maar op, dokter,” zeide Korman beslist. „Daar komt niets van in.
Als de familie het ooit vernam.... neen, ik wil het niet hebben, en
daarmee uit. Heusch, doe geen moeite. Ik vind het daarenboven weinig
verkwikkelijk om over zoo iets te praten als iemand nog leeft.”
De dokter haalde de schouders op over deze leekenkoppigheid.
„Blijft u bij hem tot het is afgeloopen?” vroeg hij.
„Ja,” zeide Korman.
Van Everdingen overleed tegen den morgen.
Zoodra Korman de noodige beschikkingen had gemaakt voor de begrafenis,
die ’s middags zou plaats hebben, zette hij zich tot schrijven. Eerst
de brieven die de overledene hem had opgedragen en toen aan Benoit. De
laatste was de uitvoerigste.
„Meneer Korman!”
De aangesprokene zag op. In de deur van zijn kamer stond een korte
gedrongen figuur. Een bijna kale schedel, donkere oogen, eenigszins
gebogen neus, zware donkerblonde snor, sprekende trekken.... ziedaar
wat men ongeveer mocht opnoemen als men Bedouin Starke wilde
beschrijven. Toch, een nauwkeurig signalement van hem te geven behoorde
tot de onmogelijkheden. De bijnaam „kameleon”, die een vriend hem had
trachten te bezorgen, was door alle anderen die hem kenden, bij
acclamatie verworpen als te weinig zeggend. Want had genoemd diertje
tien, vijftien minuten noodig om van kleur te verwisselen, Bedouin
Starke veranderde zijn geheele voorkomen in minder dan een seconde.
Talrijk waren de verhalen die over deze eigenschap van hem de ronde
deden. Onverstoorbaar van humeur, geestig en knap, was hij overal een
welkome verschijning. Zooals men zeide had hij maar één lastige
karakterfout, en wel dat hij niet velen kon dat men hem te veel op de
vingers zag. Daardoor had hij in het begin van zijn indische carrière
zoowat elk half jaar een andere betrekking, tot hij eindelijk op een
koffieonderneming was terechtgekomen aan de van Watoeombo afgewende
zijde van ’t gebergte. Hier hield hij het zes jaar uit, een feit dat
zijn oplossing vond in het gestadig naar Europa heen en weertrekken van
den administrateur-eigenaar. Deze kwam af en toe terug; doch voor dat
hij nog goed gelegenheid had om met zijn ondergeschikte standjes te
krijgen, was hij al weder vertrokken, waarop dan Bedouin Starke gewoon
was in de stad te komen en het weggaan van zijn chef met een „gloeiende
fuif” te vieren.
Nu stond hij met een vriendelijk gezicht Korman toe te knikken.
„Zoo, Starke!” riep deze uit. „Is de baas alweer weg? Kom je hem
uitluiden?”
„Neen,” was het antwoord. „Ditmaal ben ik weg. Apropos, die arme van
Everdingen! Dikwijls ontmoet, dikke vrienden geworden. Ik kwam eens
naar hem kijken, maar te laat. En nu moeten we hem begraven.... kan ik
wat voor u doen? Niet? Enfin, ik zal een roerende speech op zijn graf
houden.”
Bij de laatste woorden had zijn gelaat een zoo wanhopig droevige
uitdrukking aangenomen, dat Korman het uitproestte.
„Hoor eens,” zeide Korman zich herstellende, „je haalt geen gekheid
uit.”
„Ik zou niet durven,” zeide Bedouin Starke. „Waar de opgesperde kaken
des doods ons tegengrijnzen, en dichtsnappend een vriend van onze
zijde....”
„Ben je bedonderd!” viel hem Korman in de rede, bleek wordende, meer
van de mimiek, dan van den onzin dien de ander uitsloeg. „Je zoudt
iemand van zijn stuk brengen! Vertel liever eens wat je in de stad komt
doen.”
„Rentenieren.”
„Watblief?”
„Zooals ik zeide. De baas is van plan voorgoed te blijven. Hij kan de
Parijsche lucht niet meer verdragen. En wat nu? Eén is voldoende om aan
’t hoofd te staan van een land. Zijn er twee dan wordt de ander
natuurlijk een loop in ’t lijntje, en daar bedankten we allebei voor.
Toen zijn we mekaar aan het opdringen gegaan, et me voilà!”
„Dus zoek je een betrekking?”
„Wou u mij er een aanbieden? ’t Is waar, met van Everdingen komt er een
vacature.”
„Juist,” zeide Korman. „Ik kom zelfs twee lui te kort. Maar voor de
eene plaats heb ik al een zekere de Leeuw.”
„Een sinjo”, merkte Bedouin Starke op.
„Wat doet het er toe; hij moet goed zijn,” meende Korman. „Welnu, wil
je?”
„Ik geef daar geen antwoord op zoolang van Everdingen nog onbegraven
ligt,” zeide Bedouin Starke. „Weet u wat... ’t is vandaag Dinsdag; als
ik Zaterdagavond boven kom dan doe ik het. Ik moet eerst wat
uitwaaien.”
„Afgesproken,” zeide Korman.
Bedouin Starke was een man van zijn woord. Op het graf van van
Everdingen hield hij een aanspraak, die de meeste aanwezigen—en velen
waren opgekomen—tot tranen roerde, en inzonderheid Korman een lijkkleur
op het gelaat joeg; zoodat de algemeene opinie, zich uitende dien avond
op de sociëteit bij monde van den aspirant-controleur, was, dat Starke
bij al zijn grappen toch au fond ’n ernstige kerel, en Korman een
patent chef mocht genoemd worden.
De omstandigheden noopten Korman nog denzelfden avond terug te gaan
naar Watoeombo. Wel zou de nacht vallen eer hij zijn onderneming
bereikte, doch het was lichte maan en wilde dieren waren in die streek
zoo goed als onbekend.
In de américaine zat hij te soezen. Het scheen alsof er na de drukte en
de spanning van de laatste twee dagen een reactie bij hem was
ingetreden, zich oplossende in een hoogst onaangenaam gevoel van
zenuwachtigheid, dat hij ten deele toeschreef aan het „geklets van dien
vent”, waarmee hij bedoelde de door Bedouin Starke gesproken woorden.
Langzamerhand kwam het beeld van den gestorvene hem weer voor oogen,
niet zooals hij daar ziek gelegen had, doch in zijn werk, op zijn paard
door de tuinen rijdende, evenals op dien dag toen hij hem ontmoette bij
den zijweg naar Marialand, nadat hij... Korman bleef eenigen tijd
verwijlen bij hetgeen aan die ontmoeting was voorafgegaan, en de
conclusie die hij niet durfde trekken, dat het gisteren afgespeelde een
gevolg was van het toen gebeurde, bezorgde hem een gevoel als van een
knellenden band ter hoogte van zijn maag, die zijn longen opwaarts
drukte en hem belette adem te halen.
Gelukkig, daar was Wonosarie, en het rijpaard dat hem wachtte. Hij
onderhield zich slechts een oogenblik met den wedhono, en zette zijn
paard dadelijk bij het afrijden in een flinken draf, dien hij volhield
tot het terrein begon te stijgen en de weg een vluggen gang moeielijk
maakte.
Hooger in het gebergte gekomen, bemerkte hij dat zich eenige wolken om
den top samentrokken; een onwelkom iets, daar hij zich ten eerste bij
het incompleet van europeanen bezorgd maakte voor de op de droogbakken
uitgespreide koffie—inlanders zijn zoo nonchalant!—en ten tweede zou op
het oogenblik een regenbui minder aangenaam zijn. Reeds nu deed de kou
hem rillen in zijn van het transpireeren vochtige kleeren.
De weg slingerde zich om een uitlooper van den berg heen en liep toen
steeds klimmend, weer de ravijnholte in. Aan het einde was een vrij
scherpe bocht, zoodat Korman, die een tijdlang voortgereden was met
zijn rug naar den kant der benedenlanden, bij het omslaan daarvan
plotseling weer met het gezicht naar de vlakte gewend kwam. Doch die
zag hij niet meer. Behalve dat het donker werd, kwam een laaghangende
wolk aandrijven, hem recht te gemoet. Toen het gevaarte van waterdamp
het ravijn bereikte scheen het zich saâm te trekken, als om zoolang
mogelijk de botsing met de aarde te vermijden, tot de voorkant
eindelijk een scherpen steven van een voortzeilend schip geleek.
Wat was het, dat Korman op eens de gedachte ingaf dat die wolk op hem
af kwam? Het gevoel dat hem verlaten had bij het uitstappen van de
américaine bekroop hem weer, doch nu sterker. Met wijdgeopende oogen
zag hij naar het majestueuse monster, dat steeds donkerder, dreigender
tint aannam. Een drukkende windstilte ontstond en toen een hel licht...
het paard schrok en wierp hem af...
„Heere Jezus, vergeef het mij!” stamelde Korman ter aarde stortend. En
het klonk als een vloek.
De laatste wolk schoof voorbij de maan en het bleeke licht deed den
gevallene uit zijn bezwijming ontwaken. Langzaam, als op den tast,
stond hij op, eerst een riem voelende aan zijn linkerarm, toen
bemerkende dat het de teugel was van het paard, daarna het paard zelf
ziende dat door een toeval aldus belet was geworden zich te
verwijderen. Voorzichtig steeg hij op en reed verder. Het hinderde hem
niet dat hij doornat was; niets hinderde hem op het oogenblik; zijn
gedachten stonden stil tot hij thuis was, en daar, in het volle licht
van de lamp, die Li bij zijn nadering had opgestoken, kwam hij weer tot
zich zelven.
„Bah!” mompelde hij, en ging naar de slaapkamer om zich te verkleeden.
Zaterdagavond kwam, en ook Bedouin Starke. Terwijl zijn huishoudster en
een dochtertje zich met de bedienden onmiddellijk naar Sabrang begaven,
bleef hij op Korman’s verzoek te Watoeombo eten. Den volgenden morgen
werd hij geïnstalleerd in de betrekking, die van Everdingen zoolang
bekleed had.
Van zijn tegenwoordigheid op Sabrang maakte Korman gebruik om Biezeman
te vragen naar Minah, en vernam tot zijn groote vreugde dat deze reeds
vertrokken was, naar haar moeder. Hij besloot daarop den last van van
Everdingen niet letterlijk uit te voeren, doch zond aan Biezeman
tweehonderd gulden, om die als erfdeel van haar gestorven heer aan
Minah over te maken.
Een paar dagen na Bedouin Starke arriveerde ook de Leeuw, die de door
Lamers verlaten plaats innam.
Het malen was nu geheel afgeloopen en de laatste koffie lag op de
bakken, terwijl in de stamploods dagelijks het vroolijk gebabbel der
sorteerende vrouwen weerklonk. Stamploods was het eigenlijk slechts bij
wijze van spreken, want in de plaats der vroegere primitieve mandjes,
werd nu het werk verricht door een pelmolen, die zijn drijfkracht
eveneens aan het waterwiel ontleende.
Het was in die dagen dat op een vooravond Rencke de
administrateurswoning binnentrad. Dit was op zich zelf niets
buitengewoons, maar er was in de uitdrukking van zijn gezicht iets, dat
Korman trof, en hem vragen deed of de binnenkomende wat bijzonders had.
„Ja,” zeide Rencke, plaatsnemende. „Ik heb in de laatste tijden veel
nagedacht over mijn positie hier, en ik moet erkennen dat die heel mooi
is. Een hoog tractement, goede behandeling, aangenaam werk... men zou
haast vragen: wat wil je meer? Voor ’t oogenblik niets. Maar in de
toekomst... ik kan natuurlijk niet altijd in tractement vooruit blijven
gaan... en ook... Ik zou u wel willen vragen wat eigenlijk het
vooruitzicht is dat u mij kunt openen, gesteld dat ik nog jarenlang
hier bleef.”
„Wel,” antwoordde Korman; „administrateur worden als ik er vandoor ga.”
„Wanneer denkt u dat te doen?”
„Als het land vrij is.”
„Wanneer, meent u, zal dat gebeuren?”
„Wie kan dat zeggen!” riep Korman uit.
„Juist, wie kan dat zeggen,” herhaalde Rencke. „Zoo heb ik er ook over
gedacht. En daarbij, dat er misschien wel iets op te vinden was voor
mij, om vóór dien tijd in eigen verdiensten te komen. Mag ik vragen:
wordt het aandeel van Everdingen verkocht?”
„Ja... dat is te zeggen, hij wilde het zoo,” zeide Korman. „Er is nu
naar zijn familie geschreven, of die het goedvindt. We krijgen
telegrafisch antwoord.”
„Zoo,” zeide Rencke nadenkend. „Dus zou ik door mijn familie een bod
kunnen laten doen aan de zijne.”
„Ben je heelemaal....?” vroeg Korman.
„Hoe zoo?”
„Wel, laat den boel kalm op vendutie komen. Niemand die er wat voor
biedt als hij niet tevens een betrekking er bij kan krijgen.”
„Daar is veel van aan,” vond Rencke.
„Je begrijpt,” zeide Korman, „dat ik zelf ook opbied, al was het alleen
voor mijn fatsoen als executeur; maar in geen geval ga ik hooger dan de
som die hij er ingestoken heeft.”
„Dank u voor de inlichting,” zeide Rencke. „U houdt mij dus op de
hoogte?”
„Zeker,” beloofde Korman, doch hij wierp Rencke, toen deze wegging, een
allerzonderlingsten blik achterna.
De tijd verstreek, en eindelijk brak de dag aan waarop Li afscheid
moest nemen van haar kinderen.
Korman had haar verzocht geen huilpartij te beginnen met het oog op
njotje’s lastig karakter en mogelijk verzet, als hij bemerkte dat het
een werkelijke scheiding was van zijn moeder, die hij nog nooit
verlaten had. Li hield zich dapper en zette de kinderen zelf in de
tandoe, na ieder een kus gegeven te hebben.
„Mama toeroet!” [117] riep de kleine Gerard.
„Mama loopt achteraan,” zeide Li, den dragers een wenk gevende. En
langzaam rees de tandoe van den grond, terwijl Korman opsteeg.
Zoolang zij kon zag de arme Li haar kinderen na; en toen de stoet aan
den overkant van de kalie achter de boomen verdwenen was, ging zij naar
achter, om op haar bed stil te gaan liggen uitschreien. In haar leed
had zij slechts één troost, namelijk dat zij voor de derde maal moeder
zou worden. Aan Korman had zij hiervan nog niets gezegd; het was nog te
vroeg, meende zij.
Toen de zijweg naar Marialand bereikt was, scheidde Korman zich van de
tandoe af, de koelies toeroepende om vlijtig voort te loopen en dat hij
hen wel zou inhalen.
In vluggen draf bereikte hij weldra het woonhuis.
„Ik kom je nog even goedendag kussen,” zeide hij tot Caroline, de daad
bij het woord voegende.
„Dus zijn de kinderen op weg?” vroeg Caroline. „Kassian; was de moeder
niet erg naar?”
„Och neen,” zeide Korman. „Ik geloof niet dat zulke menschen zooveel
gevoel hebben als wij. Heb je al antwoord van je oom?”
„Ja,” antwoordde zij. „Vandaag over acht dagen gaan wij. Ben je vóór
dien tijd terug?”
„Ik weet het niet,” zeide Korman. „Het hangt van Benoit af. Maar anders
zie ik je te Soerabaja. Dat zou wèl zoo gezellig zijn.”
Doch Caroline schudde het hoofd. „Neen,” zeide zij; „dat mag niet.”
Toen hij wegreed, de kinderen achterna, vond hij dat Caroline erg
koppig was. Wat kwam het er op aan! Te Soerabaja wist immers niemand
hoe de verhoudingen op zoo’n koffieland waren, en zou niemand zich de
tanden stooten aan hun engagement, al wist men dat Li nog bij hem in
huis was. Soedah, als zij eenmaal getrouwd waren zou zij spoedig leeren
zich naar zijn wil te schikken. En met deze illusie, die zooveel mannen
koesteren vóór hun huwelijk, was hij voorloopig tevreden.
De reis van Korman naar Soerabaja was onverwacht opgekomen. Benoit had
verlangd hem te spreken over de regeling van het aandeel van
Everdingen, nadat er uit Europa bericht was ontvangen dat diens familie
met de beschikking van den overledene genoegen nam. Hij had echter zijn
vertrek eenige dagen uitgesteld om gezamenlijk met den ingenieur en
zijn kinderen te kunnen reizen.
Nu het hem ontzegd was met Caroline te Soerabaja te mogen vrijen, wilde
hij voor haar vertrek terug zijn en haastte zich derhalve zooveel
mogelijk. Toen hij weer op den terugweg was vond hij dat de tocht
eigenlijk overbodig was geweest. Wat de oude heer met hem besproken
had, was evengoed te schrijven geweest. Benoit wilde van Everdingen’s
aandeel zelf koopen, doch daar hij de geldschieter was en hij op dat
aandeel een aanzienlijk bedrag had ingebracht, wilde hij in deze niet
persoonlijk ageeren, en droeg Korman op door een strooman te laten
bieden.
„Want, zie je,” zeide hij, „dan kan ik met mijn pretentie fatsoenlijker
voor den dag komen.”
In de nieuwsbladen werd geadverteerd dat op dien en dien dag, ten
overstaan van den notaris enz. enz. zou worden verkocht de onderneming
Sabrang....
Rencke was zeer teleurgesteld toen hij de tijding vernam.
„Ik wil u niet overhaasten,” zeide hij den dag na Korman’s terugkomst,
„maar van nu af zal ik omzien naar een gelegenheid om zelf te beginnen,
dan wel mij ergens in te koopen.”
„Dat moet jij weten,” zeide Korman.
„Tenzij,” vervolgde Rencke, „dat ik hooger kan bieden dan meneer
Benoit.”
„Dat zou hij je niet goed afnemen,” waarschuwde Korman; „en in allen
gevalle zou je van hem geen kapitaal krijgen.”
„Ik zal er niet om vragen,” zeide Rencke. „Hoewel ik niet begrijp hoe
hij het zou kunnen nalaten. U laat uw helft in Sabrang toch niet
schieten?”
„Natuurlijk niet.”
„Dus moeten we tot een accoord komen, of ik koop heel Sabrang, òf ik
jaag het zoo hoog op als het waard is.”
„Ik zal er over nadenken,” zeide Korman. Nog dienzelfden avond schreef
hij aan Benoit over Rencke’s voornemen.
Per keerende post kwam een uitvoerig antwoord, waaruit Korman kon
opmaken wat hij te doen had. Kon opmaken—want de brief was zoo
zorgvuldig gesteld dat er feitelijk niets in stond, en toch weer alles.
Het eerste gevolg er van was dat de administrateur meer dan gewoonlijk
op het werk kwam en Rencke allerlei aanmerkingen maakte. Hij had er nu
trouwens den tijd voor. Het vertrek der dames van Os, dat in alle
stilte had plaats gehad, maakte een eind aan de uitstapjes naar
Marialand; de administratie was geheel in handen van Brisson, die dat
netjes en goed deed, en ten slotte vond Korman dat hij vroeger veel te
weinig op het werk kwam als voor een chef stond.
Ook op Sabrang werd hij dikwijls gezien. Toen hij daar voor de eerste
maal kwam, reed Bedouin Starke juist uit en het was Korman onmogelijk
hem in te halen, daar hij zijn paard niet durfde laten doen wat de
ander van zijn rijdier eischte. Het was een trotsch gezicht om Starke
te zien rijden. Bergop stapte hij, zijn paard steunende door zich aan
de manen vast te klemmen, maar afwaarts ging het steeds in draf. Dan
vrijwaarde hij het paard tegen het nadeelig schokken in de borst door
het de achterhand sterk onder te laten brengen, bij een fiere elevatie
van den nek, en sierlijk bijgebracht hoofd. Dan overwon de manegekunst
de grootste moeielijkheden van het terrein, hetzij een steile helling
of boomstammen dwars over den weg of een stuk waterleiding, waarover
nog geen brug was. Het was zóó mooi, dat Korman, toen hij na
herhaaldelijk te zijn afgestegen, eindelijk den tuin bereikte waar de
opzichter halt gehouden had, niet kon nalaten hem er over te prijzen.
„Een paard heeft vier beenen,” beweerde Bedouin Starke, „en kan dus
naar rato tweemaal zooveel als een mensch.”
Den tweeden keer vond Korman den ander midden in den werktijd thuis, en
de derde maal ook, en toen verklaarde Starke zelfs dat hij geen tijd
had mee te gaan naar de tuinen.
„Het zal toch dienen,” meende Korman, „als ik het werk kom
inspecteeren.”
„Pardon,” zeide Bedouin Starke. „Vergun me hierin met u van opinie te
verschillen. De quaestie is enkel of er aanmerkingen te maken zijn: zoo
ja, dan behoorde ik er bij te zijn om die te ontvangen, zooneen, dan
kunt u best alleen constateeren dat de boel in orde is.”
„Wou je dan beweren,” zeide Korman, „dat er op je werk geen enkele
aanmerking is?”
„Zooals u zegt. Natuurlijk op dát werk dat afgeleverd en ingeboekt
staat.”
„Goed!” zeide Korman. „Ik ga—maar als ik iets vind, dan zal ik het je
dubbel aanrekenen.” En terwijl Starke bedaard met zijn schrijfwerk
voortging, inspecteerde zijn chef het werk.
Doch hoe Korman ook rondzag, hij kon geen fout vinden die tot een
gegronde opmerking stof leverde.
„Je boft vandaag,” zeide hij terugkomende. „Maar ik twijfel er aan of
het op den duur goed zal blijven gaan, als je onder werktijd thuis
zit.”
„Laat ik u eerst eens een bittertje inschenken,” zeide Starke; „dat
praat pleizieriger. En nu zal ik zoo vrij zijn de zooeven door u
gebruikte uitdrukking te wraken. Ik bof namelijk volstrekt niet; het is
eenvoudig het resultaat van mijn werkwijze.”
„Dat moet je mij eens uitleggen.”
„Gaarne. Ik ga van het standpunt uit dat een inlander ook een mensch
is....”
„Hm,” bromde Korman er tusschen.
„.... en als zoodanig zich voortdurend ergert als men hem den geheelen
dag op de vingers ziet. Daartegenover staat dat hij in zijn werk moet
worden nagegaan, of anders knoeit en luiert hij. Sta je er nu den
heelen dag bij, dan profiteert hij van elk oogenblik dat je je rug
omdraait.”
„Juist,” zeide Korman; „en als je er niet bent, dan profiteert hij
dubbel.”
„Behalve,” zeide Bedouin Starke, „als hij elk oogenblik denken kan:
daar komt meneer! en altijd onverwacht, nu uit het Noorden, dan uit het
Zuiden, steeds zóó dat ik er bij ben als ik verkeerde dingen doe. Me
dunkt, als die angst er behoorlijk in zit, dan kan men gerust zijn.”
„Dat is toe te geven,” zeide Korman. „Hoewel, een javaan is slim, en
heel gauw weet hij op welke tijden je bijvoorbeeld nooit komt, en dat,
als je naar huis gaat, hij je in ’t eerste uur althans niet weer terug
ziet.”
„Ja,” antwoordde Bedouin Starke. „’t Is daarom ook een heele studie om
te zorgen dat zij nooit den draad van je komen en gaan in handen
krijgen. Op het oogenblik bijvoorbeeld, weten zij dat u hier is, en
gevoelen zich daardoor vrij veilig, denkende dat ik niet komen zal.
Welnu”—en hiermede stond Starke op en wenkte iemand om den hoek van
zijn huis—„dat hebben zij mis.”
Een staljongen verscheen, het paard, dat klaarblijkelijk te voren
gereed was gehouden, vóór brengende.
„Tot straks,” zeide Starke opstijgende. „Kijkt u intusschen de
illustraties eens in—daar op het knaapje—ik ben zóó terug.” En weg was
hij, Korman geheel verbluft achterlatende.
„Ik zou hem op staanden voet ontslagen hebben,” verklaarde van Os, toen
Korman hem het verhaal van het bovenstaande deed. „Aan den anderen kant
zou ik geen aanmerkingen hebben gemaakt op zijn thuiszijn, als zijn
werk—zooals je zelf zegt—het beste was van ’t heele land. In zooverre
heeft hij gelijk.”
Intusschen verminderde Korman zijn tournées naar Sabrang, om des te
meer Rencke lastig te vallen. Deze, in het bewustzijn van altijd naar
beste krachten zijn plicht te hebben gedaan, en meer dan dat, werd
kregelig, maar zweeg, tot hij op zekeren dag dat Korman het al te bont
maakte en hem zelfs aanvloekte, plotseling zijn ontslag vroeg.
Van het oogenblik af dat dit woord uitgesproken was, veranderde
Korman’s houding ten eenenmale. Hij werd weer vriendelijk als vroeger,
en eindelijk drong hij bij Rencke aan dat deze op zijn aanvraag terug
zou komen. Doch Rencke weigerde beslist, verklarende alleen te willen
onderhandelen over het aandeel van Everdingen. Dit wilde Korman niet,
en het einde was dat Rencke Watoeombo verliet, zijn huishoudster naar
haar dessa zendende, tot nader order, en zelf in de stad zijn intrek
nemende bij den houtvester, met wien hij zeer bevriend was, om af te
wachten tot de dag der vendutie dezen strijd zou beslissen.
Eenige dagen voor dien gewichtigen dag bevatten de nieuwsbladen echter
een advertentie, dat de aangekondigde vendutie van Sabrang was
uitgesteld tot den 23en December. Het was toen de 10e November, en
Rencke, zijn gastheer niet zoolang tot last willende zijn, nam een hem
aangeboden betrekking aan op de onderneming waar vroeger Bedouin Starke
gewerkt had. Hij had den administrateur vooraf gewaarschuwd dat zijn
plan was een bod te doen naar Sabrang, en deze nam daarmee genoegen,
niet twijfelende of Korman zou dat stuk zijner onderneming zelf willen
behouden, en boven elk bod van Rencke een hooger doen.
Doch geen van beiden hadden zij gerekend op de duivelsche sluwheid van
dien man, noch op de macht van Benoit’s geld.
„Rectificatie. In ons nummer van 8 November j.l. kwam een annonce voor
over de aangekondigde veiling van het koffieperceel Sabrang, deel
uitmakende enz. enz. Daarin is een fout ingeslopen. Er stond nl. 23
December; dit moest zijn 23 November. Onze lezers vinden hierachter de
verbeterde annonce.”
Zoo luidde het berichtje dat Rencke’s chef ’s avonds na aankomst van
den plajangan, uit zijn luierstoel deed opspringen.
„Ze hebben je te pakken gehad!” was de uitroep waarmee hij bij Rencke
kwam binnenstormen.
Het was de 23e November!
Rencke’s spijt en verontwaardiging kenden geen grenzen. Hij vroeg
verlof om naar de stad te mogen gaan, teneinde Korman over zijn bedrog
te onderhouden, wat de chef hem gaarne toestond, mede walgend van
zooveel knoeierij.
Maar Rencke vond niet wien hij zocht. In het logement wist men hem te
vertellen, dat Korman dien morgen met een reiswagen naar Soerabaja
vertrokken was. Bij den notaris vernam hij dat het perceel gekocht was
voor twee en twintig duizend gulden door Menier de Brisson.
Waarschijnlijk een strooman, meende de notaris; hij had tegen Korman
opgeboden; anders was er niemand geweest.
Met dezen troost kon Rencke naar huis gaan, wat hij deed.
„Zoolang ik nog hier ben,” zeide zijn chef, „wil ik geen compagnon
hebben; maar over twee jaar ga ik voorgoed naar Europa. Als je dan de
helft van de onderneming van mij wilt overnemen, heb ik er niets op
tegen; anders verkoop ik haar geheel.”
„Als u hierover een notarieel contract met mij maakt, neem ik uw aanbod
aan,” antwoordde Rencke, en na lang praten werden zij het eens.
Brisson was na zijn heldenstuk verricht te hebben naar Watoeombo
teruggereden. Van Korman had hij een boodschap meegekregen aan de
andere employés, die hij echter eerst mocht overbrengen zoodra Messner
op de onderneming zou geweest zijn en aldaar verricht hebben wat Korman
hem opdroeg in een brief, dien Brisson hem moest toezenden.
Zoo luidde zijn instructie.
Messner kwam uit de tuinen thuis in een niet zeer opgewekte stemming.
De laatste berichten in de couranten uit Midden-Java vertelden van een
ziekte, die daar in den koffie-aanplant heerschte; een bladziekte, die
het sterven van verscheiden boomen ten gevolge had. En op zijn rondgang
heden had hij ook op Donowarie de oranjekleurige vlekken gezien, die
van deze ziekte het kenmerk heetten. Wel meende hij die meer, ja altijd
aan zijn boomen te hebben bespeurd, maar toch maakte hij zich ongerust
en besloot eens naar Korman en van Os te gaan en met hen de zaak te
bespreken.
Op tafel in de voorgaanderij lag de brief van Korman. Hij stak dien in
zijn zak; onderweg zou hij hem op zijn gemak lezen. In haast trok hij
andere schoenen aan en steeg toen op. Reeds had hij de eerste tuinen
van Watoeombo achter zich, toen hij zich den brief herinnerde, die nog
ongeopend in zijn borstzak zat. Misschien was het ook wel over de
koffiebladziekte!
„Waarde Messner! Het spijt mij dat ik u niet heb kunnen spreken over de
zaak die in deze regelen behandeld wordt. Een belofte bond mij. Later,
als ik terug ben uit Batavia, waarheen ik afreis als ge dezen ontvangt,
zal ik u alles uitleggen. Sedert eenige weken ben ik geëngageerd met
mej. C. van Os en straks met haar gehuwd. De omstandigheid dat ik bij
Li kinderen heb, deed haar eischen dat ons huwelijk niet hier, maar te
Buitenzorg zou worden gesloten, waar haar oom thans woont. En eer Li
uit mijn huis was, mocht niemand van ons engagement weten. Ge begrijpt
dat het voor mij een lastige zaak was. Wil Li op de hoogte brengen. Ge
kunt voor haar een huisje huren in de stad en maandelijks honderd
gulden van mij ontvangen voor haar onderhoud, zoolang als zij niet
trouwt of bij een ander gaat. Doe mij het genoegen een en ander ten
spoedigste te regelen.
Van onze komst, die naar ik verwacht niet later dan vandaag over een
maand zal plaats vinden, zal ik je telegrafisch bericht zenden.