TWEEDE DEEL

De tijd die er verloopt, wanneer een onderneming wordt ontgonnen op de

wijze als Korman dat gedaan had, tusschen het planten van de laatste

bibit en het eerste vruchtdragen van den koffieboom, is vrij eentonig.

Elken dag naar de tuinen gaan en altijd hetzelfde werk zien is voor den

europeaan, vooral in Indië, vervelend en afmattend. Hij wil

vooruitgang, afwisseling, en de natuur roept hem toe: zachtkens aan;

zie, ik rijg takje aan takje, blaadje aan blaadje; alles kost mij

studie en werk; alles moet zijn begin hebben en zijn langzame

ontwikkeling; mij verveelt het niet, ik doe al sinds eeuwen hetzelfde

werk!

Is het wonder dat zich, èn daardoor èn door het aangewezen zijn op

elkaar in een kleine ruimte, de humeuren minder gunstig ontwikkelen en

er standjes ontstaan uit niets?

De huishoudster van Rencke had zich veroorloofd te zeggen dat de kleine

Hendrika Korman kromme beentjes had. „Moeder de vrouw” van Biezeman,

tegen wien het gezegd was, oordeelde het feit gewichtig genoeg om zich

te gaan overtuigen, en, zoo het waar was, Li in te lichten wat zij

moest doen om genoemde beentjes recht te laten groeien. Toen zij echter

kwam en de gezonde kleine ledematen zag, die Hendrika door het leven

moesten dragen, liet zij zich ontvallen wat njai Rencke daarover had

verteld.

Li was verontwaardigd, ten diepste getroffen in haar moederlijke

ijdelheid. En als het nog waar was! Haar engel kromme beentjes? Njai

Rencke werd ontboden en kreeg een standje, zóó dat zij blij was toen ze

weg kon komen. Maar ze zou het „moeder de vrouw” betaald zetten, wacht

maar!

Om te beginnen klaagde zij haar nood aan haar collega, die het

huishouden van Brisson bestuurde, en deze vond ook dat de babbelzucht

van Biezeman’s wilde echtgenoote te erg was! Welk oordeel door

tusschenkomst van de vrouw van den warong-houder aan de belanghebbende

werd overgebracht.

Een hatelijkheid was het antwoord, en tevens het begin van een reeks

boodschappen heen en weer, meestal behelzende wat de afzendster wel zou

doen met de tegenpartij wanneer die het ongeluk had haar in handen te

vallen.

Eindelijk kwam er een briefje van Biezeman, waarin hij „amize” Brisson

waarschuwde dat het nu uit moest zijn, of dat hij anders zou komen en

den ander, al was hij nog zoo’n lange sladood, een paar blauwe oogen

als aandenken nalaten.

Brisson zond het briefje naar Rencke, met het verzoek om een halven dag

verlof teneinde er persoonlijk antwoord op te kunnen gaan brengen.

Rencke stond dat niet toe, doch stuurde het epistel aan van Everdingen,

en vroeg hem daarbij: of men het als een staaltje mocht aanmerken van

den bon ton op Sabrang?

Toen was het aan den gang! Hatelijkheden en grofheden wisselden elkaar

af, Sabrang en Watoeombo waren als twee vijandelijke legerkampen; en

toen op het laatst van Everdingen en Rencke niet dan met groote moeite

door Korman belet werden met elkaar op leven en dood te duelleeren,

wist geen van beiden beter of zij streden voor een heilig recht, en

niet over de zwaar belasterde beentjes van Hendrika Korman.

„Toe pa, stuur ze om de beurt eens naar de stad,” zeide Li op een

avond, toen Rencke met een hoogrood gelaat was komen vertellen „dat het

zóó niet langer ging!”

Korman dacht er over na, en vond er iets op. Hij liet Rencke ontbieden.

„Er ligt een aangeteekende brief op het postkantoor,” zeide hij; „’n

remise van Soerabaja.”

„Die komt op tijd,” merkte Rencke op, „want we hebben niet veel meer in

kas.”

„Juist,” zeide Korman. „En... Sabrang heeft ook heel wat noodig... dus

wou ik je verzoeken zelf naar de stad te rijden, en het geld mee te

brengen.”

„Uitstekend meneer!” antwoordde Rencke, aangenaam gestemd in het

vooruitzicht weer eens „menschen” te zullen zien.

„Ga dan morgen,” zeide Korman. „Je kunt een dag over blijven, als je

wilt. Er is nu toch geen bijzondere drukte. Ik denk er trouwens hard

over, in het vervolg altijd een van jullie te sturen om het geld te

halen. Het transport met den plajangan bezorgt me geregeld een

slapeloozen nacht. Als hij er eens vandoor ging, zou ik eigenlijk niet

verantwoord zijn.”

Rencke was het daarmee volkomen eens.

Hij ging, en Korman reed denzelfden dag naar Sabrang, waar hij van

Everdingen eveneens zijn besluit mededeelde, dat ook bij dezen in goede

aarde viel.

„En,” voegde Korman er op het laatst bij, „zie dat je overmorgen op

Watoeombo komt. Rencke zal wel een hoop nieuws meebrengen.”

De nieuwsgierigheid dreef van Everdingen op den bepaalden dag naar het

hoofdkwartier, hoewel hij eerst van zins geweest was niet te gaan. Doch

hij bedacht dat dit van den anderen kant wel eens aan vrees kon worden

toegeschreven; en dàt nooit! Alleen zorgde hij er voor, het eerst aan

te komen. Het is toch altijd gemakkelijker bij zulke gelegenheden af te

wachten hoe de ander zijn entrée maakt, dan dit zelf te doen.

Rencke kwam laat. De geldzakken, die hij vóór zich op den zadel had

gehangen, maakten het vlugge rijden moeielijk. Het regelmatige stappen

van zijn paard had hem even voorbij Wonosarie dommelig gemaakt, en de

twee vorige nachten, die hij zonder naar bed te gaan had doorgebracht,

deden er het hunne toe. Zoodat hij er niets van bemerkte hoe de plongko

in het bosch een uurtje doorbracht met knabbelen aan de enkele

grassprietjes, die op den kant van den weg kans hadden gezien door de

doode bladeren heen te groeien. Het eindelijk weer voortgaan van zijn

rijdier deed hem ontwaken, om met schrik te bemerken hoe weinig hij pas

had afgelegd. Onwillekeurig betastte hij ook de zakken waarin het hem

toevertrouwde geld geborgen was. Toen drukte hij zijn paard in een

snelleren gang, de teugels tusschen de tanden, en op iederen geldzak

een hand houdende.

Zijn entrée was netjes. Och, hij had de heele ruzie in die drie

prettige dagen vergeten! Er had sans mots een verzoening plaats, die

onmiddellijk reageerde op de andere opzichters, en van deze op hun

respectieve huishoudsters, die elkaar een bezoek brachten, en heel

gemoedelijk bij een partijtje keplék [91] hun grieven vergaten.

Li had derhalve, zooals zij wel meer deed, een goeden raad gegeven; en

ofschoon Korman het later bij van Os en Messner deed schijnen alsof hij

op het snuggere denkbeeld was gekomen dat een eind had gemaakt aan de

standjes, voor zichzelf erkende hij niettemin Li’s verdiensten.

En die waren groot, in alle opzichten. Volgens de herinnering die

Korman nog had van een hollandsche vrouw, stond Li bij een zoodanige in

niets ten achter. Kleur? Dat scheelde zooveel niet; er waren indische

meisjes die er vrij wat donkerder uitzagen. Conversatie? Hoe weinig

vrouwen hebben die! Li kon althans vroolijk babbelen over alles en

niets. Als hij haar trouwde—hij begon er ernstig over te denken, te

meer daar zij voor de tweede maal in positie was—dan moest ze echter

hollandsch leeren. Dat zou hij eens probeeren haar zelf te onderwijzen;

ja, en fransch ook...

Dit denkbeeld verder uitmijmerende, doemde voor zijn geest een

tafereeltje op, dat hij had bijgewoond in de eerste dagen van zijn

aankomst in Indië. Het stond hem op eens helder voor oogen; de

binnengalerij van het residentiehuis te Soerabaja, waar receptie was;

receptie van den Gouverneur-Generaal, die een reis naar den Oosthoek

maakte.... Daar stond zij, het pittige vrouwtje van den handelschef;

één en al indische gratie. De echtgenoote van den landvoogd moest haar

aanspreken; daar had zij door de positie van haar man recht op. Het

ongeluk wilde echter dat de hooge dame geen hollandsche was, en zich

derhalve behielp met fransch of engelsch, al naar gelang iemand

prefereerde. Men fluisterde onder elkaar dat de gemalin van Zijn

Excellentie in alle talen verschrikkelijk knoeide....

Het indische vrouwtje naderende dacht zij.... enfin, dat bleef haar

geheim; doch zij sprak:

„Madame, quelle langue préférez vous? Moi je parle le français,

l’allemand, l’anglais, l’espagnol, l’italien... et enfin: le suédois.”

Een ondeugend vuur schitterde in de donkere oogen der aangesprokene,

toen zij met groote radheid antwoordde:

„Chose de préférence, Madame; moi je parle le hollandais, le français,

le javanais, maleisch, madoereesch, alfoersch, soendaneesch,

bataksch... et enfin, le suédois!”

Korman zag weer de verbaasde gezichten van alle omstanders; één voor

één herkende hij ze, met een juistheid die hem zelf verwonderde, daar

het al zooveel jaren geleden was; doch de trekken van het indische

vrouwtje gingen over in die van Li, en voor zijn droomend oog

geschiedde het zooeven verhaalde nogmaals, maar nu met Li als

hoofdpersoon.

Zeker, waarom niet? Het lag maar aan de opvoeding. Morgen... neen

dadelijk zou hij beginnen!

„Li, wat zou je er van zeggen als wij eens betoel [92] trouwden?” vroeg

hij.

„Sama djoega,” [93] meende Li.

Heb je van je leven! Maar ’t was waar ook, de opvoeding moest nog

aangevangen worden en daarmee zouden ook wel andere opvattingen geboren

worden.

Met het a b c begon hij en eindigde er ook mee, want toen kwam de

bevalling tusschenbeiden, die niet zoo vlot ging als de eerste maal.

Week na week verliep eer Li het bed kon verlaten, en tweemaal moest de

dokter gehaald worden uit de stad; een vreeselijk dure geschiedenis!

Doch dat kon Korman niet schelen voor ’t oogenblik; als hij Li maar

behield.

„Wil je wel gelooven,” zeide hij tot Rencke, „dat ik haar niet zou

kunnen missen? Van af dat zij zoo groot was als nu Hendrika, is ze bij

ons geweest; maar nooit heb ik geweten dat zij me zoo na aan ’t hart

lag, als juist nu. Als zij kwam te sterven zou ik het dien kwajongen

nooit vergeven.”

Gelukkig geschiedde dit niet, en mocht de kwajongen, die onder den naam

van Gerard in de registers van den burgerlijken stand werd

ingeschreven, zich verheugen in een groote belangstelling van de zijde

zijns vaders. Meer dan ooit zijn zusje, de kleine Hendrika, die van nu

af de tweede plaats bekleedde, en al jong zich leerde voegen naar de

luimen, die Korman zijn zoontje stelselmatig aanleerde.

De afgebroken lessen van Li werden niet weer opgevat. Op den duur vond

Korman het toch te lastig en tijdroovend. Zoodra de koffie produceerde

zou hij een gouvernante aannemen, die het even goed kon doen.

Behalve de tuinen die onmiddellijk aan de loengoers grensden, en

waarover de wind vrij heen streek, beloofde de aanplant van Watoeombo

zijn plicht te zullen doen. Met de loengoer-tuinen was het echter

slecht gesteld. De koffie wilde er niet groeien, en de dadap evenmin,

doch daarentegen schoot de alang-alang er steeds weelderiger op. Tot

een diepte van anderhalf voet had Korman er laten dangirren. Hij had

daarvoor duur betaald, van één tot één en ’n kwart cent per boom, maar

met geen ander resultaat als dat het zoo verfoeide onkruid nog dikker

opkwam dan vroeger, en de koffieplantjes, voor het grootste gedeelte

tweemaal gesoelamd, [94] er geel en mager bijstonden, treurige

voorbeelden van slechte werkwijze.

Eindelijk besloot Korman die tuinen af te schrijven, doch eerst wilde

hij eens een kijkje gaan nemen bij Messner en bij van Os. Bij den

laatste eigenlijk alleen uit nieuwsgierigheid, want te leeren zou er

niets zijn; van Messner misschien, ofschoon hij zich wel wachten zou

het te erkennen.

Donowarie had zich niet zoo snel ontwikkeld als de naburige

onderneming. Het gevaar kennende van groot kapitaal, dat drukkende

rente met zich brengt, wilde Messner trachten een deel van zijn land

vrij te werken, om daarna met de winst het verdere te ontginnen. Na de

honderd vijftig bouws van het eerste jaar, had hij alleen dan laten

aanleggen als hij volk te veel had, zoodat er gaandeweg niet meer dan

vijftig bouws bij waren gekomen. Het verveelde Korman er dikwijls naar

te gaan zien; het was altijd eender. Zijn laatste bezoeken waren

slechts pro forma geweest, en hadden zich niet verder uitgestrekt dan

tot de naaste omgeving van Messner’s huis. Hij kon echter aan Benoit

rapporteeren dat hij er geweest was.

Toen hij ditmaal kwam, had hij moeite Messner te beduiden dat hij meer

wilde zien dan anders, en wekte diens verbazing op door de inspectie

voort te zetten tot in de hoogste tuinen. Er werd daar juist gewerkt.

„Wat doe je nu?” riep Korman eensklaps uit, zijn oogen nauwelijks

vertrouwende.

„Labrak,” zeide Messner laconiek.

„Dat ken ik niet. Het heeft iets van het krabben met den patjol, zooals

ze in de gouvernementstuinen doen. Is dat in plaats van het babadden?”

„Neen,” antwoordde Messner; „ik zal je zeggen wat het is. Maar kijk

eerst eens rond. Hoe vind je dat deze tuinen staan?”

„Hm, mooi is anders,” vond Korman, „hoewel mijn loengoer-tuinen er nog

beroerder uitzien. Ik denk er over om ze af te schrijven.”

„Dat was ik met deze ook van plan,” zeide Messner. „De alang-alang

verstikte de koffie, de dadap wilde niet groeien, en zelfs mijn proef

met sengon, als schaduwboom, mislukte. Op een goeden dag, dat ik hier

voorbij kwam en me weer liep dood te ergeren, bedacht ik in eens, dat

waar ik al zoo’n moeite had met die alang-alang, onze vriend van Os er

nog veel erger aan toe moest zijn. Dat wil ik toch eens zien, dacht ik,

en thuiskomende verleid ik Zus om er den volgenden morgen met me heen

te rijden.”

„Met Zus?” vroeg Korman verbaasd. „Wist je dan niet dat van Os getrouwd

was?”

„Natuurlijk wist ik dat. Ik was er immers vroeger al geweest,” zeide

Messner. „Maar mevrouw van Os had het zelf gevraagd. Het is een

volbloed europeesche, weet je, en die hebben op die punten niet zooveel

tinka’s [95] als de indische dames. Weet je wat ik geloof? Dat zij zich

bewust zijn van het verschil tusschen hen en een huishoudster, en weten

dat zij niet te vreezen hebben voor een zoodanige te worden aangezien,

al gingen ze er eens samen mee uit wandelen.”

„Ha ha, die is goed!” lachte Korman. „Maar... je hebt toch bij hem niet

je middel tegen de alang-alang opgedaan?”

„Zeker heb ik dat. Waar hij het vandaan haalt weet ik niet, maar

zooveel is zeker dat hij drommels goed weet wat hij doen moet.”

„Bah!” zeide Korman. „Een man die met zijn koelies soldaatje speelt!”

„Als ik kans zag mijn volk zoo te drillen, deed ik het hem na,” zeide

Messner. „Doch dat is tot daaraantoe; ga maar eens bij hem kijken, en

laat je uitleggen hoe en waarom hij zoo werkt. Ik kan dat niet zoo.”

Korman keek op, voelende dat hij voor den mal gehouden werd; doch

Messner had zijn trekken goed in bedwang. Zij waren al sprekende den

weg afgegaan, en hadden zich van de plaats waar gewerkt werd

verwijderd. Korman bemerkte dit te laat, zich verwenschende dat hij

zich tot praten had laten verleiden. Het was een zwak van hem, dat als

hij praatte, hij niets zag; althans niet opmerkzaam genoeg; en nu was

hem feitelijk geheel ontgaan wat het volk voor zijn oogen had staan

doen.

„Ik zal er morgenochtend heen gaan,” zeide hij, „van hier uit. Maar...

geef me straks een koelie voor een briefje. Ik wou liefst vooruit

waarschuwen, want hij houdt er een hond op na...”

„Die enkel gladakkers aanvalt,” voleindigde Messner.

„Watblief? Heeft hij je dat gezegd,” vroeg Korman woedend.

„Neen zeker niet,” haastte zich Messner te antwoorden. „Ik heb van

Rencke gehoord in welke verlegenheid dat gezegde hem gebracht heeft.

Trek het je dus niet aan.”

Het briefje werd verzonden, en Bello lag behoorlijk aan den ketting

toen Korman op Marialand arriveerde.

De ontvangst aldaar was hartelijk, als bereid aan een te lang

uitgebleven vriend. Korman werd er bijna verlegen onder; en wat hem

vooral hinderde was de onafgebroken tegenwoordigheid van mevrouw van

Os, die heden alles in den steek liet, haar kinderen, haar keuken

zelfs, om den gast te onderhouden. Zoolang zij er bij was, schaamde

zich Korman om met het eigenlijke doel van zijn bezoek voor den dag te

komen; doch de tijd verstreek...

„Het is mij opgevallen zoo weinig alang-alang je in de tuinen, waar ik

langs ben gekomen, hebt overgehouden,” zeide hij ten laatste. „Hoe heb

je ’m dat toch geleverd?”

Nauwelijks had hij dien zin geuit, of mevrouw van Os werd door een

dringende huishoudelijke bezigheid weggeroepen.

„Een Malangsch recept,” zeide van Os. „Ten minste ik geloof dat ik het

in die buurten alleen gezien heb. Hoe diep denk je dat de alang-alang

wortels zitten?”

„Fameus diep,” meende Korman. „Ik heb plaatsen waar zij ruim anderhalf

voet diep in den grond zitten.”

„Omdat jij ze er zoo diep hebt ingewerkt,” betoogde van Os. „Hier

zitten ze geen halve voet diep, doordat ik met dangirren niet verder

laat gaan dan zoo veel. Feitelijk doen ze bij mij niet meer dan even

het vuil omhakken.”

„Maar daarmee geef je geen lucht genoeg aan de wortels van den

koffieboom,” riep Korman uit.

„Ik wil me aan die theorie niet wagen,” antwoordde van Os. „Ik voor mij

geloof dat de wortels van iedere plant hun eigen weg wel weten te

vinden in de aarde, en het losmaken van den grond zich niet verder

behoeft uit te strekken dan tot den bovenkorst, die door den invloed

van weer en wind verhardt. Is deze open, dan kan alles wat er in moet,

doordringen.”

„Enfin,” zeide Korman, de schouders ophalende. „Maar wat heeft dat

alles met de uitroeiing van de alang-alang te maken?”

„Nogal duidelijk,” vond van Os. „Ten eerste werk ik de wortels niet in

den grond, en ten tweede kost het schoonmaken mij zóó weinig, dat ik

het dikwijls kan laten doen. Wat betaal jij voor het dangirren?”

„Tachtig cent de honderd boomen, op gemakkelijk terrein.”

„Kijk! en ik dertig à veertig cent. Dus kan ik het tweemaal laten doen,

tegen jij eens. Daarbij doe ik niet aan babadden, doch laat in de

plaats daarvan maar weer labrakken—zoo noemden ze het in Malang.”

„Dat woord gebruikte Messner ook,” zeide Korman.

„Zoo? Ja, hij was een poos geleden hier, en zeide in eenige tuinen op

Donowarie mijn methode te zullen toepassen. Maar ter zake; doordat mijn

kebons dusdoende nagenoeg altijd schoon zijn, en de alang-alang geen

tijd heeft om veel blad te schieten, kwijnt zij natuurlijk weg, of

verbastert tot een soort kruipend gras. Hoewel, voor het laatste wil ik

niet instaan; ik ben geen botanicus en kan dus niet zeker zeggen of het

werkelijk een verbastering dan wel een supplantatie is. Daarover

gesproken, weet je wat ik ergens in het Solosche gezien heb?”

„Nog niet.”

„Wel,” vervolgde van Os, „daar was er een die beweerde dat alang-alang

verdrongen werd door een ander onkruid: djowirono? Ken je het?”

„Zeker,” zeide Korman. „Bij het afsnijden stinkt het net als rotte

pieterselie.”

„Hetzelfde. Nu, deze vriend verzamelde daarvan het zaad—je weet wel,

precies als dat van die dingen in Holland, die we als kinderen altijd

uitbliezen, paardebloemen geloof ik. En als hij gedangird had liet hij

het uitzaaien.”

„Hielp het?” vroeg Korman.

„Ik weet het niet,” zeide van Os. „Waar het stond, groeide geen

alang-alang; maar voor de rest was hij er pas mee begonnen, en wachtte

zelf den uitslag af.”

„Je hebt veel gereisd, naar het schijnt,” was de opmerking van Korman,

die aan het gesprek een andere wending gaf, daar van Os onmiddellijk

een afkeurend oordeel uitsprak over het eeuwige thuiszitten van de

planters op Java, het alleen voor zichzelf voortknoeien, en het

angstvallig vermijden van iets na te doen van elkaar, alsof er één was

die meer kon dan gissen en raden naar de beste werkwijze.

Dit was een onderwerp waaromtrent Korman met hem van oordeel

verschilde. Hij ontkende wel niet dat men nieuwe vindingen kon doen die

doeltreffend waren, doch hield vol dat er een aantal vaste regels

bestond volgens welke men vroeger altijd gewerkt had en... rijk

geworden was. Die regels had hij door de practijk, in vorige jaren

werkende bij een ervaren chef, leeren kennen en daarop zou hij geen

inbreuk plegen. Hij vergeleek ze bij de Mozaïsche wet der tien geboden,

die op zichzelf ook goed was mits men er zich letterlijk aan hield, en

er niet aan knoeide met uitleggingen die het heldere stuk

verduisterden, en Mozes zelf het meest zouden verbazen als hij ze kon

hooren.

Hieruit ontstond een geschikte aanleiding om de jurisprudentie in het

algemeen, en die van Nederlandsch-Indië in het bijzonder, eens flink

over den hekel te halen. Niet dat één hunner er iets van afwist—och

neen; maar dat belet niet, en in Indië minder dan ergens anders, er een

meening over te hebben, en die te defendeeren door dik en dun. Doet men

dit laatste met de noodige brutaliteit, dan verkrijgt men allicht,

evenals Korman dien dag bij de familie van Os, de reputatie van „toch

een drommels knap mensch te zijn.” Jammer dat hij geen advokaat

geworden was! Want—en daarmee was mevrouw van Os het nu ook eens—in de

koffie deugde hij niet.

Het oordeel van Korman over van Os, dat hij bij het naar huis rijden

bij zich zelf opmaakte, was evenwel nog strenger. Van Os deugde voor

niets. Voor militair niet eens; want waarom zou men hem anders als

kapitein gepensionneerd hebben? En wat zijn kennis van koffieplanten

aanging, dat was heelemaal niets. Wat ’n onzin, dat labrakken! Waar de

koffie en de dadap goed waren opgegroeid, daar verdween de alang-alang

vanzelf, omdat zij niet tegen schaduw kan. En als de koffie niet

groeide, dan zat dit in iets anders, in den grond of zoo; want de

plantjes waren overal dezelfde geweest.

Zijn besluit om de loengoer-tuinen af te schrijven had door die twee

bezoeken geen verandering ondergaan.

De derde westmousson, na dien waarin de eerste bouws van Watoeombo

beplant waren, was aangebroken. Eenige dagen regen hadden het stof van

de bladeren afgespoeld, en tusschen het donkergroen schitterde het

helderwit. De dadap, die in den oostmousson een groot deel van de

bladeren had verloren, maakte nu weer jong groen, dat zich ontwikkelend

de teedere bloesem der koffie beschermde. Een heerlijke geur als van

jasmijn vergezelde het schoone schouwspel dat de lagere tuinen van

Watoeombo opleverden.

Hoogerop was nog weinig, doch dat was geen nadeel, want de boomen waren

niet groot en sterk genoeg om aan de uitputting van een zware dracht

weerstand te kunnen bieden.

Toen de bloesem zich geheel ontwikkeld had, noodigde Korman zijn

geëmployeerden uit een dag ten zijnent door te brengen, en gezamenlijk

met hem de verwachte oogst te taxeeren. Het behoeft wel geen betoog dat

de meeningen sterk uiteenliepen. Men telde de bloesem aan een tak,

schatte daarna het totaal aan een boom, en vermenigvuldigde. Een klein

verschil in de eerste telling groeide bij die bewerking natuurlijk

verbazend. Dan was de een optimist, de ander pessimist, zoodra er

gesproken werd over het percentage dat zich niet tot vrucht zou zetten

of af-regenen en waaien. Met dat al was het een prettig dagje, dat

Korman’s voorraad in goedang [96] en wijnrek kolossaal deed

verminderen. Zich niet storende aan de taxaties van het vroolijke

troepje, besomde Korman zelf veertig picols voor Watoeombo en tien voor

een paar tuinen op Sabrang, die, ondanks het jaar verschil in ouderdom,

reeds dapper meededen.

Eigenlijk was de schatting van Korman ook niet oorspronkelijk. Een paar

dagen te voren had hij een briefje ontvangen van Messner, waarin deze

hem mededeelde dat hij ongeveer veertig picols dacht te zullen oogsten,

Korman verzoekende dit bij gelegenheid aan Benoit te schrijven. Als

Messner zooveel maakte, meende Korman, dan zou hij wel evenveel

krijgen, en met de vroegrijpe tuinen van Sabrang nog een beetje meer.

Het was hem te vergeven. Niets toch is moeielijker dan de eerste kleine

oogst van een koffieland te taxeeren. Later, als de tuinen geregeld

produceeren, heeft men punten van vergelijking, en op een oogst van

duizenden picols mag men zich gerust met een paar honderd vergissen;

dat valt niet zoo op als enkele picols bij een kleine hoeveelheid.

Op een morgen, in het laatst van den westmousson, liet Korman een

zestal koelies van de rol weghalen; en toen Rencke met zijn rapport

naar de administrateurswoning ging, vond hij den chef bezig met het

uitzetten van twee langwerpige vierkanten, door middel van bamboe

stokjes, terwijl de koelies op zijn bevel den grond ompatjolden, de

afgezette stukken tevens een weinig ophoogende met de aarde die zij uit

de goten haalden, die er omheen werden aangelegd.

„Gaat u bouwen?” vroeg Rencke, nadat hij een oogenblik had toegezien.

„Nog niet,” zeide Korman. „We zullen het van ’t jaar zoo eenvoudig

mogelijk doen. Dit worden droogbakken.”

Het denkbeeld, uitgedrukt in het woord „bak,” kon Rencke niet

terugvinden in wat hij vóór zich zag; doch wetende dat vragen hem hier

niet veel wijzer zou maken, trok hij een gezicht alsof Korman’s

antwoord hem geheel voldeed en op de hoogte gebracht had.

„Morgen al het volk, eer het naar de tuinen gaat, even hierheen

sturen,” gelastte Korman verder. „Zij moeten de aarde aantrappen.”

De employé voldeed den volgenden morgen aan deze opdracht, en nu werd

hem ook duidelijk wat de bedoeling van Korman’s constructie was. De

twee vierhoeken werden door de koelies hardgetrapt, geheel op dezelfde

wijze als op den eersten dag de vloer van de tijdelijke woning. In het

midden, overlangs, waren zij hoog, en liepen met een zeer flauwe

helling naar de kanten af.

Na het trappen werden de oneffenheden bijgewerkt; en aldus geschiedde

voortaan elken morgen, tot de beide stukken zoo hard als een stoep en

zoo gelijk als een dansvloer waren. Dat zij dienen moesten tot het in

de zon laten drogen der koffie begreep Rencke, hoewel hij de benaming

„bakken” gek bleef vinden.

In de tuinen was intusschen de bloesem overgegaan in groene boontjes,

en deze zwollen als bij den dag, om daarna geelachtig en eindelijk rood

te worden toen de regens langzamerhand ophielden.

Behalve de droogbakken was er een kleine loods gebouwd, was er een

soort laag juk op elk der bakken opgezet, waren er kleine vierkante

draagbare stukjes dak van bamboe en alang-alang gemaakt, en eindelijk

ontving Korman een dertigtal manden uit de stad, waarvan er tien naar

Sabrang werden gezonden. Daar was ook een aanleg gemaakt evenals te

Watoeombo.

Was Rencke nog steeds in gespannen verwachting van wat er met dit alles

moest worden gedaan, van Everdingen wist ten naaste bij, door Biezeman

voorgelicht, wat hij had te doen zoodra de koffie rijp was om geplukt

te worden.

Die dag kwam. ’s Avonds te voren was Rencke bij Korman komen aanloopen.

„Ziet u eens, meneer!” riep hij uit, niet zonder verontwaardiging in

den toon zijner stem, terwijl hij zijn zakdoek op tafel uitspreidde.

„Nu, wat zou dat?” zeide Korman, den inhoud van Rencke’s zakdoek

bekijkend, die bestond uit een hoopje koffie van de roode schil

ontdaan.

„Dat heb ik zóó op den weg gevonden,” zeide Rencke. „Wat een

baldadigheid! Het moet door een der grassnijders zijn gedaan, want van

het volk zijn er geen dien weg afgekomen.”

Korman schoot in een luiden lach.

„Li!” riep hij. „Kom eens hier. Kijk eens, Rencke verdenkt onze

grassnijders deze koffie geplukt te hebben!”

Li bezag de koffie en glimlachte.

„Er is gister ook al een beetje gevonden door den kapala kampong,”

zeide zij. „Ik heb het op een tampah [97] te drogen gelegd. Het is taik

[98] loewak.”

„Toch koffie?” vroeg Rencke.

„Wel zeker,” zeide Li, „maar eerst door de loewaks opgegeten. Ik hoorde

dat gister ook voor het eerst.”

„De loewak is een soort bunsing,” verklaarde nu Korman, „die de boonen

opeet, doch alleen de roode schil verteert en de rest weer uitwerpt.

Daar hij de rijpsten uitkiest, krijgt men uit de taik loewak de mooiste

koffie.”

„Dat begrijp ik,” zeide Rencke. „Wel, wel, daar heb ik me voor niets

boos gemaakt. Men moest die beestjes kunnen dresseeren om hier de

koffie neer te leggen.”

„Ja, dat was niet kwaad,” antwoordde Korman. „Intusschen is het voor

ons een teeken dat we met plukken beginnen moeten. Laat in de kampong

zeggen dat morgen een stuk of twintig vrouwen aan het werk kunnen gaan.

We zullen ze maar in daghuur laten werken; voor taakwerk is er nog te

weinig.”

De koffie die de vrouwen den volgenden middag aanbrachten, werd gemeten

in een ledige jeneverkist. Het verpakkingsmiddel van de vierkanters is

de traditioneele maat voor de koffie. Men is het vrijwel eens, dat zes

dier kisten roode koffie één picol bereide opleveren; hoewel

hieromtrent ook verschil van opinie bestaat.

Nadat Korman de hoeveelheid had genoteerd, liet hij de vroeger vermelde

manden halen. In elk dezer werd wat roode koffie gedaan, en op het

bevel: „ajo, illis!” [99] stapten de aanwezige vrouwen elk in een mand,

en ontdeden, door er met de vereelte voetzolen op te trappen, in weinig

tijds de koffie van de roode schil. Toen dat was geschied, nam ieder

haar mand mee naar de kalie, om daar, de mand half in het water,

gestadig omroerende, de koffie af te wasschen, zoodat zij van het

strooperige vocht en de losse schillen bevrijd, als schoone witte

boonen op de droogbakken kon worden uitgespreid.

„Dit is nu de onvervalschte Westindische bereiding,” zeide Korman.

„Oostindische, bedoelt u zeker?” vroeg Rencke.

„Neen,” was het antwoord, „die bestaat niet, of liever men noemt die

gewone bereiding. Het verschil bestaat in het laten drogen met of

zonder de roode schil. Het eerste duurt langer, de stroop droogt er in

en maakt de koffie zwaarder, de kleur van de bereide koffie wordt iets

groener en de prijs er van op de markt is lager. Nu weet je er alles

van.”

„Nagenoeg,” zeide Rencke, „en ik begrijp dat men die Westindische

bereiding slechts op een gedeelte van den oogst zal kunnen toepassen.”

„Waarom?”

„Wel,” meende Rencke, „om maar één ding te noemen: de vrouwen zouden

van dat trappen binnen korten tijd zeere voeten krijgen.”

„Dat hebben anderen vóór dezen ook al bedacht,” zeide Korman, „en

daarom een molen uitgevonden die dat werk doet. Naar ik hoor is er

zelfs hier op Java een beter systeem gemaakt dan dat in de West. Enfin,

het volgend jaar zal ik er eens op uitgaan.”

De koffiepluk ging van dien dag af geregeld door, doch weldra begon

Korman bevreesd te worden dat hij het getal picols, dat hij getaxeerd

had, en wat erger was, aan Benoit opgegeven, niet zou bereiken. Op

Watoeombo kon het echter niet veel verschillen, doch Sabrang haalde

nauwelijks de helft.

Meer nog dan dit feit hinderde hem een moeielijkheid in zijn

administratie. De verwarring was ontstaan door de opeenstapeling van

nieuwe boekhoofden, bij gelegenheid van den koffiepluk en de bereiding.

Het vervolgde hem om zoo te zeggen dag en nacht, en met schrik zag hij

het einde van de maand naderen en het oogenblik dat hij zijn

verantwoordingsstaat zou moeten opmaken en afzenden aan Benoit. Voor de

eerste maal niet in orde! Maar dat kon, dat mocht immers niet.... Dan

maar van den beginne af weer eens nagecijferd, zooals hij al zoo

dikwijls gedaan had met het resultaat, dat het telkens anders uitkwam.

Een lange gestalte onderschepte het licht in de deur van het kantoor,

en deed Korman van zijn papieren opzien. Toen hij zag, dat het Brisson

was, sloeg hij zich voor het hoofd. Hoe dom er niet aan te denken dat

hij een gewezen boekhouder in zijn dienst had!

„Je komt als geroepen,” zeide hij. „Maar... zeg me eerst wat je had.”

„Ik ben al bij meneer Rencke geweest,” zeide de employé, „en die heeft

me naar u toe gezonden. Er is namelijk vanmorgen een inlander uit

Plèrès bij mij gekomen.”

Plèrès was de naam van de dessa die boven Donowarie lag, en vanwaar de

jonge koffieplantjes kwamen.

„Zoo, en wat had die?” vroeg Korman.

„Hij bood koffie te koop aan,” antwoordde Brisson.

Alsof hij den jongen man wel had willen omhelzen, zoo stond Korman op.

„Meneer Rencke....” begon Brisson, de beweging van den ander

misduidende.

„Wat vroeg hij voor de picol? Je hebt hem toch aangehouden?” zeide

Korman hem in de rede vallende.

„Zeker meneer, hij wacht bij mij thuis. Hij zeide dat als wij zuiver

wogen of maten, hij voor tien gulden de picol wilde leveren. En we

konden ook van anderen krijgen, zooveel wij wenschten.”

„Te drommel, wat wordt er dan in ’t gouvernementspakhuis beknibbeld,”

riep Korman uit. „Daar krijgen zij veertien gulden—dat wil zeggen: het

gouvernement betaalt zooveel. Maar als zij bij ons liever voor tien

gulden willen brengen, dan wordt er flink gestolen. Ik wist wel dat het

erg was, maar dit frappeert me toch.”

„Ja,” stemde Brisson toe. „Ik wist ook eerst niet wat ik hoorde. Tien

gulden! Het zou zonde zijn dit te laten voorbijgaan.”

„Dat zullen we ook niet,” zeide de chef. „Ga dadelijk naar huis en zeg

den man dat het goed is. Maar ik heb dit jaar niet meer dan... laat

zien, er is bij de gouvernementskoffie meer tweede qualiteit dan

eerste... enfin, twintig picols zoowat. Hij moet ze bij jou afleveren.

Als je dat gedaan hebt, kom dan terug; ik heb hier een werkje voor je.”

Het kon iemand toch meeloopen! Daar was hij in eens van alle zorg

ontheven. Brisson zou hem door zijn boekerij heen helpen, en de

inhaligheid van den mantri-koffie [100] door het tekort van zijn

product. Drommels ja, op die manier zat er zelfs een rijkworder in.

Alleen moest hij oppassen dat er niemand achter kwam. Trouwens, wie zou

hier in deze buurt komen snuffelen? Het transport liep natuurlijk van

Plèrès voorbij het land van Messner; tot zoover volgde het den gewonen

weg alsof het naar het gouvernementspakhuis ging; dan hadden zij

slechts den zijweg in te slaan, oplettende of er ook een verdacht

persoon in de nabijheid was; eenmaal op het grondgebied van Watoeombo

liepen zij verder geen gevaar. Voorts moesten enkel de employés

inkoopen, en op hun kasstaat.... ja, hoe moest dat? Misschien wist

Brisson daar wel wat op.

Deze kwam spoedig terug met het bericht dat alles in orde was.

„Mooi zoo,” zeide Korman. „Kom nu eens mee in ’t kantoor. Ik heb soesah

met de administratie; ze moesten dat geduvel niet door de

administrateurs laten doen, die buitenaf werk genoeg hebben. Enfin,

kijk eens.”

Brisson keek en had werk zijn lachen te houden. Korman legde hem uit

hoe hij zijn posten boekte, en zag gelukkig niet op, eer het Brisson

gelukt was de wanhopig komische uitdrukking van zijn gelaat te doen

verdwijnen.

„Jawel meneer, ik begrijp het,” zeide eindelijk Brisson. „Mag ik het nu

even alleen doorloopen?”

„Ga je gang,” zeide Korman. „Ik rijd intusschen naar Sabrang; tegen dat

ik terug ben zal je het wel gevonden hebben.”

Zoodra Brisson alleen was gaf hij lucht aan een zoolang ingehouden

lachbui. Deze voorbij zijnde ging hij het geknoei van Korman met

aandacht na, en slaagde in korten tijd in het vinden van diens fout, of

liever fouten. Toen, de posten groepeerende, maakte hij een

recapitulatie, de oude boekhoofden behoudende, doch de laatst door

Korman uitgedachte in één hoofd: „Pluk en Bereiding” samentrekkende.

Hij was daarmee gereed lang voor Korman’s terugkomst, en niet willende

leegzitten, begon hij, vóór in het boek, op een meer practische wijze

de administratie om te werken.

Korman vond van Everdingen op zijn werk.

„Ik heb een vondst gedaan!” riep hij hem al uit de verte toe. „Hoeveel

koffie heb je al?”

„In mijn goedang staan vier picols,” zeide van Everdingen, „gereed om

te worden gestampt; en op de bakken nog anderhalf picol, denk ik. Veel

zal er niet meer bijkomen.”

„Neen,” antwoordde Korman, „dat zie ik. Maar daarom niet getreurd. Ik

zei al dat ik een vondst gedaan had... je zult de tien picols vol

maken, en nog een paar op den koop toe.”

En hij deelde hem mede wat Brisson dien morgen had aangebracht.

„Voor dit jaar is het niet noodig,” eindigde Korman, „dat je zelf

opkoopt. We zullen dat op Watoeombo maar afhandelen. Alleen moet je

inboeken, alsof je gekocht had.... dat wil zeggen alsof je had laten

plukken en bereiden; ik zal je de manier nader opgeven.”

Doch van Everdingen schudde het hoofd. Koffie van het gouvernement

stelen, gefingeerde uitgaven boeken....

„Is die koffie-opkoop geoorloofd?” vroeg hij.

„Natuurlijk niet; je moet ook een beetje voorzichtig zijn,” antwoordde

de chef.

„Neem mij niet kwalijk, meneer,” zeide van Everdingen; „maar ik heb er

veel op tegen.”

„Och kom,” zeide Korman; „iedereen doet het als hij er kans toe ziet.

En daarbij behoef je het niet zelf te doen; laat Biezeman er voor

zorgen.”

„Dat nooit!” riep van Everdingen uit. „Als er risico aan verbonden is,

dan behooren, dunkt mij, zij dien te dragen die er het voordeel van

trekken. Doch het is onnoodig dat we er verder over praten; ik doe het

niet.”

Korman had een ruw woord op de lippen, maar hij hield het in. Lang

praatte hij nog, trachtende van Everdingen te overtuigen dat er geen

gevaar in stak en ook geen schande. Geen enkel koffieplanter zag er die

in. Die enkele picols zouden het gouvernement niet ruïneeren;

daarentegen hielp men den armen inlander, die anders voor niets werkte

en zwoegde.

„Je moet weten,” zeide hij, „hoe schandelijk dat volk wordt afgezet.

Eerst brengen zij hun koffie naar het pakhuis, waar op de brutaalste

manier overwicht wordt genomen en de qualiteit afgekeurd. Ik heb het

eens gesnapt; dat zal ik je vertellen. Het was in de eerste jaren dat

ik in het land was. Een kennis van mij, een aspirant-controleur, moest

onverwachts een koffiepakhuis opnemen, en vroeg mij of ik trek had mee

te gaan. Wel, om kort te gaan, we keken de staten na in het dagboek,

wogen den voorraad koffie; alles klopte op een haar. De aspirant was

wanhopig, want hij was pas aangesteld en vermeende dat hij uitgezonden

was met de serieuze bedoeling om den pakhuismeester te snappen. Op eens

valt mij iets op. In de dagstaten stond telkens als laatste inbrenger:

Wongsodikromo. Hé, denk ik, dat is vreemd; en nauwkeuriger kijkende

bevond ik dat genoemde Wongsodikromo altijd heel veel koffie inbrengt.

Begin je het te begrijpen?”

„Een gefingeerde naam?”

„Juist. Nu, ik wou den aspirant niet wijzer maken; je weet nooit

hoeveel soesah je je zelf er mee bezorgt. Maar toen hij even naar

buiten ging, wees ik die posten met den vinger aan, zonder iets te

zeggen, alleen den mantri aanziende. De vent werd groen van schrik.”

„Dat had u vlug uitgevonden;” merkte van Everdingen op.

„Och,” zeide Korman, „als men z’n volkje kent, zie je.... Maar, dat was

dus het overwicht. Hoeveel er voor tweede qualiteit werd ingekocht,

doch als eerste geboekt, is moeielijk te bepalen. Wat echter wel kan

worden gezien, door iemand die wil althans, is dat de menschen die het

pakhuis verlaten, worden staande gehouden en heel gemoedelijk van het

grootste gedeelte van hun geld ontlast. Naar het heet is dat voor de

padjek, de belasting weet je; maar hoeveel maal of de stakkers die

betalen weet de hemel.”

„Foei!” riep van Everdingen uit. „Dat zijn russische toestanden.”

„Nog sterker: javasche,” zeide Korman. „Begrijp je nu dat je een edele

daad verricht door die menschen van hun koffie af te helpen?”

„Volkomen,” zeide van Everdingen lachend. „Ik beloof u dat ik het

iedereen zal aanraden.”

De ironische toon waarop de laatste woorden werden uitgesproken deed

Korman van verder aandringen voorloopig afzien. Maar zoodra hij, op den

weg naar huis, van Everdingen uit het gezicht verloren had, maakte hij

een dreigende beweging met zijn karwats.

„Dat heb je nu Gévédé van die compagnieschap!” mompelde hij. „Als hij

een gewoon employé was, zou het spoedig met hem gedaan zijn.”

Een inlander kwam hem te gemoet, eerbiedig den tjaping [101] van het

hoofd nemende. Korman herkende in hem een der vaste opgezetenen van

Sabrang. Zijn paard inhoudende begon hij den man te ondervragen, het

zoo inrichtende dat de javaan begreep welke antwoorden er verwacht

werden, en dat die ten nadeele van van Everdingen moesten zijn. Het was

een comediespel, waarbij beide partijen de rol van huichelaar speelden,

terwijl elk van zijn kant in schijnbaar onschuldige woorden, zooveel

mogelijk trachtte uit te drukken dat hij bon entendeur was en de

demi-mots van den ander volmaakt begreep. Het eind was dat de inlander

een paar rijksdaalders in zijn buikband verborg, en Korman voortreed

met iets als een glimlach op het gelaat.

„Nog aan ’t werk?” riep hij thuiskomende Brisson toe. „En waarom heb je

geen paitje genomen? Het stond er voor.”

„Dank u meneer,” zeide Brisson. „Ik drink nooit bitter. Het staatje is

klaar, hier is het.”

Korman doorliep de door Brisson opgemaakte recapitulatie.

„En wat zat je nog meer te doen?” vroeg hij.

„Ik meende, meneer,” zeide Brisson aarzelend, „dat u wel wat veel

boekhoofden heeft aangelegd. Daardoor komt allicht verwarring, en dacht

ik dat een vereenvoudiging misschien niet kwaad zou zijn. Zóó

bijvoorbeeld.” En hij liet zijn werk aan Korman zien.

„Het zal wel goed zijn,” zeide Korman; „maar van het jaar kan ik er

niet aan denken je dit werk op te dragen. Voor den volgenden oogst moet

er een employé speciaal voor het établissement en de boekhouding zijn;

dan kunnen we eens praten.—En wat zeg je, drink je nooit een bittertje?

Ben je er vies van?”

„O neen, meneer,” antwoordde de employé; „alleen kan ik alles wat

alcohol is niet te best verdragen.”

„Dat is ongewoonte,” besliste Korman. „En een verkeerde ongewoonte. De

dokter zeide mij laatst nog dat het slecht was in Indië in ’t geheel

niets te gebruiken. Je moet er maar aan wennen—altijd matig natuurlijk.

Dus,” vervolgde hij een tweede bittertje inschenkend, „begin er maar

dadelijk mee. Proost, frisschen morgen!”

Brisson nam het hem opgedrongen glas aan en ledigde het, doch langzaam,

met kleine teugjes, zoodat het strekte tot Korman zich reeds voor de

vijfde maal had ingeschonken. En toch, het was verwonderlijk, werkte de

kleine hoeveelheid bij hem meer dan hem lief was. Gewoon goed uit te

drukken wat hij wilde zeggen, zijn volzinnen afrondende en behoorlijk

eindigende, verliep hij zich thans in bijzinnen die elkaar in groote

verwarring opvolgden, staken, trapten, in den weg zaten, om na de

uiterste krachtsinspanning van Brisson als droog zand uiteen te vallen.

Zijn blauwe oogen puilden daarbij uit het hoofd; den mond half open

knikte hij Korman toe met een wezenlooze uitdrukking; het was een

onaangename verandering.

„Breng het paard van meneer voor,” riep Korman naar achter. Hij had

gezien dat Rencke uit zijn huis kwam en naar allen schijn zich gereed

maakte om in de administrateurswoning een praatje te gaan maken.

Nauwelijks zat Brisson in den zadel of hij diende zijn rijdier een

harden zweepslag toe, en vertrok ventre à terre. Rencke moest opzij

springen om niet te worden aangereden, en met verontwaardiging ving

hij, in plaats van het verwachte excuus, een luid sarrend lachen op.

„Heb je ooit zoo iets gezien?” vroeg hem Korman.

„Is er iets voorgevallen?” was de wedervraag, waarbij in Rencke’s stem

de toorn duidelijk hoorbaar was.

Korman vertelde het hem:

„Wat een ongelukkig gestel,” zeide Rencke. „Nu begrijp ik ook waarom

hij nooit bij me wilde komen, zoo ’s avonds. ’t Is gelukkig dat hij

zich weet te onthouden, anders kwam er niet veel van hem terecht.”

„Hij moest zich wennen om iets te kunnen verdragen,” meende Korman. „Is

er iets bijzonders?”

„Neen meneer.”

Daarop deed Korman hem het verhaal van de wederwaardigheden van dien

morgen, niet nalatende zich sterk te beklagen over de weigering van van

Everdingen. Rencke luisterde toe: van Everdingen’s handelwijze keurde

hij volkomen goed; ook hij zou niet genegen worden bevonden zich voor

Korman’s belangen aan de wet te vergrijpen. Toen hij eindelijk bemerkte

dat het laatste niet van hem geëischt zou worden, aangezien Korman geen

koffie-opkoop wilde doen plaatsvinden op het hoofdkwartier, verdween

zijn ongerustheid en gaf hij toe: „dat een compagnon een lastig wezen

is.”

In de nu volgende dagen reed Korman dikwijls naar de afdeeling van

Brisson. Picolsgewijs kwam daar de koffie binnen, reeds geheel bereid.

Dat behoefde geen verwondering te baren, daar de inlander zoo vroeg

plukt, zoo vroeg als hij durft, om te voorkomen dat zijn buurman anders

dat werk voor hem verricht. Het spreekt dat de qualiteit van de koffie

door dit onrijpe plukken lijdt, en er onder de gewone

gouvernementskoffie slechts weinig voorkomt, wat een consciëntieus

planter tot de „eerste qualiteit” brengt; althans onder het merk van

zijn onderneming. Dat er toch slechts een betrekkelijk klein verschil

van tijd was tusschen het afgewerkt zijn van deze koffie en die te

Watoeombo, was te wijten aan den langeren duur der inlandsche

bereiding.

Toen de twintig picols vol waren, liet Korman den opkoop staken en

bracht de koffie over naar het hoofdkwartier, in een der leegstaande

kamers van zijn bijgebouwen. Daar stonden ook reeds zakken vol van

eigen product, doch nog in den hoornschil, daar men vermeent dat de

kleur der koffie, als zij geheel is bereid, spoediger verdwijnt dan

wanneer dit omhulsel haar nog voor den invloed van licht en vocht

beschermt.

De oostmoesson was voor het drogen der koffie zeer gunstig geweest.

Slechts een paar maal had men overdag de koffie naar het midden van de

bakken behoeven te schoffelen en met de draagbare stukjes dak toedekken

tegen een opkomende regenbui. Deze uitslag was te danken aan een

kunstmiddel. Op een langen staak, verticaal in den grond geplant, werd

een bezem bevestigd, en daarop offeranden van rijst, lombok [102] en in

pisang-blad gewikkelde kwee-kwee [103] gelegd. Ziedaar alles. En dat

het hielp, bleek uit de resultaten.

Op een morgen oordeelde Korman dat het tijd werd de koffie van den

hoornschil te ontdoen en te laten sorteeren. Op de bakken lag nog

slechts weinig; voor ’t grootste gedeelte opraapsel, waarvan wat de

qualiteit betreft geen groote verwachtingen werden gekoesterd. Hij

stuurde een boodschap naar Sabrang, om den volgenden dag ook de daar

aanwezige koffie te laten stampen en ongesorteerd over te zenden. Op

Watoeombo werd reeds dien dag begonnen.

Daartoe waren kegelvormige mandjes gevlochten, met de punt vastgezet in

zware stukken hout. In deze mandjes werd de koffie gestort, en gestampt

met de gewone aloe die ook voor het rijststampen gebezigd wordt. Zoodra

een flinke hoeveelheid gereed was, namen de vrouwen die dat werk

verrichtten, een weinig op een tampah en begonnen door deze op en neer

te bewegen, staande in den wind, de koffie te wannen tot de

stukgestooten hoornschil was weggewaaid en alleen de blauwgroene boonen

overbleven. Daarna gingen zij naar de hiervoor ontruimde voorgalerij

van de administrateurswoning, en zochten op aanwijzing van Korman, en

onder toezicht van dezen, Rencke en Li, de soorten uit.

Het eerst de mannetjes-koffie. Dit zijn boonen waarvan er slechts één

in een roode schil zitten, in tegenstelling van de anderen die twee aan

twee aldus omhuld zijn. Door den ronden vorm daarvan was deze

sorteering zeer gemakkelijk. De koffie werd naar één kant van den

tampah gestreken en deze schuin gehouden onder een zacht schudden,

waardoor de ronde boontjes vanzelf naar beneden rolden.

Daarna de sorteering op kleur en gaafheid. Dit is een werk waartoe men

enkel vrouwen kan bezigen. Mannen toch, zooals Rencke bij zijn proef

persoonlijk ondervond, missen het noodige geduld, terwijl zij tevens

geen memorie hebben van de standaardkleur en het hun weldra voor de

oogen gaat schemeren.

Tot de eerste qualiteit behooren gave, goedkleurige boonen. Gevlekte of

halve boonen zijn tweede qualiteit, en zwarte koffie of gruis derde

soort.

Korman was even naar buiten gegaan, op de droogbakken. In de goot die

daar om heen liep bespeurde hij ettelijke koffieboonen.

„Rencke!” riep hij. „Stuur even een vrouw hierheen.”

Juist kwam er een troepje uit de stamploods.

„Eén mensch naar den toewan besaar!” riep Rencke hen toe.

Een der vrouwen gaf haar tampah over, en voldeed aan het bevel. Zij was

in vergevorderde positie.

„Hola!” riep Rencke haar toe. „Ik zei immers één mensch!”

„Er komt maar één vrouw,” zeide Korman opziende, en zich verwonderende

over Rencke’s aanmerking.

Maar de vrouwen hadden die echt javaansche geestigheid gevat, en

lachten dat zij schudden, elkaar toeroepende, en verklarende dat de

toewan ziender niet enkel het voorkomen, maar ook het verstand en den

geest van een jongen priaji [104] had.

„Je bent net als Messner,” mompelde Korman, toen hij het eindelijk

begreep. „Die loopt ook altijd zoo hoog met z’n javaansche uien.”

Den volgenden morgen werd met hetzelfde werk voortgegaan, en was men de

koffie van Sabrang wachtende, toen eensklaps van Everdingen zelf

verscheen.

Hij zag er bleek en vermoeid uit. Op zijn hoofd droeg hij een

mandoers-hoed; schoenen en kousen had hij niet aan; een verkreukelde

kabaja en een slaapbroek dekten zijn leden.

„Wat is er gebeurd?” riepen Korman en Rencke tegelijk uit.

„Afgebrand!” was het antwoord. „Kijk,” vervolgde hij, een zwarte punt

van zijn kabaja toonende, „ik ben er zelf nauwelijks uit gekomen.”

„En de koffie?” vroeg Korman met blijkbare spanning.

„Weg,” zeide van Everdingen dof. „Alles is weg; koffie, geld, mijn

kleeren, alles! Ik heb niet meer dan wat ik hier aan ’t lijf heb.”

„Maar vertel dan toch geregeld,” zeide Korman.

„Kassian!” riep Rencke uit. „Hij is er heelemaal suf van. Heb je al

ontbeten?”

Een hoofdschudden was het eenig antwoord.

„Ga dan mee naar mijn huis,” sloeg Rencke voor. „Hier is zooveel

drukte. Je kunt dan tevens een pak kleeren van mij aantrekken.”

„Ja, doe dat,” zeide Korman. „Ik ga intusschen eens kijken op Sabrang.

Waar is Biezeman?”

„Bezig met opruimen en zien of er nog iets gespaard is,” zeide van

Everdingen.

Terwijl Korman zijn paard liet zadelen en wegreed, gingen de beide

employé’s naar Rencke’s huis. Een flink ontbijt en een glas bier hadden

van Everdingen weldra weer op zijn verhaal gebracht, en hij deed toen

aan Rencke een verslag van het gebeurde.

Den vorigen middag had hij de koffie in zakken laten overstorten en

alles klaar gezet tot spoedige afzending. Of nu daarbij een der koelies

gerookt, en zijn strootje tusschen de zakken had laten vallen, of hoe

dan ook, maar ’s nachts was hij door de angstkreten van zijn

huishoudster gewekt. Overal zag hij vlammen, terwijl de splijtende

bamboe een helsch lawaai maakte. Het venster openrukken, zijn

huishoudster er uit tillen en zelf naspringen was het werk van eenige

seconden; nog juist bijtijds, want spoedig daarna stortte de rommel in.

„Ik kan me voorstellen dat je geschrokken bent,” zeide Rencke. „Hoe

laat was het ongeveer?”

„Wel, tegen den morgen.”

„Dan,” meende Rencke, „geloof ik niet dat die brand ontstaan is door

een strootje dat gisteren is weggeworpen. Zóólang zou het niet kunnen

smeulen bij deze droogte. Het moet aangestoken zijn. Wat zeiden je

bedienden?”

„Die hebben het te druk gehad met hun eigen boeltje uit de bijgebouwen

te redden,” zeide van Everdingen. „En voorts heb ik me nog weinig

moeite gegeven om de oorzaken op te sporen.”

Op Sabrang wees een zwarte hoop de plek aan waar van Everdingen’s

woning gestaan had. Met een zestal koelies was Biezeman bezig op te

ruimen; voorzichtig liet hij stuk voor stuk de verbrande en geblakerde

bamboes van den hoop halen en op het voorerf opstapelen. Reeds zag men

hier en daar den vloer van het huis, toen Korman opreed.

„Waarom ben je daar zoo voorzichtig mee?” vroeg hij.

„Om te kijken wat er mogelijk nog ligt,” antwoordde Biezeman. „De

jonker had een geldkistje, ziet u, en nu zou het kunnen zijn dat ze het

vonden en wegmoffelden.”

„Hoe groot was het?”

„Zóó, zoowat,” zeide Biezeman, de handen ongeveer een voet van elkaar

houdende.

„Zat het kasboek er ook in?” vroeg Korman gejaagd.

„Dat weet ik zoo net niet. Maar de jonker bewaarde er zijn geld in; en

al was hij nou nog zoo rejaal, er zal wel wat van zijn tractement zijn

overgeschoten.”

Korman bleef toezien tot bijna alles was opgeruimd.

„Daar zie ik wat!” riep eensklaps Biezeman uit, en een stuk van een

kastdeur wegschoppende ontblootte hij een zwart geblakerd doch

oogenschijnlijk ongedeerd miniatuur brandkastje. Het was nog warm,

zoodat hij eerst water liet halen om het af te koelen, tot groote

ergernis van Korman die als op heete kolen stond om een antwoord te

bekomen op de vraag die hij zooeven gedaan had.

Doch Biezeman ging met groote bedaardheid en overleg te werk. Toen het

kistje voldoende koud was liet hij het opnemen. Aan den onderkant hing

een kegel vuil—althans zoo meende Biezeman, die het er met zijn stok

trachtte af te slaan. Doch hij ontmoette iets hards. Door de trilling

van den slag liet de droge aarde los en de kegel vertoonde wit

schitterende plekken.

„Wat duivel is dat?” riep hij uit, en gelastte de koelies het kistje

omgekeerd neer te leggen.

Met hun beiden bekeken zij den uitwas, tot Korman eensklaps uitriep:

„Het geld is gesmolten!”

Zoo was het. In den bodem van het brandkastje bevonden zich twee gaten,

bestemd om muurschroeven door te laten. Daardoor had de hitte toegang

gekregen tot den inhoud en deze kunnen vernietigen, tot het gesmolten

zilver den uitgang weer verstopte.

Korman was gerustgesteld. Waar het metaal gesmolten was, zou er van het

kasboek, als dat er zich in bevonden had, niet veel over zijn, en kon

hij de laatste afgifte van geld, waarover nog geen verantwoording

bestond, in eens boeken. Het kon dan besteed zijn aan het onderhoud der

tuinen zoowel als aan pluk en bereiding; in één woord: het was niet

meer na te gaan hoeveel picols Sabrang gemaakt had.

Nu zijn attentie niet langer uitsluitend op het afgebrande huis

gevestigd was, zag hij ook naar andere dingen, en bemerkte dat onder de

koelies die Biezeman gebruikt had, zich ook de man bevond met wien hij

indertijd op den weg zoo’n lang gesprek had gehouden.

„Hoor eens, Biezeman,” zeide hij, dezen apart nemende. „Heb jij eenig

idee hoe deze brand is aangekomen?”

Biezeman schudde het hoofd.

„De jonker is zoo’n best mensch, dat ik niet zou weten wie.”

„Hm, baldadigheid misschien,” zeide Korman. „Is die eene... daar, de

voorste van die bij het kistje staan, niet een vaste opgezetene van

hier?”

„Ja, meneer,” antwoordde Biezeman. „Een van de oudsten zelfs; hij heet

Tjokro.”

„Laat hem dan het kistje opnemen en ergens in veiligheid brengen.

Zoodoende krijgen we hem alleen en zal ik hem eens ondervragen.”

„Ik heb het huis daar aan ’t eind, voor den jonker laten ontruimen,”

zeide Biezeman. „Moeder de vrouw is bezig er ’t een en ander in te

dragen en op orde te maken met Minah... de barones, weet u.”

„Goed, dan maar daarheen,” zeide Korman, zich aan zijn snor trekkende

om niet te lachen over deze mooie titulatuur.

„Tjokro,” begon hij, zoodra zij in het kampong-huis waren, „je ziet er

uit alsof je nogal pinter bent.”

„Noeninggih!” [105]

„Je begrijpt zoo goed als ik en een ander, dat het huis van meneer in

brand gestoken is.”

„Noeninggih!”

„Hier heb je twee ringgits. Als je mij de daders kunt aanwijzen krijg

je meer.”

„Noeninggih, koelo noewoen!”

„Heb je eenig vermoeden wie het gedaan zou hebben?”

Met een uitgestreken gezicht verklaarde de inlander dat hij er niets

van wist. Doch hij zou meneers bevelen opvolgen, het geld besteden aan

obat [106] en bezweringen, en twijfelde niet of de zaak zou trang [107]

te maken zijn.

„Dat is alles wat wij kunnen doen,” zeide Korman, en na nog eenige

vragen gedaan te hebben het werk op Biezeman’s afdeeling rakende,

vertrok hij.

Dien avond schreef Korman aan zijn geldschieter over het ongeval. Wat

het meest te betreuren was, meende hij, waren de ruim tien picols

koffie, die mede verbrandden. Gelukkig dat Watoeombo een gelijk getal

boven de taxatie produceerde; dat verzachtte het feit eenigszins,

hoewel het niettemin zeer te bejammeren viel. In allen gevalle was het

een les om geen te groote zuinigheid te betrachten in de constructie

van latere gebouwen waarin het product moest worden opgeschuurd, en die

in eens maar van hout en met zink gedekt, op te stellen.

Ook van Everdingen was huiverig geworden voor alang-alang bedekking, en

zeide dit aan Korman, toen er eenige dagen na den brand sprake was van

wederopbouw van zijn huis.

„Ja,” zeide Korman, „ik heb er al over gedacht, om nu wij toch bouwen

moeten, een houten huis te zetten. Kostte dat lamme djatihout maar niet

zooveel geld! Want wildhout, je ziet het aan mijn huis, trekt, en werkt

en barst tot de boel er zoo onooglijk uitziet dat je het wel omver

zoudt willen halen. Enfin, het volgend jaar metsel ik alles in; maar om

nu op Sabrang ook al een steenen huis te zetten....”

„In Holland heb ik wel eens gehoord,” zeide van Everdingen, „dat men

hout moest vellen bij donkere maan. Dan trekt het niet, zegt men.”

„Onzin, boerepraatjes,” riep Korman uit. „Neen, we moeten zien op een

goedkoope manier aan djatihout te komen. Er bestaat, geloof ik, een

bepaling, dat men van de regeering [108] toestemming kan krijgen zelf

in een bosch te kappen, als men hout noodig heeft van een afmeting die

niet op den gewonen houtaankap te krijg is. Ik zal het eens nazien.”

„Daar had ik me bijna verpraat!” dacht hij toen van Everdingen

vertrokken was. „We zullen wel djatihout koopen waar ze thuis niets van

weten, maar als die Everdingen er de lucht van krijgt, maakt hij maar

weer capsies.”

Rencke zat in zijn voorgalerij, in diep nadenken. Zooeven was de

inlander bij hem geweest, dien hij had afgezonden naar Sabrang, den dag

van den brand, om te trachten aldaar de brandstichters op te sporen. De

man was teruggekomen met een bericht dat Rencke ongelooflijk toescheen.

Volgens zijn zeggen was het heel niet moeielijk geweest katrangan [109]

te krijgen. De dader heette Tjokro, en vertelde aan al wie het hooren

wilde, dat hij gehandeld had op aansporen van den toewan besaar, die

hem er tweemaal twee ringgits voor gegeven had; de laatste maal zoo ’t

heette om uit te vinden wie het gedaan had!

Rencke wist niet wat hij er van denken moest. De door hem gezonden

inlander was zeer betrouwbaar; het stond dus vast dat die Tjokro zich

zoo had uitgelaten; maar kon het waar zijn, wat hij beweerde? Hij dacht

er over om naar Korman te gaan, en het dezen te vertellen, doch

schrikte hiervoor terug omdat hij hem niet geraadpleegd had alvorens

zijn mannetje te zenden. Van Everdingen te waarschuwen vond hij niet

fair....

„Soedah!” besloot hij; „als het waar is dat die Tjokro de zaak

rondbazuint, dan komen er ook anderen achter. Het gaat mij in zekeren

zin niet eens aan. Ik zwijg derhalve.”

De komst van den bediende van Korman met een dik pak papieren gaf aan

zijn gedachten een andere richting. Het waren passen voor het vervoer

der koffie naar de stad, één voor iederen picol. Zij waren geteekend

door den secretaris der residentie, en werden beschouwd als een panacee

tegen het vervoer van clandestiene koffie. Want, meende de resident,

als nu ieder, die zonder zulk een pas koffie transporteert, wordt

aangehouden, hoe zou dan nog diefstal aan iemand nut zijn, als hij de

verkregen waar niet zonder groot gevaar bij de afnemers kan brengen?

Dit was immers juist geredeneerd! Het gaf een hoop schrijfwerk en meer

werkte het niet uit; want van Watoeombo gingen den volgenden morgen als

eerste zending dertig picolpaarden, waarop minstens tien picols koffie

die rechtens aan het gouvernement toekwamen.

Toen deze oogst weg was, werd het tijd aan de voorbereidende

maatregelen te denken voor dien van het volgend jaar. Zonder aarzelen

schatte Korman die op duizend picols; wat er tekort kwam wist hij nu

gemakkelijk aan te vullen. Doch er moest een installatie gekocht

worden, en daarvoor zou hij zelf naar Soerabaja gaan.

Eer hij vertrok bezorgde hij twee dingen. Vooreerst de benoodigde

metselsteenen, waartoe hij een steenbakker liet komen, die aan den

overkant der kalie de geschikte aarde vond om zijn bedrijf uit te

oefenen, en daar weldra aan den gang was met vormen.

Ten tweede het hout. Hij was vast besloten zooveel mogelijk stijlen van

djatihout te gebruiken voor de permanente gebouwen der installatie. Een

deel daarvan moest hij inkoopen, om geen achterdocht te verwekken; doch

de rest, en tevens het hout voor van Everdingen’s nieuwe woning,

bezorgde hij zich op de volgende manier.

Voor eigen gebruik, dat wil zeggen voor hun huizen, mogen de javanen

djatihout kappen. Zoodoende vindt men in de dessa hier en daar een huis

waarvan het geraamte uit de zoo gewilde houtsoort bestaat. Het is

niemand verboden zulk een woning te koopen en naar elders over te

brengen. Doch er zit niet veel hout in. En toch ontvangt de kooper

zooveel balken als hij wil, die allen uit dat fameuse huis heeten te

komen.

Het eigenaardige van de transactie bestaat in de aanstellerij van

kooper en verkooper. Geen van beiden spreekt het woord uit, dat de zaak

aanwijst die moet worden uitgevoerd.

„Kromo,” zegt de eerste. „Ik wil je huis koopen; ik kan echter zoo op

het oog niet schatten hoeveel hout er in zit; breng het bij mij op de

onderneming, en daar zal ik het opmeten; ik betaal zooveel per voet.”

Kromo antwoordt op dit alles met het stereotype noeninggih ’ndoro.

Hoogstens bedingt hij een hoogeren prijs dan de gebodene. Eindelijk

wordt hem gevraagd of er wel balken van zekere afmeting in voorkomen,

en wordt hem de maat met een grassprietje of een touwtje duidelijk

gemaakt. Dan trekt hij een bedenkelijk gezicht.

„Ja, zie je,” gaat de kooper voort. „Die moet ik absoluut hebben. Maar

ik geloof wel dat zij er zijn, ten minste achterin heb ik eenige balken

gezien, die nog nieuw waren. Men zou haast zeggen dat zij eerst kort

geleden gekapt waren.”

Een uitdrukking van groote slimheid verspreidt zich over Kromo’s

trekken, en het noeninggih klinkt haast hartstochtelijk. Hij begint te

begrijpen; en terwijl de europeaan voortgaat met het telkens bijna te

zeggen, nog steeds twijfelend of de inlander zijn bedoeling wel vat,

laat deze de djatiboomen die hij vellen zal, reeds voor zijn geestesoog

voorbijgaan. En als de kooper eindigt met hem op het hart te drukken

dat van de balken de poeroesan [110] niet af mag breken, grijnslacht

hij zachtjes.

Dan gaat hij hakken en brengt bij één ouden balk, twintig nieuwe,

waaraan een poeroesan gefabriekt is, die elk eerzaam timmerman een

stuip zou bezorgen van het lachen als hij hem zag.

Op zijn reis naar Soerabaja, den dichtstbijgelegen houtaankap

aandoende, bestelde Korman eenig houtwerk; voornamelijk daksparren en

andere stukken van kleinere afmeting, die hij op de onderneming

moeielijk kon laten aanmaken, daar zij gezaagd moesten worden, en de

inlandsche timmerlieden die hij had, slechts konden bekappen.

Nauwelijks was hij weg, of Li maakte zich op om aan een

beleefdheidsplicht te voldoen. De huishoudsters van de employé’s hadden

haar allen bezocht, doch Korman had haar nimmer toegestaan

contra-bezoeken te gaan brengen. Het ging haar aan het hart, want Li

was van nature zeer fijn van manieren, doch waar hij gebood moest zij

volgen; dat beschouwde zij als haar eerste plicht. Nu echter was er

gelegenheid het verzuimde in te halen, en zij maakte er dadelijk

gebruik van.

Als de hoogste in rang ontving Minah—de barones, zou Biezeman

zeggen—het eerste bezoek, dat van ’s morgens tot in den vooravond

duurde. Toen zij kwam ontving Minah haar met gebak, maar niet de gewone

inlandsche kwee-kwee, neen, echt gebak zooals dat in de groote steden

werd gemaakt door hollandsche dames. Ook onderwees zij Li in de kunst

het te bereiden, met gist die zij zelf kweekte en waarmee zij ook brood

bakte. Brood! Dat zag men op Watoeombo slechts eens per week, als de

plajangan kwam, en dan nog oudbakken. Li moest dadelijk weten hoe Minah

dat deed.

En deze wees haar hoe zij een kopje meel nam, er een dooier van een ei

doorheen werkte en wat zout, het daarna aanmengde met klapperwater en

door de kokki liet kneden, of eigenlijk slaan op een plank, tot het

genoeg was, wat zij dááraan zag dat het deeg in draden kon worden

getrokken die taai waren, en hoe fijn ook, niet braken. Dan nam zij

voor de eerste maal een weinig deeg er van af, en bewaarde dit in een

stopflesch tot den volgenden dag; dan werd de helft er van in het nieuw

te maken brood gebruikt en van het geknede deeg weer een weinig

bijgevuld in de stopflesch. Na vier of vijf dagen was daarin een soort

gist gekweekt en door het gebruik daarvan rees het brood elken dag

mooier.

Aan de rijsttafel was van Everdingen tegenwoordig, en volmaakte de

ontvangst die Minah aan Li bereid had, door zijn vele attenties. Toch,

toen Li naar huis ging was zij niet in haar schik. Zij kon zich geen

rekenschap geven van wat het was, maar Minah had op haar een

ongunstigen indruk gemaakt. Zou het jaloezie wezen? Vrouwen zijn soms

zonderling, en gunnen den man dien zij verstooten hebben aan geen

ander.

Li had er spijt van dat zij Minah den volgenden dag bij zich genoodigd

had; doch het was niet te herroepen, en Minah kwam.

Toen zij weer vertrokken was wist Li wat haar gevoel beteekende. Minah

was een valsch, gevaarlijk wezen. Li had moeite gehad zich bedaard te

houden, en dat moest toch, wilde zij zonder gevaar voor haar zelve en

haar kinderen het kwaad voorkomen dat stond te gebeuren.

Zij hadden samen gepraat—Minah bracht het gesprek er op—over de positie

van een huishoudster. Dat Korman haar kon wegzenden, wist Li; doch

natuurlijk zou hij dat nimmer doen, tenzij zij zich misdroeg; en o! de

gedachte zelfs daaraan was haar vreemd. Zij was immers zijn vrouw, de

moeder zijner kinderen....

Minah noemde haar een onnoozel halsje. Zij wist dan beter wat er in de

wereld te koop was. De heeren namen een huishoudster op een goedkoopje,

zoolang zij nog geen tractement genoeg hadden om een njonja [111]

blanda te bekostigen. Want die zijn duur; ten eerste van nature, ten

tweede door hun kleeding, en ten derde omdat zij van niets verstand

hebben en door de bedienden van alle kanten bestolen worden. Watblief?

Die waar Minah’s moeder diende, was een der pintersten, wat echter niet

belette dat zij, Minah, zes jaar lang had meegegeten. En zij niet

alleen. Ieder der bedienden had een vrouw of een man en kinderen, die

allen meeaten uit de goedang. Een kleine kolonie op het achtererf!

Welke huishoudster, die zuinig wilde zijn, zou dat toelaten? Van

Everdingen en zij hadden een kokki, een jongen, en een waterdrager, die

allen in de bijgebouwen woonden en in de kost waren. Maar zij kregen

niets te veel, niet meer dan zij ook precies op konden; en familie

duldde Minah zelfs niet in de kampong.

Dat had Minah van alle kanten goed bekeken. Zoodra de heeren het

betalen konden, namen zij een vrouw en kon de huishoudster haar matje

oprollen. Tenzij zij pinter was. Want er waren middelen om de heeren te

dwingen! Die assistent-resident onder anderen, die naast hen woonde in

de stad.... Minah was nog jong toen het gebeurde, maar zij had het

verhaal dikwijls gehoord van de oude tante van haar moeder, die bij hen

inwoonde, en zelf de obat had geleverd. Die mooie meneer dacht zoo

stilletjes met verlof naar Holland te gaan. Maar het behoefde niet!

Want een poosje te voren werd hij ziek en dacht dat hij ging sterven.

En zijn huishoudster had verschrikkelijk geschreid en zich aangesteld

alsof zij zich de haren uittrok van verdriet, kermende en klagende dat

zij en haar kinderen naar de kampong verwezen waren, omdat die arme

schapen niet gewettigd waren. Toen was er een ambtenaar gekomen van de

secretarie en zij waren getrouwd, om de kinderen. En de njonja

assistent trok kousen en schoenen aan en een zwartzijden japon, en

mocht voortaan als er visite was binnenkomen; want.... de

assistent-resident werd beter! Wat hadden haar moeder en de tante van

haar moeder er dikwijls om gelachen! Maar zij, Minah, had het zich in

het geheugen geprent; en eer zij met haar zuster was meegegaan naar

hier, om huishoudster te worden bij van Everdingen, wist zij uit welke

planten de obat was getrokken die zulk een heerlijke uitwerking had.

Li nam zich voor om Korman dadelijk te waarschuwen als hij thuis kwam.

Op het oogenblik durfde zij niets, want zoo’n schepsel was tot alles in

staat als zij wist dat Li haar verraden had.

Korman bleef langer uit dan hij oorspronkelijk van plan geweest was.

Toen hij bij den fabrikant kwam om te bestellen, vroeg deze hem ten

eerste hoeveel koffie hij per etmaal wilde pellen, en ten tweede over

hoeveel water hij beschikken kon. Op de eerste vraag kon hij natuurlijk

dadelijk antwoorden, zoodat de fabrikant hem aanraadde op Sabrang, op

beide afdeelingen, een paar pulpers te plaatsen, door koelies uit de

hand te draaien; evenzoo op de afdeeling van Brisson; doch op Watoeombo

zelf moest andere beweegkracht aangewend worden en dadelijk een

grootere installatie opgesteld. Als de drijfkracht water was, dan moest

de fabrikant weten hoeveel daarvan kon verkregen worden, teneinde de

grootte van het waterwiel te kunnen berekenen.

„Wel, een kalie vol!” riep Korman uit.

De fabrikant kon evenwel met die opgave niet volstaan.

„Ik moet twee dingen weten,” zeide hij. „De hoeveelheid water en het

verval. Het eerste bepaalt men ruw weg, door de kalie over een lengte

van vijftig meters op afstanden, van bijvoorbeeld vijf meter, te peilen

en aldus de gemiddelde diepte te berekenen. Dan meet men op dezelfde

wijze de gemiddelde breedte. En eindelijk laat men aan het begin van

het gemeten vak een licht voorwerp, een kurk of zoo, in het water

vallen en neemt nauwkeurig op in hoeveel seconden het den weg aflegt

tot aan het einde.

„Voor het verval moet ik weten hoe hoog u, na afdamming der rivier, het

water kunt krijgen boven de plaats der installatie. Dat geschiedt door

eenvoudig waterpassen.”

„Wilt u dat eens opschrijven,” verzocht Korman, „dan zal ik mijn

eersten geëmployeerde opdragen een en ander ten spoedigste te doen.”

Zoo geschiedde, en Korman moest wachten tot hij de opgaven van

Watoeombo had ontvangen. Ook schreef hij aan Messner, die hem opdroeg

voor hem een viertal pulpers te bestellen, die met de hand bewogen

konden worden, doch later eventueel ook op een waterwiel te gebruiken

waren.

In den tijd die er verliep tusschen het afzenden van zijn brief en het

antwoord daarop, verveelde Korman zich vrij wel in de groote stad, daar

hij bijna niemand kende. ’s Avonds bezocht hij meestal de Sociëteit,

waar Benoit hem een introductie bezorgd had; maar te eenkennig om zich

aan dezen of genen voor te stellen, zat hij uit den treure de prentjes

te bekijken in de leeszaal.

Eens meende hij een bekende luidklinkende stem te hooren, en opziende

bemerkte hij zijn buurman van Os. Snel sloeg hij de illustratie die

voor hem lag, dicht en hield zich als wilde hij het gebouw verlaten,

zich echter met opzet naar de zijdeur begevende om van Os tegen te

komen.

„Hallo!” riep deze uit. „Ben jij ook hier? Dat treft! Laat mij om te

beginnen de heeren eens aan elkaar voorstellen. Kaptein Kool van de

genie, mijn technisch raadsman—meneer Korman, administrateur van het

monsterland Watoeombo.”

Beiden vonden de kennismaking aangenaam, althans zij verklaarden zulks.

„En wanneer ga je weer naar boven?” vroeg van Os.

„Over een paar dagen,” zeide Korman, en vertelde waarop hij wachtte.

„Dan konden wij wel samen gaan—dat is te zeggen met ons drieën,”

opperde van Os. „Want mijn vriend Kool zal me het genoegen doen van

ziek te worden en berglucht noodig te hebben tot herstel van

gezondheid.”

„O zoo!” zeide Korman lachend, den kapitein aanziende, die een

toonbeeld van gezondheid was.

„Van Os spot er mee,” zeide deze. „Doch ik ben werkelijk ongesteld. De

zaak is deze: als ik om dezen tijd niet eens naar een koel klimaat ga,

dan word ik ziek en moet toch naar boven.”

„Dus bij wijze van voorbehoedmiddel?”

„Geraden! Voor den dienst is het precies hetzelfde of ik gezond dan wel

ziek een maand absent ben, maar voor mij persoonlijk maakt het een

groot verschil. En nu kan ik tegelijk mijn vriend van Os een genoegen

doen door eens naar zijn bouwerij te kijken; waarom zou ik het dus

laten?”

„U heeft volkomen gelijk,” zeide Korman. „En... mag ik vragen, heeft u

ondervinding van den aanleg van koffie-établissementen?”

Er was onmiskenbare ironie in den toon van zijn stem. Kapitein Kool

voelde het, en fronste de wenkbrauwen.

„Hoe kan je dat vragen!” riep van Os als verwonderd uit. „Heb je meneer

zijn naam niet goed verstaan?”

„Ja wel,” stotterde Korman; „kaptein Kool...”

„Van de genie,” vulde van Os aan. „Juist; en ken je dan het werk niet

dat de kaptein heeft samengesteld?”

„Neen...”

„Wel voor den dokter! Hoe is het mogelijk?! Kijk bij gelegenheid eens

in de laatste aflevering van de Indische Gids; die heeft er nog een

recensie over.”

„Hoe heet het?” vroeg Korman geheel overbluft.

„Hm,” deed van Os, „ùche, ùche. Hoe duivel... o ja...,

Koffie-établissementen, in Oost- en West-Indië. Is ’t niet, Kool?”

„Ja,” zeide deze met een quasi zedige gelaatsuitdrukking. „Met

houtsneden.”

„Juist. Er staan teekeningen achter.”

„Wel,” zeide Korman, „dan zal ik er morgen dadelijk een exemplaar van

koopen. Het is hier toch te krijg?”

„Ik geloof dat Thieme & Co het heeft,” zeide kapitein Kool. „Hoewel...

het is in Holland uitgegeven.”

„Kom, laat ons nu wat gaan biljarten,” stelde van Os voor, zijn glas

ledigend.

„Wat heb je dien meneer te pakken gehad,” zeide kapitein Kool toen hij

met van Os in een kossong [112] naar huis reed. „Wat voor een soort

mensch is hij?”

„’n Goed merk; alleen een beetje verwaand,” zeide van Os.

Korman ging den volgenden morgen naar Thieme & Co en vroeg naar het

boek van kapitein Kool. De employé die hem te woord stond, raadpleegde

den Catalogus voor den Boekhandel, doch vond het er niet in.

„Het is zeker een pas uitgekomen werk. Ik zal er over schrijven en het

u toezenden. Mag ik uw adres weten?”

Korman gaf het en ging toen terug naar zijn logement, waar hij tot zijn

groote vreugde brieven van Watoeombo en Donowarie vond met de verlangde

opgaven.

De zaken wikkelden zich nu spoedig af. De fabrikant maakte zijn

becijferingen, en daarna een teekening voor het metselwerk dat Korman

had laten doen. Voor de opstelling van het ijzeren waterwiel en de

overbrengende beweging, zou een deskundige te Watoeombo komen.

Zooals was afgesproken maakten zij de terugreis met hun drieën, in

Korman’s reiswagen.

Op Watoeombo komende bevond Korman dat er reeds een flinke massa hout

was aangekomen, zoowel van den houtaankap als uit de dessa. De

steenbakkers hadden een oven opgebouwd van twintigduizend steenen, en

er juist den brand in gestoken, zoodat men over een week de gare

metselsteenen kon verwachten. In de stad had hij kalk en

portland-cement besteld; zand leverde de kalie in elke hoeveelheid.

Rencke, die in zijn schooltijd aan rechtlijnig teekenen gedaan had,

zette, na eenige studie op de teekening van den fabrikant, de fundaties

heel aardig uit; tot stille tevredenheid van Korman, die gevreesd had

met vragen te zullen worden lastig gevallen over al die strepen en

lijnen waarvan hij niets begreep.

Zoodra zij zoover waren dat op het terrein zelf de grootte van de

molenloods kon aangegeven worden, werd deze opgetrokken. Djatihouten

stijlen op steenen voetstukjes droegen het dak, dat met gegalvaniseerd

ijzer gedekt werd. De helft der loods werd ingenomen door de molens; de

andere helft, die ongeveer anderhalf meter hooger uit den grond was,

werd bevloerd en gepleisterd, terwijl een laag halfsteensmuurtje er

omheen liep.

Toen men dit gereed had, en aan den buitenkant ook de fundeering voor

het waterwiel, schreef Korman aan den fabrikant dat hij gereed was, en

stuurde koelies en paarden naar de stad, om het daar, bij zijn

chineeschen agent, bewaarde ijzerwerk af te halen.

Ver boven de kampong was een dammetje in de kalie gelegd, even hoog

genoeg om een gootvol water af te leiden. Een mandoer, dezelfde die

indertijd van Korman een pak slaag had gekregen, omdat hij de terrassen

niet waterpas kon maken, was daar aan het werk; en nu hij water had

bewees hij als een echte javaan daarmee de zuiverste waterpasse leiding

te kunnen maken. Bijna veertig voet boven de molenloods kwam de

waterleiding uit, waarin men desverkiezende de geheele kalie had kunnen

aftappen.

Van Soerabaja kwam nu de deskundige, de monteur der fabriek, die de

installatie geleverd had. Hij bracht een inlandsch werkman mee. Deze

twee, geholpen door een zestal koelies van de onderneming, zetten het

ijzeren waterwiel, dat uit segmenten bestond die aan elkaar geschroefd

werden, in korten tijd op de fundatie, en daarvan uitgaande, brachten

zij een as dwars door de loods aan, die zes riemschijven droeg, één

voor elken pulper. Ten slotte liet de deskundige een draaibare sluis

maken, om, al naar men noodig had, het water in het wiel te kunnen

leiden of het te doen afstroomen naar de kalie. Toen dit alles gereed

was, waarmee ongeveer twee weken waren gemoeid geweest, liet hij den

boel draaien. Daarbij bleek dat alles in orde was, althans de

beweegkracht en de transmissie; de pulpers zouden eerst gekeurd kunnen

worden als er koffie was. Doch het systeem was reeds elders beproefd en

goedbevonden, dus gaf Korman zonder aarzelen een kasaanwijzing af op

Benoit voor den prijs der installatie en de onkosten van het monteeren,

waarmee de deskundige vertrok.

Op de afdeelingen, en eveneens op Donowarie, was het eenvoudiger

toegegaan. Daar stonden de molens onder een bamboe-loods en daarnaast

de gemetselde waschbakken. Water voor de pulpers en voor het wasschen

werd met bamboe-leidingen uit de kalie getrokken.

De molenloods te Watoeombo stond dicht bij de administrateurswoning, en

vandaar tot aan de kampong werd nu het geheele terrein getransformeerd

in droogbakken; in vorm gelijk aan de primitieve aarden bakken, doch nu

netjes bevloerd met metselsteenen en geheel met portland-cement

bepleisterd. In de specie die voor pleisteren gebruikt wordt, mag geen

kalk bijgemengd worden, daar deze zich door de inwerking van de natte

koffie oplost.

Lang voor de koffie geplukt kon worden waren op Watoeombo de

installaties gereed. Op Marialand was men niet zoo vlug.

Kapitein Kool was daar den dag na zijn aankomst begonnen het terrein,

dat van Os voor zijn installatie bestemd had, van alle kanten te

bekijken en op te meten. Toen had hij teekengereedschap te voorschijn

gehaald en zich gedurende een week beziggehouden met het vervaardigen

van schetsen, die hem echter geen van allen schenen te voldoen.

„We moesten eens beginnen, ouwe,” zeide van Os op een morgen.

„Dat zullen we ook,” was het antwoord. „Maar mijn stelregel is: eerst

met het hoofd, dan met de handen. En met het hoofd ben ik bezig, ja

bijna klaar. Kijk eens hier.”

Terwijl van Os de hem voorgelegde schets bekeek, legde de genieofficier

hem die uit.

„Dat is drommels mooi!” riep van Os eindelijk uit. „Weet je wat, ik zeg

niets meer; ga jij je gang, al moest het nog een maand duren.”

„Overmorgen ben ik klaar,” beloofde Kool. „Laat straks even een plank

voor mij afschaven, dan zal ik de werkteekeningen maken.

Overmorgenochtend kan je laten beginnen met uitgraven; ik zal het

morgen uitzetten.”

Kapitein Kool bleef een maand, en toen hij weg ging, wist van Os hoe

hij het werk moest afmaken. Een zestal werkteekeningen wezen het als

vanzelf aan, duidelijk en gedétailleerd als zij waren.

Eindelijk was ook hij zoover dat de monteur kon komen, niet echter om

een waterwiel op te stellen, doch een kleine stoommachine.

De administrateur van Marialand had namelijk één principe consequent

doorgevoerd. Zijn woning, de kampong en het établissement lagen precies

in het centrum der onderneming. Dat had hij geacht het meest in het

belang van de zaak te zijn, en daar moest zoo mogelijk alles zich naar

regelen. Hij kon nu wel een waterleiding maken naar het établissement,

doch de kosten daarvan zouden zeer hoog geloopen zijn; dus koos hij een

stoommachine als motor voor zijn pulpers en maakte een gewone

buisleiding van bamboe voor het waschwater. En om dit laatste nog zoo

goedkoop mogelijk in te richten, liet hij de leiding slechts uit één

bamboe aanleggen en een verzamelbassin metselen, dat ’s nachts vol

liep, en zoodoende voor het werk overdag genoeg uitleverde.

Het opstellen van de kleine stoommachine duurde niet lang, doch bij het

proefstoomen draaide zij zeer langzaam, en toen de pulpers werden

aangekoppeld weigerde zij formeel den dienst. De monteur, een gewezen

machinist van een stoomboot, zocht een week lang naar de fout, en

verklaarde eindelijk dat die moest zitten in een te kleine uitholling

van de stoomschuif, waardoor de afgewerkte stoom niet spoedig genoeg

ontwijken kon en zoodoende een tegendruk veroorzaakte.

Van Os zat met de handen in het haar. Tot overmaat van ramp kreeg hij

de tijding dat er twee nichtjes van hem in Indië waren aangekomen en te

Batavia zouden komen inwonen bij hun oom, een andere broer van van Os.

Dit ware nu op zichzelf genomen zoo erg niet, maar broer kon hen om de

een of andere reden niet dadelijk bergen, en had hen daarom tijdelijk

in het logement bezorgd, om hen per eerstvolgende boot naar Soerabaja,

adres van Os, op te zenden. Hij moest dus naar Soerabaja om hen te

halen.

„Hoor eens,” zeide hij tot den monteur, toen de tijd drong; „loopt dat

ding nu of niet? Ik bedoel vandaag nog.”

„Neen meneer,” was het antwoord. „Er is een gebrek aan de....”

„Ja wel, dat weet ik,” viel van Os in. „Er zit iets in de stoomschuif

het achterste voren, of zoo. Ik wou alleen zeggen dat ik morgen naar

Soerabaja ga. Wil je meegaan of wachten tot je chef hier komt; want

dien breng ik mee.”

„Ik zou liever hier blijven,” zeide de monteur. „Als de ingenieur dan

komt, wou ik er graag bij zijn.”

„Goed,” besloot van Os.

Korman had gehoord dat van Os met zijn installatie tobde. Hoe en wat,

wist de inlander die het vertelde niet te zeggen. Daarom besloot hij er

eens heen te gaan. Op het briefje, dat hij vanwege den kwaadaardigen

hond den dag te voren verzond, kreeg hij echter antwoord van mevrouw

van Os dat haar man plotseling op reis was gegaan. Hij stelde den tocht

dus uit.

Na een week kwam van Os terug, zijn nichtjes en den ingenieur

medebrengende. De laatste was een dier weinige Engelschen, die men in

het buitenland aantreft vrij van de ruwe vlegelachtige lompheid en

stijve aanstellerij, die de kenteekenen zijn van exemplaren van dat

ras, zoodra zij hun eigen land verlaten hebben.

Hij was daarenboven zeer conversabel en bewegelijk, sprak bijna

onberispelijk hollandsch, en had de reis vooral voor de jonge dames met

veel tact en geest weten op te vroolijken.

De nichtjes, Caroline en Saartje, twee en twintig en twintig jaar oud,

waren beiden zeer blond, opgewekt, beschaafd, muzikaal en pas van de

kostschool.

De monteur haastte zich zijn chef te begroeten.

„Halloh Stevens,” zeide deze; „won’t she go? Wat mankeert er aan?”

Door van Os vergezeld gingen zij naar de machine. En hier veranderde op

eens de geheele manier van doen van den engelschen ingenieur. Kalm en

met een ernstige beradenheid bezag hij de opstelling, en knikte een

paar maal goedkeurend.

„Well done!” zeide hij tot Stevens, die herademde. Toen, de hand aan

het vliegwiel der machine slaande, trachtte hij dit, doch vergeefs, om

te draaien.

„Laat dien riem even afnemen,” gelastte hij. „Heb je al stoom?”

„Pas twintig pond meneer,” antwoordde Stevens met een blik op den

manometer.

De riem die de machine aan de overbrengende beweging verbond was er

intusschen afgenomen. Nog eens herhaalde de ingenieur zijn proef, en

toen hij met alle kracht het vliegwiel nauwelijks een duim verder kon

draaien, vroeg hij om een schroefsleutel. Hiermede draaide hij de

moeren van de kussenblokken een weinig losser, en ging voorts ook die

der werkbussen na. Eindelijk lichtte hij de klepjes van de oliekoppen

op, en draaide voor de derde maal aan het vliegwiel, dat nu zonder

eenige moeite rondging.

Toen zette hij de waterkraantjes van den cilinder open, liet nog één

blik over het geheel gaan en draaide langzaam aan de smoorklep.

Statig zette het kleine ding zich in beweging. Pf, pf, deden de

waterkraantjes, maar nadat deze gesloten waren, hoorde men niets meer.

„She ’s allright,” verklaarde de ingenieur.

„Ja wel,” zeide van Os, „zoo ging het laatst ook, maar dat is te

langzaam, en als de molens aangezet worden staat hij stil.”

De ingenieur zeide niets, doch met een handige beweging wierp hij den

riem over het draaiende drijfwiel. De machine bleef bijna even vlug

doorloopen. Nog een zetje aan de smoorklep, en alles snorde full speed.

„Prachtig!” riep van Os uit. „Wacht, ik ga de dames roepen.”

Van zijn afwezigheid maakte de ingenieur gebruik om den armen Stevens,

die er met open mond bij stond, een ongezouten standje te maken. En

deze kon niets anders tot zijn verdediging aanvoeren, als dat hij aan

boord gewoon was geweest met stijf aangeslagen metalen te werken.

„Dat is waar,” zeide zijn chef. „Maar als je je zelf aanbiedt om

landmachines te monteeren, dan behoor je ook daarvan verstand te

hebben. Never mind, het overige is in orde, wees in ’t vervolg

attenter.”

De dames vonden het natuurlijk heel mooi; maar van Os was in de wolken.

Morgen moest er geplukt worden, en hoezeer zijn vrouw ook

tegenstribbelde en beweerde dat zij nooit klaar zou komen, wilde hij

invitaties rondzenden aan alle heeren in de buurt om in den namiddag te

komen en vervolgens een klein maalfeest mede te vieren.

Dat zij allen aan de uitnoodiging voldeden behoeft wel geen betoog, en

eenstemmig was de bewondering over de practische inrichting van het

établissement.

Aan den rand van het boschje, waarin het woonhuis stond, lag een vrij

gelijkmatig hellend terrein. Bovenaan waren drie terrassen uitgekapt.

Op het hoogste stond een loods, met steenen vloer, welke vloer van hout

was voortgezet en met een dikke pleisterlaag bedekt tot over het tweede

terras heen, alzoo daarop een bovenverdieping vormende. Deze

bovenverdieping was, met het hoogste terras, de ontvangloods der roode

koffie. Door gaten in den vloer, die in trechters uitkwamen, liep de

koffie door water gestuwd en medegevoerd in de pulpers, die beneden

stonden op het tweede terras, waar een kleine afgescheiden ruimte ook

de stoommachine en ketel inhield. Het derde terras bestond uit vier

waschbakken. Dit alles was onder dak en omsloten door een traliewerk

van zoogenaamd volièregaas. Nog lager waren de droogbakken,

terrasvormig vóór en naast elkander, door een vernuftig gotenstelsel

gescheiden, waarlangs men de koffie, als die gewasschen was, met een

waterstraal op de bakken kon doen loopen. Behalve de stoker voor de

machine, waren twee man voldoende om de geheele installatie te doen

werken.

Toen de gasten verzameld waren, leidde van Os hen naar de molenloods en

nam het ontvangen van de koffie een aanvang. Door een mandoer en een

amboneesch opzichter geleid, liep dit, dank zij de tucht die bij alles

op Marialand heerschte, zeer spoedig af. Daarop ging men het trapje af

naar de machinekamer. Slechts de dames en de administrateurs konden

hierin een plaats vinden, de anderen stonden in de ruimte bij de

pulpers.

Op de smoorklep was een bloemruiker gebonden; en terwijl een bediende

champagne presenteerde, noodigde de ingenieur mevrouw van Os uit de

machine in beweging te stellen.

„Ik durf niet,” zeide zij. „Laat Caroline het maar doen.”

Caroline durfde wel. Zij trad naar voren en draaide op aanwijzing van

den ingenieur aan het wieltje. Daarbij had zij uit vrees voor

olievlekken de mouw van haar japon hoog opgetrokken en vertoonde een

buitengewoon fraaigevormden arm. Trouwens het heele tooneeltje, toen de

machine begon te draaien en de aanwezigen een luid hoera deden opgaan,

had iets zeer frisch en levendigs, geaccompagneerd als het werd door

het geklater van het vallende water en het knarsen van de koffie in de

pulpers.

In de koffie: Oorspronkelijke Indische Roman · 第 5 / 9 题