Boven dien naam stond een kroontje.
„Een Engelschman, Marie!”
„Hij spreekt Hollandsch, meneer!”
„En ben je daarvan nu zoo geweldig ontdaan, Frits?”
„Nee, meneer, maar die vreemdeling heeft weer een groot pak bij zich.”
Mevrouw Deelman keek met een verbaasd gezicht haar man aan.
Maar Jonker Deelman lachte en zei:
„Laat dien heer binnenkomen, Frits. Pakjes en andere geheimzinnigheden
kunnen ons niet afschrikken.”
Aarzelend ging Frits de kamer uit en enkele minuten later trad een heer
de kamer binnen, die, uiterst voorzichtig, een groote spanen doos op
den grond plaatste.
Daarna maakte hij een onberispelijke buiging voor den heer en mevrouw
Deelman en sprak in zuiver Nederlandsch:
„U zult mij wel veroorloven een oogenblik van uw tijd in beslag te
nemen. Ik ben baron Jamestown.”
De lange, slanke gestalte van den bezoeker maakte indruk op het
echtpaar Deelman. De donkere, zielvolle oogen van den edelman
schitterden, zijn neusvleugels trilden.
Jonker Deelman noodde den vreemdeling uit, plaats te nemen en toen het
drietal gezeten was, vervolgde de bezoeker:
„Ik kan kort zijn—héél kort. Het is mij mogen gelukken, den misdadigen
Spanjool en zijn handlangster hier in Rotterdam op te sporen.
„Het was precies op tijd!
„En nu breng ik u den kleinen kroonprins, die dus thans voor de tweede
maal aan uwe zorgen wordt toevertrouwd voor onbepaalden tijd. Ik ben
ervan overtuigd, dat ge u ditmaal den kleine, van wiens bestaan zooveel
afhangt, niet weder zult laten ontfutselen. En het doet mij genoegen,
dat ik den Staat der Nederlanden dezen dienst heb kunnen bewijzen.
„Dank daarvoor wensch ik niet—volstrekt niet,” vervolgde hij, toen hij
zag, dat de consul hem in de rede wilde vallen.
„Hier, in deze doos ligt de kleine prins te sluimeren. Ik vertrouw hem
verder aan uwe zorgen toe!”
De vreemdeling stond op en wilde gaan.
„Mag ik uw adres?” vroeg de heer Deelman.
„Tot morgenavond blijf ik in het Passage-Hotel verblijf houden. Daarna
ben ik niet meer te bereiken!”
Nogmaals boog hij en verdween.
Buiten wachtte een auto en een blonde jongeman zat, rustig wachtend,
een sigaret te rooken op de zijden kussens van het weelderig ingerichte
voertuig.
Toen de automobiel zacht voortsnorde, vroeg de blonde den ander:
„Hoe was de ontvangst, Edward?”
„Zooals ik dacht, Charly! Kalm en voornaam! Het kind is nu onder goede
zorgen en wij zullen op den goeden afloop een voorstelling in Tivoli
gaan bijwonen.”
In het Passage-Hotel werd den volgenden morgen omstreeks elf uur, aan
het adres van baron Edward Jamestown een groote, verzegelde enveloppe
bezorgd.
De heer, die dezen brief bezorgde, mocht hem slechts aan den baron
persoonlijk overhandigen, die daarvoor quitantie teekende.
Toen de baron, alias John C. Raffles in zijn kamer was teruggekeerd en,
in tegenwoordigheid van zijn vriend Charly Brand het couvert opende,
viel daaruit de chèque op de „Nieuwe Rotterdamsche Bank.”
Raffles had, als belooning voor zijn speurderswerk een half millioen
gulden verdiend.
„Drommels, Charly, wat denk je ervan, boy? We kunnen daarvan een reisje
naar het Zuiden maken en in Monte Carlo de Bank laten springen.”
Dienzelfden middag ging Lord Lister het bedrag innen op de Bank en hij
quitteerde met den naam van Edward baron Jamestown.
Des anderen daags ontving Rotterdam’s burgervader de ronde som van
honderd duizend gulden voor de armen zijner stad.
En veertien dagen later stond onder de rubriek Buitenland in de
dagbladen vermeld, dat prins Arto van Navarra door een noodlottig
toeval op de jacht het leven had verloren.
Zijn geweer ketste toen hij wilde vuren op een hert. De prins kreeg het
volle schot in het gelaat en gaf slechts eenige oogenblik later den
geest.
Groot opzien baarde het, toen het bekend werd dat de Staat der
Nederlanden gespaard was voor ernstige politieke verwikkelingen met den
staat Navarra, door de bemoeiïngen van den bekenden Londenschen
gentleman-dief John C. Raffles.
Lord Lister intusschen was reeds op weg naar Parijs om daar met zijn
secretaris Charly Brand eenige genoegelijke weken door te brengen.